Richard Foqué over ‘De dagen zijn beschadigd’

25 september 2017 § Een reactie plaatsen

Kunstencentrum WARP, St. Niklaas, 22.09.2017

Beste poëzievrienden,

Toen ik geheel onverwachts de vraag kreeg van uitgeverij Vrijdag om de nieuwe dichtbundel van Bart Plouvier te willen inleiden, was ik niet alleen aangenaam verrast maar heb ik die uitnodiging ook meteen graag aanvaard.

Ruim een jaar geleden had ik een bespreking gemaakt voor De Auteur, het ledenblad van de Vereniging van Vlaamse letterkundigen, van Bart’s vorige bundel “Zekerheden” en was toen reeds erg enthousiast over zijn poëzie.

Bart Plouvier neemt een aparte plaats in in de Nederlandstalige letterkunde. Hij heeft niet alleen heel wat watertjes doorvaren, zowel letterlijk als figuurlijk, maar ontwikkelde tezelfdertijd zijn schrijverschap. Het resulteerde in een omvangrijk oeuvre dat gaandeweg hem ook een gewaardeerde positie verschafte in het letterenlandschap.

Hij debuteerde als romanschrijver in 1987 met De maquette maar publiceerde in 1998 pas zijn eerste dichtbundel Zaailingen. Tussendoor schreef hij romans, verhalen, theaterstukken en kinderboeken. Hij werd daarenboven voor zijn schrijverschap meermaals bekroond.

De bundel, waarvan ik de eer heb hem vandaag aan jullie voor te stellen, moet als ik me niet vergis zijn negende zijn.

Voor mij is deze bundel een natuurlijk vervolg op zijn vorige “Zekerheden” en heeft meer nog dan de vorige als onderliggend thema “de twijfel”: Twijfels over de zekerheden.

De dichter realiseert zich dat hij zich in zijn laatste levensfase bevindt. De voortschrijdende tijd, die niemand spaart, is in deze bundel alom tegenwoordig. Voor de dichter is het de enige zekerheid dat ook die afloopt. Vanuit dat standpunt stelt hij vragen over het verleden, naar de zin van dat wat voorbij is en hoe dat nog betekenis kan hebben voor wat nog komen zal.

wij zagen slechts wat was geweest

en hoopten op wat komen zou

daartussen lag muisstil het nu

gespleten weer in zij en ik

Plouvier zoekt zijn inspiratie vlakbij en in zijn eigen wereld: reisimpressies, kleinkinderen, de geliefde, huwelijk, dood van een vader en een moeder, jeugdherinneringen, kortom het lief en het leed. Hij observeert en reflecteert, blikt terug op een tijd, waarvan de dichter beseft dat die voorbij is maar die blijft nawoelen in het heden. Zekerheden worden onderuit gehaald en telkens weer wordt de lezer op het verkeerde been geplaatst. Ook hij/zij wordt al lezende onderuit gehaald.

De dood, dat enige vaststaande feit, is alom tegenwoordig. De winter, waar de natuur tot stilstand komt is voor de dichter de metafoor en wordt in deze bundel als het ware een dramatis persona. Voor Plouvier is dood verlies maar ook weer niet. Er is de liefde als reddingsboei, maar ook die ontglipt de zwemmer, die wil blijven drijven: want de dagen zijn beschadigd. Het resulteert in de prachtige openingsverzen van het eerste gedicht “De nacht komt”.

De dagen zijn beschadigd

stotterlopen langs zichzelf

………..

onvermijdelijk komt de nacht

zwarter nog dan zuiver angst

een raaf die mij mijn hart benijdt

een lynx met stalen klauwen

 

ik sla mijn benen om mijn liefste

hou mij aan haar haren vast

druk mijn buik tegen haar heup

tot zij zegt laat nu maar los

zonder haar zou ik nooit slapen.

Het is een prelude tot de bundel en construeert meteen het kader waarin alle volgende gedichten zich plaatsen. Het houdt ook de waarschuwing in zich dat niets is wat het lijkt te willen zijn en wat de titels van de gedichten voorspellen.

Want ook in zijn titels zaait Plouvier twijfels. Wanneer je afgaat op de inhoudstafel en dus enkel geconfronteerd wordt met de titels van de gedichten is de eerste reactie er één van “moet dit echt”. Ze lezen bijna als een catalogus van huis- tuin- en keukenadvies. Maar je leest dan de gedichten en ontdekt de geraffineerde bedrieglijkheid ervan.

Hier is een dichter aan het woord, die er in slaagt om simpele alledaagse taferelen en waarnemingen te plaatsen in een universele context, te transcenderen tot een metafysische overdenking. Bijvoorbeeld het gedicht Ontbijt in Madrid:

Wij lopen weg uit de volgestouwde nacht

voorbij nu en zat van stoute verwachtingen

langs een cafeteria de gevel ingekleurd

met sinaasappel broodbruin en Manchego

 

een vroege drinker slurpt café con anís

en wij de handen rond een cappuccino

de dwergen van Velásquez onder tafel

ruiken donkere verf en verse croissants

Maar nooit wordt de dichter bombastisch of hermetisch. Plouvier is een vakman, die de taal virtuoos beheerst en naar zijn pen kan zetten om precies dat uit te drukken wat hij zeggen wil. Geen woord teveel maar elk vers is afgemeten, juist genoeg en toch ontzettend beeldend. Hij hanteert daarbij een breed stilistisch palet. Zo gebruikt hij zeer doelmatig neologismen en plaatst alledaagse woorden in nieuwe contexten. De dichotomie ook als middel tot het zoeken naar evenwicht.

Hij bedient zich graag van de paradox als stijlfiguur, waardoor hij het evidente bevreemdend maakt en het vreemde weer toegankelijk.

Hij doet dit zonder dat het storend of artificieel overkomt, integendeel ze ondersteunen de poëtische zegging, verrijken zijn beeldtaal en stimuleren de verbeelding van de lezer. Ritme en klank zijn daarbij de dragende elementen.

In deze nieuwe bundel is Plouvier ook directer. Minder omfloerst klinkt hij bijwijlen ook harder. Een zekere fataliteit wordt gelaten gedragen maar tezelfdertijd opstandig bestreden. Maar alom is daar steeds het besef dat ouderdom wijsheid brengt en begrip voor wat ooit onbegrepen was.

De dichter beseft dat je het verleden niet ongedaan kan maken, dat dat wat verloren is nooit zal terug gevonden worden, maar dat het ook loutert en dat de geliefde en de liefde het enige houvast biedt. Helaas loopt ook die af in de onafwendbare dood.

Ik citeer enige verzen geplukt uit diverse gedichten:

De Liefde zoekt wie

zij vroeger reeds verliet

of

ze sliep al

hoe de liefde

het leven even met

de dood verbond.

of

Hoe moet dat later dan

zo zonder ons

alle woorden

opgebruikt

alles behalve

de herinneringen

 

gedaan met draaien

en keren

zo moet dat dan

als alles

in liefdes weerwil

blijkt af te lopen.

De bundel wordt afgesloten met een soort “testament” dat start met het gedicht “Aan het einde van de reis” en zijn bekroning vindt in “Aantekeningen van een parkwachter”. De parkwachter, de dichter zelf, is een buitenstaander geworden, die observeert en vast stelt dat de winter komt, maar die ook weet dat na de winter er nieuw leven zal open bloeien. Bijvoorbeeld uit deel 3, De vissen:

zij dromen van

de laatste overstroming

de Grote Vloed

en hun verlossing.

Het laatste gedicht “Wie zonder invloed is werpe de eerste steen” is dan de epiloog. De dichter blikt hier terug op zijn eigen werk:

Er wonen duizend dichters in mijn hoofd

soms is het moeilijk aan hen te ontkomen

ze plakken hun beelden tot in mijn dromen

……

ik heb mijn lezers eigenzinnigheid beloofd

straks is er niemand die mij nog gelooft

maar weet geen dichtwerk is volkomen

Beste poëzievrienden,

Voor wie van toegankelijke poëzie houdt zonder franje maar van een uitzonderlijke dichterlijke zegging moet deze bundel zeker lezen. Plouvier zaait twijfel en zekerheid tezelfdertijd.

Zijn boodschap is duidelijk: ieder van ons moet leren leven in zijn beschadigde dagen.

Deze nieuwe bundel van Bart Plouvier is een eerlijke bundel van een ware dichter. Een verademing in een tijd waarin al te vaak bij de jonge dichtersgilde poëzie verzandt in oeverloos prozaïsch getater, waaraan niemand een boodschap heeft.

Met deze bundel zet Bart Plouvier opnieuw de bakens uit voor wat poëzie echt dient te zijn: de kunst om op basis van het medium taal de werkelijkheid zo te herscheppen, de betekenissen ervan in vraag te stellen dat ze transformerend werkt op de lezer.

Pablo Neruda, in zijn toespraak bij het ontvangen van de Nobelprijs, formuleerde het als volgt “Poëzie is een daad, waarbij eenzaamheid en solidariteit, emotie en ratio, de nabijheid van zichzelf en van de gehele mensheid en de geheimen van de natuurkrachten als gelijke partners bij betrokken zijn. Plouvier tracht zich met deze bundel hierin in te schrijven.

Richard Foqué

Advertenties

Ivo Vandekerckhove over ‘Happening’

26 mei 2017 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 21 mei 2017, Loksbergen

Beste Johan, beste aanwezigen,

Ik sta hier een beetje onwennig. Toen Johan mij een tijdje geleden vroeg of ik zijn boek wilde inleiden, heb ik eigenlijk meteen ja gezegd zonder me af te vragen waarom hij dat nu precies aan mij vroeg.

Ik heb het hem overigens nog altijd niet gevraagd. Ogenschijnlijk heb ik met het onderwerp niet veel te maken. We hebben onze leeftijd gemeen, dat klopt. Allebei geboren in 1954.

Allebei zijn we in ongeveer dezelfde periode in Bokrijk naar school geweest. Een zeer progressieve school die ongetwijfeld sporen heeft achtergelaten in de persoonlijkheidsvorming van menig jongeman. Ook in die van Johan en in die van mezelf.

Ik heb gisteravond de tv-uitzending op Nederland 1  gezien waarin Johan vertelt over zijn boek. Het viel op dat de voorpagina van de krant waarvoor ik vandaag nog altijd werk in zijn uitgave van 25 mei 1977 – drie dagen na de feiten – een fysiek bewijs vormde voor het onmetelijk drama dat Johan als manneke van 13 jaar heeft moeten meemaken.

Van de ene dag op de andere werd hij samen met zijn broer en zus weeskind. Al 50 jaar draagt hij dat onverwerkt trauma met zich mee. Hoe lang hebben die verscheurende en onbeantwoorde vragen door zijn hoofd gegalmd? : wat is er in Godsnaam met mijn vader en mijn moeder gebeurd? Hoe is het gebeurd en vooral waarom zijn zij gestorven?

Vooraan in het boek getuigt hij hoe de Leica, het fototoestel dat hij voor zijn twaalfde verjaardag kreeg, hem op weg zette naar de wereld van de fotografie, een wereld waarin hij zich kon uitleven en die hem tegelijk de ruimte bood om te ontwikkelen, om op te groeien, of om zich terug te trekken telkens dat onderweg nodig was. “Lijfsbehoud,” zegt Johan daarover. De wereld van de fotografie leerde hem ook hoe hij moest observeren. Hij heeft zich hierin meesterlijk ontwikkeld.

Johan heeft gezocht naar antwoorden. Bij toeval heeft een stuk van de puzzel zijn weg gekruist. Onthutsend toeval. Een vreselijke confrontatie moet dat geweest zijn, Tegelijk een aansporing om op zoek te gaan naar de volledige waarheid.

Zonder op te geven, is hij blijven zoeken. Stukje voor stukje werden de feiten, “zijn bewijzen” bij elkaar geraapt. De herhaalde confrontatie met de groep achter de aanslag, met hen die ook vandaag nog overtuigd zijn dat de brand in de Innovation een goed doel diende, namelijk het verzet tegen het boosaardige Amerika dat in Vietnam een smerige oorlog uitvocht, die confrontatie met de zichzelf vergoelijkende moordenaars van zijn vader en moeder is verschrikkelijk.

Toch slaagt Johan erin om ook in hun huid te kruipen, en zich een stuk in te leven.

Na de jarenlange intense zoektocht naar de waarheid, naar de context en naar de exacte feiten is de drang om te schrijven, te publiceren groter dan de angst om te spreken. Uiteindelijk moest hij zich aan het schrijven zetten. Hij gebruikt de sleutelroman met gefingeerde namen als middel om zijn boodschap te brengen. Een boodschap die exact 50 jaar na de feiten eindelijk de waarheid aan het licht moet brengen. De namen van personen mogen dan fictief zijn, de aanwijzingen naar de werkelijkheid zullen voor de meeste lezers wel duidelijk zijn.

“Ik heb de bewijzen,” zegt Johan.  “Ik heb de bekentenissen op band.” Toch besluit hij de namen niet te noemen in het boek.

De voorbije dagen konden we in sommige commentaren op zijn boek al lezen dat precies die smoking gun ontbreekt, dat hij onomstotelijk bewijs in zijn schuif heeft laten liggen.

Misschien wil Johan hier seffens zelf op in gaan. Ik kan alvast veel begrip opbrengen voor de wijze waarop Johan het heeft aangepakt, voor de sluier die hij over identiteiten heeft gelegd.

In een van de interviews deze week zegt hij dat het aan onderzoeksjournalisten is om feiten en identiteiten te onthullen. Hij heeft zijn werk gedaan.

Striemend is zijn getuigenis over de Belgische justitie. Bij elk bezoek aan het justitiepaleis in Brussel blijkt het strafdossier over de brand in omvang af te nemen. “Justitie blijft een schandvlek voor onze democratie,” schrijft Johan in zijn inleiding.

In elk geval mogen we de kern van de boodschap van dit boek niet uit het oog verliezen. Namelijk dat jonge idealisten in een ideologie kunnen opgezweept worden naar absolute waanzin. Dat zij kunnen worden aangezet om barbaarse dingen te doen. In dat opzicht zijn de parallellen met de aanslagen van vandaag in Parijs, Brussel of elders treffend. Ook vandaag 50 jaar later worden aanslagen gepleegd in naam van het grote gelijk, in naam van de oorlog tegen onrecht, in naam van de strijd voor een betere wereld. Bij die aanslagen komen telkens vele onschuldige mensen om het leven.

Valse voorwendsels zijn van alle tijden. Licht beïnvloedbare jongeren op sleeptouw nemen is een herkenbaar gebruik van raddraaiers.

De slachtoffers zijn even onschuldig als de vader en de moeder van Johan.

Johan, jouw boek is onthullend, verklarend, zeer leerrijk en meeslepend. Resultaat van niet opgeven, van heel veel en hard werk.

Van mijnentwege, een welgemeende en ferme dankjewel en een dikke proficiat.

Ivo Vandekerckhove

Loksbergen, 21 mei 2017

Jules-time, quality time.

13 maart 2017 § Een reactie plaatsen

Na een lange aanloop is het eindelijk Jules-time: op donderdag worden we ruim op tijd in ons hotel opgehaald en naar het buitengoed Weltevreden Waenhuis gebracht, zo’n tien kilometer buiten Stellenbosch, waar de opvoeringen plaats zullen vinden. Van het Waenhuis wordt een mens vanzelf weltevreden: het is een paradijselijke gelegen complex met een restaurant, feestzalen, speeltuintjes en bijgebouwen die verstrooid liggen op glooiende grasvelden. De zon schijnt, een briesje blaast ons koelte toe, twee pauwen stappen hooghartig over de paden. Eén van de bijgebouwen is als een stemmig theatertje ingericht. Bijgestaan door een technicus die het vuur behulpzaam uit zijn sloffen loopt, verrijst op het podium het vertrouwde Jules-decor: de stoel, een stoffig tapijtje en een kleine poef, die we van de rekwisietenzolder hebben gehaald. Het gordijn met de stang waaraan het opgehangen is, is in ‘pièces détachées’ meegekomen. Als de technicus met de belichting experimenteert tot we sneeuw zien, is alles zoals het hoort te zijn. We zijn er klaar voor en we zijn er ook en beetje stil van. Kurt trekt zich terug in de backstage – de tuin- om zich te concentreren. Vol verwachting klopt ons hart. 

Het publiek komt, naar Zuid-Afrikaanse gewoonte zeer last minute, vaak opgehouden door de files die ook hier welig tieren. Als ze aangekomen zijn, gaan ze eerst nog op het gemakje een koffietje halen in het café. Als stiptheidsmaniak – ik moet na lezingen vaak de laatste trein halen en hou ervan op tijd te beginnen – moet ik me even aan het treuzelgedrag aanpassen. Maar dan gaan de deuren dicht, hou ik mijn welkomsttoespraak en komt Jules tot leven. Het ontroert me dat hier, aan het andere eind van de wereld, dezelfde intimiteit van de monoloog uitgaat als bij ons. Dat niemand hoest, schuifelt of wiebelt, alsof of men collectief de adem inhoudt. De helft van het publiek is Zuid-Afrikaans, maar de diepe stilte maakt duidelijk dat wie de tekst niet helemaal met zijn/haar hoofd begrijpt, met het hart luistert. Bij de volgende voorstelling, een dag later en nu in de namiddag, zijn al wat Afrikaanse woorden in de tekst geslopen. Er wordt baie  bedankt en de keuken van Alice in een kombuis veranderd.         

Tussen twee Jules in, op vrijdagmorgen, heb ik een lezing voor een leesclub. Mijn vertaalster Christine Bakhuyzen-Le Roux, die als schrijfster een druk programma heeft op het Woordfees,  zal me interviewen voor een twintigtal vrouwen die Die Buitenkant van Meneer Jules gelezen hebben. In een prachtig landhuis in de heuvels worden we hartelijk verwelkomd door gastvrouw Petrusa, die ons een glas wijn (om half tien ’s morgens) en een gebakje aanbiedt. Een heerlijke ochtend wordt het, geen haar verschillend van een lezing voor een leesclub in Deurne-Noord of Sint-Amandsberg. Vind je dat je geheimen voor elkaar mag hebben in een relatie, zoals Jules voor Alice? is één van de vragen. We hebben het er uitgebreid over, er worden wijze woorden gesproken door wijze oudere vrouwen. Bij de hapjes achteraf worden geheimen onthuld en zitten we op den duur te fluisteren als een geheim genootschap. Christine en ik moeten ons haasten voor de volgende opvoering van Jules, we hebben de tijd compleet vergeten.

En nu – zaterdag – is het inpakken en bijna wegwezen. Morgen is de laatste opvoering van Jules, voor een zondags publiek. Daarna zullen we onze zomerkleren omruilen voor een winterse outfit en rijden we naar Capetown Airport voor de terugvlucht van 10.000 kilometer, een beetje weemoedig. Ik vertrek met Zuid-Afrika onder mijn huid, en met Jules in mijn hart.    

 

 

 

 

 

Wonderlijke avonturen

9 maart 2017 § 1 reactie

De dagen vliegen als een schaduw voorbij. Vanavond om 18 uur is de eerste opvoering van de monoloog De Buitenkant van Meneer Jules, en de zenuwen slaan lichtjes toe. Kurt Defrancq wil het echter geen zenuwen noemen. Het is eerder wat spanning en een beetje onzekerheid over hoe het Zuid-Afrikaans publiek zal reageren op de intieme inkijk in het leven van Jules en Alice. Of ze de tekst tot in de finesses zullen vatten ook. Afrikaans en Nederlands mogen dan wel op elkaar lijken, er zijn ook wezenlijke verschillen.

Geraldine Reymenants, vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering, die ons voor een lunch uitnodigde, vertelde ons dat het Zuid-Afrikaanse publiek vaak al tijdens het applaus de zaal verlaat. Dat willen we voorkomen omdat we graag met de mensen in dialoog willen gaan na de voorstelling. Er moet dus een inleider komen die een en ander duidt en die mens uitnodigt nog even na te blijven. Het liefst in het Afrikaans. Het is één van de duizend praktische dingen die geregeld moeten worden. Er wordt dagelijks in alle richtingen gemaild, gebeld, ge-sms’t en ge-appt. De frivole roze fauteuil van Meneer Jules hebben we overigens vervangen door een klassiek, bruinlederen exemplaar van de rekwisietenzolder. Dat past een dode oude man beter. De locatie voor de opvoering, het Weltevreden Waenhuis is een tiental kilometer buiten Stellenbosch gelegen, tussen de glooiende wijngaarden.

Na de lunch met Géraldine Reymenants gisteren, spoedde ik me naar het museumcafé Die Plataan waar mijn vertaalster Christine Bakhuyzen-Le Roux op me wachtte. We bereidden er onze lezing van vrijdag voor, voor een leesclub. Daarna beluisterden in een tent verderop een lezing/interview met collega Peter Verhelst. Het Woordfees is een twaalf dagen durende explosie van literatuur, theater, muziek, performances allerlei, een kruising tussen het helaas ter ziele Antwerpse Zuiderzinnen en de Gentse Feesten. Wie zich mee laat drijven met de stroom, beleeft de wonderlijkste avonturen. Zo nam Rik Ghesquière, een dirigent/trompettist uit Lier, ons gisteravond op sleeptouw naar een wonderschoon pianoconcert van Rachmaninov in het Conservatorium van Stellenbosch. Op weg erheen liepen we door de halfduistere Botanische Tuin, die tijdens het Woordfees uitzonderlijk ’s avonds is opengesteld. Er is een unieke collectie bonsaiboompjes te zien, maar het meest magische waren de waterlelies met bladeren als wagenwielen zo groot en bloemen die zich langzaam openden in de tropische avond.

Als we het halen vanavond na onze eigen Jules, willen we een optreden van deze Rik bijwonen, die een koor dirigeert dat is samengesteld uit kinderen van drie verschillende townships. Zou kunst de wereld dan toch een beetje kunnen redden?

 

Naar Stellenbosch!

7 maart 2017 § Een reactie plaatsen

Na twee dagen in het bruisende Kaapstad waar we volop de toerist hebben uitgehangen, van Tafelberg naar Kaap de Goede Hoop, is het tijd om stilaan op werkmodus over te schakelen. Vandaag, op mijn 71e verjaardag, vertrekken we naar Stellenbosch, nadat Kurt Defrancq, zijn vrouw Nele en de mooie ontbijtdame Thamara me hebben toegezongen.

Eureka Barnard haalt ons op in het Kaapse hotel. Ze is de goedlachse, doortastende coördinator van Sasnev, het Zuid-Afrikaanse Centrum voor Nederland en Vlaanderen, waar zij de Vlaamse deelnemers aan het Woordfees begeleidt. We hebben tientallen mails met elkaar gewisseld en kennen elkaar al een beetje. Nu zien we haar dus voor het eerst ‘in het echt’. Praten lijkt in het Afrikaans op zingen, er zit een beetje Antwerps en een tikkeltje Gents in. Geen taalprobleem dus. Haar bijzondere voornaam heeft Eureka aan haar moeder te danken. Die wilde voor haar eerste kind een naam die haar blijvend zou herinneren aan de grote ontdekking die het moederschap voor haar was. Eureka! En Barnard… jawel, ze is familie van. ‘Ongelukkiglijk wel,’ zegt ze mysterieus. Onderweg, net buiten Kaapstad, wijst ze ons het Groote Schuur-ziekenhuis aan waar Christian Barnard, een neef van haar vader, in 1967 de eerste harttransplantatie ooit uitvoerde. 

Vlakbij dat ziekenhuis zien we verkeersborden met ‘Buitenkant’ er op. Als dat geen goed voorteken is! We stoppen en ik maak snel een foto, waarbij als toemaatje het verkeerslicht net op groen springt als ik afdruk! Buiten de stad strekken zich langs de weg de zogenaamde khayelitsha uit, langgerekte townships of dorpen waar de arme zwarte bevolking in belabberde omstandigheden overleeft en waar gevaarlijke gangs wonen. Aan de overkant, op een troosteloze kale zandweg, is de gedoogzone voor prostituees. Op een man met een plastic vuilniszak na, is er geen levend wezen te zien. Het is dan ook pas elf uur in de ochtend en de zon schijnt ongenadig.

Na Kaapstad is Stellenbosch een vriendelijke kleine stad met winkeltjes, terrassen, restaurantjes en een slenterend, genietend publiek. We installeren ons in het oudste hotel van de stad waar we acht dagen zullen blijven. ’s Avonds begeven we ons naar een receptie/borrel voor de Belgische en Nederlandse Woordfees-deelnemers en aanverwanten. Ter plekke besluiten we een van de roze fauteuils waarin Eureka Barnard (l) , ik (r) en Kurt Defrancq hier poseren, de stoel van Meneer Jules zal worden. In een land waar de zon altijd schijnt en de mensen ongewoon vriendelijk zijn, mag het wat meer zijn. En wat kleuriger. Een paar van mijn illustere collega-schrijvers, waaronder Tom Lanoye, zijn ook aanwezig op de party. Het wordt me plots helemaal duidelijk waarom mensen mij altijd ‘een toegankelijke schrijfster’ noemen!   

Diane, Kurt & Meneer Jules in Zuid-Afrika

2 maart 2017 § Een reactie plaatsen

‘De vakantie begint NU,’ zei mijn vader op het moment dat we in de auto stapten op weg naar verre, vreemde oorden -Heist-aan-Zee, Trier, Luxemburg- en net voor we begonnen te zeuren of we er al bijna waren. Ik deed hetzelfde met mijn kinderen.

Op 1 maart, Aswoensdag, begint voor Kurt Defrancq en mezelf het grote avontuur op Schiphol. We hebben twaalf vlieguren voor de boeg voor we in Kaapstad zullen landen. Een goede mix van trots, dankbaarheid, ongeloof en de zenuwen raast door onze respectievelijke lijven, want we zijn nu toch echt wel een beetje ‘on world-tour’ met De Buitenkant van meneer Jules. Kurt heeft met zo’n 500 voorstellingen van de monoloog op zowat alle Vlaamse podia gestaan, in theaters, bibliotheken, cultuurcentra, crematoria en uitvaartcentra zelfs. Hij speelde een paar keer op Amsterdamse podia, vele malen in het Nederlandse Theater-in-de-Kamer-project, in Parijs en Bratislava. Maar uitgenodigd worden om deel te nemen aan het wereldberoemde Woordfees-festival in Stellenbosch, dat is andere koek. Daar heeft de Afrikaanse en meest recente van de 15 Jules-vertalingen mee te maken, maar ook de gedrevenheid van acteur Kurt Defrancq die hier al jaren van droomt en er op de hem bekende wijze de tanden in heeft gezet.

Pikant detail: in de monoloog zit de geest van Meneer Jules met de rug naar het publiek in een doorleefde fauteuil, al ruim vijfhonderd keren dus. Maar omdat die stoel, zelfs gedemonteerd, niet mee kan in het vliegtuig, zal onze eerste besogne zijn om in de Kaapse Meubelboulevard of Kringloopwinkel op zoek te gaan naar een zetel die Meneer Jules waardig is. De rest van het decor nemen we mee, alsook de geweldige licht- en geluidstechnicus Nele, Kurts vrouw.

Via deze blog zal ik u regelmatig op de hoogte houden van onze avonturen op en naast het podium.

Maar nu eerst: boarding-time! En als extra kers op de taart: na een alcohol-loze Tournée Minérale-maand landen tussen de wijngaarden van de voortreffelijke Chardonnaywijnen… dat kan geen toeval zijn.

D.B.

diane-en-kurt

Johanna Spaey over ‘Residentie van Artevelde’

24 februari 2017 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 23 Februari 2017, De Groene Waterman Antwerpen

“Het verleden is niet achter ons, zoals men denkt, maar voor ons.
De schaduw van wat was werpt zich voor ons:
wat dood is bestaat nog en gaat voor ons uit.”

Met dit citaat van Henry Battaille (1872-1922) geeft Patrick Conrad nog voor hij zijn verhaal begint, al aan dat we de dood nooit mogen onderschatten, dat het verleden zich nooit laat afsluiten en dat oude overtuigingen soms nieuwe geheimen worden, maar altijd sporen zullen achterlaten. Tragische sporen.

Als ik dit zeg, denkt u waarschijnlijk: maar gaat niet elke roman over dat wat we onzegbaar vinden en toch nooit het zwijgen kunnen opleggen? De meeste wel. Zeker in misdaadromans draait alles rond de ontluistering en ontrafeling van oud zeer, lelijke gevoelens, schaamte en schuld. In ‘Residentie van Artevelde‘ is het niet anders. En toch ook weer niet.

“Terwijl ik, voor ik naakt onder de ventilator op mijn bed ging liggen, in de keuken een paar eieren met twee reepjes spek in een pannetje bakte, keek ik automatisch doorheen de latten van de voor het open raam neergelaten jalousie naar de lichtgele bakstenen gevel van Residentie van Artevelde, het stijlloze flatgebouw aan de overkant. Zoals gewoonlijk op dit uur brandde er al licht achter de gesloten gordijnen op het gelijkvloers links. In de vijf andere appartementen viel er nog geen teken van leven te bespeuren. En op de penthouse, waar een gepensioneerde politiecommissaris woonde die haast nooit buitenkwam, had ik geen zicht.”

Toch houdt galeriehouder Bernard de overkant dwangmatig in de gaten.

“(…) Ik twijfelde er niet aan dat de aarde niet de enige planeet in het universum was waarop zich een vorm van leven had ontwikkeld.  Al kon ook dit me bij nader inzien geen moer schelen.  Ik was meer geboeid door wat zich vlakbij, in de intrigerende appartementen van Residentie van Artevelde afspeelde dan door wat er miljoenen lichtjaren hier vandaan in de duisternis van onbekende zonnestelsels gebeurde.”

Terwijl je wordt meegezogen in een verhaal waarin je je afvraagt wat er zich nu allemaal afspeelt aan de overkant van de straat in ‘Residentie van Artevelde’ en wat de bewoners op hun kerfstok hebben, worden je voyeuristische neigingen al snel een halt toegeroepen. Geen pure Hitchcock, maar wel iets wat net zo goed is. Want de eerste dode die valt, is dan ook niet de man of vrouw die je verwacht.

Wat daarop volgt, lijkt misschien alweer op iets wat je al kent uit andere misdaadromans: er wordt namelijk een onderzoek ingesteld naar de moord en de dader. Maar ook daarin blijken de aanwijzingen en motieven misleidend. Al snel ontdek je dat je deze misdaadroman niet eens meer leest omdat je ‘Aha, ik wist het wel’ – of wat u ook meestal roept op het einde van een thriller – wilt roepen. Nee, je leest ‘Residentie van Artevelde’ omdat je wordt betoverd door de verbluffende taal van Patrick Conrad, omdat je in de ban bent van de veelzijdige en dwingende erotiek die mensen met elkaar verbindt en, dat geef ik graag toe, omdat je je ook graag verheugt in al dat zwak-menselijke. Het al te menselijke.

Af en toe word je ontroerd, af en toe ben je verbijsterd, en zeer zeker wil je af en toe ook luidop lachen.

Wat Patrick binnen de Vlaamse misdaadliteratuur zo zeldzaam maakt, is dat hij niet alleen een schrijver is die het genre van de ‘noir’ perfect onder de knie heeft, maar dat hij ook een fenomenaal goede schrijver is. Morbide, jawel. Verrassend, zeker. Onconventioneel absoluut. En poëtisch. Altijd opnieuw.

Als dichter, schrijver, essayist, scenarist, filmmaker en kunstenaar is Patrick Conrad van alle markten thuis. Maar dat klinkt, vind ik zelf, een beetje plat als je naar zijn extravagante oeuvre kijkt. Avant-garde is hij altijd geweest. Zelf leerde ik hem voor het eerst kennen als maker van ‘Mascara’, een film waarin hij, lang voor ‘Thuis’ de knuffeltransseksueel uitvond, een jongen met borsten of was het nu een meisje met een penis de hoofdrol liet spelen. Dat zag je in de jaren tachtig maar zelden in de cinema. En nu niets nog avant-garde is, keert Patrick schijnbaar terug in de tijd en geeft hij het klassieke genre van de ‘noir detective’ een aparte, nieuwe glans.

Dat Patrick in 2015 de Hercule Poirotprijs won met Moço had zeker te maken met de eigenzinnige manier waarop hij misdaadromans schrijft. ‘Residentie van Artevelde’ is opnieuw zo’n On-Vlaamse thriller, omdat de schrijver geen zin heeft in een strikte plot, zichzelf een meta-blik op zijn eigen verhaal gunt, en rammelt met de grenzen van gender en fatsoen.

De allerlaatste zinnen van ‘Residentie van Artevelde’ wil ik u toch al verklappen:

“In de liefde is het zoals in de kunst. Niets is wat het lijkt en je ziet alleen wat je wil zien.”

En zo is het maar net.

Johanna Spaey

 

Waar ben ik?

Je bekijkt nu de Uncategorized categorie van VrijdagBlog.