IN HET MUSEUM wint ‘beste debuut’ Zeeuwse Boekenprijs 2017

14 november 2017 § Een reactie plaatsen

Uit het juryrapport van de Zeeuwse Boekenprijs 2017:

In het museum van Joost van Driel. Antwerpen, Uitgeverij Vrijdag, 2017 Neerlandicus
Joost van Driel heeft reeds diverse wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. Met In het Museum debuteert hij als romanschrijver. Deze solide vertelling speelt in het recente verleden. David Schijndels, zes jaar oud, reist met zijn vader – een verkoper van luxe overhemden – maandelijks vanuit het Zeeuwse provinciestadje waar ze wonen naar Brussel. De reisjes moeten geheim blijven voor Davids labiele moeder. In Brussel wordt David gedropt in het natuurwetenschappelijk museum onder de hoede van Sarah, zijn ‘museumoppas’, die een belangrijke sturende rol heeft in Davids ontdekking van het leven. Terwijl zijn vader met een paarse Borsalino op zijn hoofd een dubbelleven leidt en in de stad de bloemetjes buiten zet, zwerft David door het museum en ontdekt de fascinerende wereld van de dinosauriërs. David beschrijft deze uitstapjes vanuit zijn fantasierijke kinderwereld.

Joost van Driel leidt de lezer in een fijnzinnig uitgesponnen verhaal, met mooie, beklijvende zinnen, naar een onverwacht en surrealistisch einde. De kinderlijke verbeeldingskracht en loyaliteit van David leiden je door de complexiteit van de menselijke relaties, waarbij alles mogelijk is en blijkt te zijn. In het museum is het verhaal van het verborgen leven in dode fossielen, van de liefde tussen vader en zoon en tenslotte over de onvermijdelijke ondergang van een huwelijk en het verraad van volwassenen.

De gedachte dringt zich na lezen automatisch op: dit is een schrijver van wie we meer willen horen. Reden voor de jury om In het museum de Accolade Beste Debuut toe te kennen.

Advertenties

Richard Foqué over ‘De dagen zijn beschadigd’

25 september 2017 § Een reactie plaatsen

Kunstencentrum WARP, St. Niklaas, 22.09.2017

Beste poëzievrienden,

Toen ik geheel onverwachts de vraag kreeg van uitgeverij Vrijdag om de nieuwe dichtbundel van Bart Plouvier te willen inleiden, was ik niet alleen aangenaam verrast maar heb ik die uitnodiging ook meteen graag aanvaard.

Ruim een jaar geleden had ik een bespreking gemaakt voor De Auteur, het ledenblad van de Vereniging van Vlaamse letterkundigen, van Bart’s vorige bundel “Zekerheden” en was toen reeds erg enthousiast over zijn poëzie.

Bart Plouvier neemt een aparte plaats in in de Nederlandstalige letterkunde. Hij heeft niet alleen heel wat watertjes doorvaren, zowel letterlijk als figuurlijk, maar ontwikkelde tezelfdertijd zijn schrijverschap. Het resulteerde in een omvangrijk oeuvre dat gaandeweg hem ook een gewaardeerde positie verschafte in het letterenlandschap.

Hij debuteerde als romanschrijver in 1987 met De maquette maar publiceerde in 1998 pas zijn eerste dichtbundel Zaailingen. Tussendoor schreef hij romans, verhalen, theaterstukken en kinderboeken. Hij werd daarenboven voor zijn schrijverschap meermaals bekroond.

De bundel, waarvan ik de eer heb hem vandaag aan jullie voor te stellen, moet als ik me niet vergis zijn negende zijn.

Voor mij is deze bundel een natuurlijk vervolg op zijn vorige “Zekerheden” en heeft meer nog dan de vorige als onderliggend thema “de twijfel”: Twijfels over de zekerheden.

De dichter realiseert zich dat hij zich in zijn laatste levensfase bevindt. De voortschrijdende tijd, die niemand spaart, is in deze bundel alom tegenwoordig. Voor de dichter is het de enige zekerheid dat ook die afloopt. Vanuit dat standpunt stelt hij vragen over het verleden, naar de zin van dat wat voorbij is en hoe dat nog betekenis kan hebben voor wat nog komen zal.

wij zagen slechts wat was geweest

en hoopten op wat komen zou

daartussen lag muisstil het nu

gespleten weer in zij en ik

Plouvier zoekt zijn inspiratie vlakbij en in zijn eigen wereld: reisimpressies, kleinkinderen, de geliefde, huwelijk, dood van een vader en een moeder, jeugdherinneringen, kortom het lief en het leed. Hij observeert en reflecteert, blikt terug op een tijd, waarvan de dichter beseft dat die voorbij is maar die blijft nawoelen in het heden. Zekerheden worden onderuit gehaald en telkens weer wordt de lezer op het verkeerde been geplaatst. Ook hij/zij wordt al lezende onderuit gehaald.

De dood, dat enige vaststaande feit, is alom tegenwoordig. De winter, waar de natuur tot stilstand komt is voor de dichter de metafoor en wordt in deze bundel als het ware een dramatis persona. Voor Plouvier is dood verlies maar ook weer niet. Er is de liefde als reddingsboei, maar ook die ontglipt de zwemmer, die wil blijven drijven: want de dagen zijn beschadigd. Het resulteert in de prachtige openingsverzen van het eerste gedicht “De nacht komt”.

De dagen zijn beschadigd

stotterlopen langs zichzelf

………..

onvermijdelijk komt de nacht

zwarter nog dan zuiver angst

een raaf die mij mijn hart benijdt

een lynx met stalen klauwen

 

ik sla mijn benen om mijn liefste

hou mij aan haar haren vast

druk mijn buik tegen haar heup

tot zij zegt laat nu maar los

zonder haar zou ik nooit slapen.

Het is een prelude tot de bundel en construeert meteen het kader waarin alle volgende gedichten zich plaatsen. Het houdt ook de waarschuwing in zich dat niets is wat het lijkt te willen zijn en wat de titels van de gedichten voorspellen.

Want ook in zijn titels zaait Plouvier twijfels. Wanneer je afgaat op de inhoudstafel en dus enkel geconfronteerd wordt met de titels van de gedichten is de eerste reactie er één van “moet dit echt”. Ze lezen bijna als een catalogus van huis- tuin- en keukenadvies. Maar je leest dan de gedichten en ontdekt de geraffineerde bedrieglijkheid ervan.

Hier is een dichter aan het woord, die er in slaagt om simpele alledaagse taferelen en waarnemingen te plaatsen in een universele context, te transcenderen tot een metafysische overdenking. Bijvoorbeeld het gedicht Ontbijt in Madrid:

Wij lopen weg uit de volgestouwde nacht

voorbij nu en zat van stoute verwachtingen

langs een cafeteria de gevel ingekleurd

met sinaasappel broodbruin en Manchego

 

een vroege drinker slurpt café con anís

en wij de handen rond een cappuccino

de dwergen van Velásquez onder tafel

ruiken donkere verf en verse croissants

Maar nooit wordt de dichter bombastisch of hermetisch. Plouvier is een vakman, die de taal virtuoos beheerst en naar zijn pen kan zetten om precies dat uit te drukken wat hij zeggen wil. Geen woord teveel maar elk vers is afgemeten, juist genoeg en toch ontzettend beeldend. Hij hanteert daarbij een breed stilistisch palet. Zo gebruikt hij zeer doelmatig neologismen en plaatst alledaagse woorden in nieuwe contexten. De dichotomie ook als middel tot het zoeken naar evenwicht.

Hij bedient zich graag van de paradox als stijlfiguur, waardoor hij het evidente bevreemdend maakt en het vreemde weer toegankelijk.

Hij doet dit zonder dat het storend of artificieel overkomt, integendeel ze ondersteunen de poëtische zegging, verrijken zijn beeldtaal en stimuleren de verbeelding van de lezer. Ritme en klank zijn daarbij de dragende elementen.

In deze nieuwe bundel is Plouvier ook directer. Minder omfloerst klinkt hij bijwijlen ook harder. Een zekere fataliteit wordt gelaten gedragen maar tezelfdertijd opstandig bestreden. Maar alom is daar steeds het besef dat ouderdom wijsheid brengt en begrip voor wat ooit onbegrepen was.

De dichter beseft dat je het verleden niet ongedaan kan maken, dat dat wat verloren is nooit zal terug gevonden worden, maar dat het ook loutert en dat de geliefde en de liefde het enige houvast biedt. Helaas loopt ook die af in de onafwendbare dood.

Ik citeer enige verzen geplukt uit diverse gedichten:

De Liefde zoekt wie

zij vroeger reeds verliet

of

ze sliep al

hoe de liefde

het leven even met

de dood verbond.

of

Hoe moet dat later dan

zo zonder ons

alle woorden

opgebruikt

alles behalve

de herinneringen

 

gedaan met draaien

en keren

zo moet dat dan

als alles

in liefdes weerwil

blijkt af te lopen.

De bundel wordt afgesloten met een soort “testament” dat start met het gedicht “Aan het einde van de reis” en zijn bekroning vindt in “Aantekeningen van een parkwachter”. De parkwachter, de dichter zelf, is een buitenstaander geworden, die observeert en vast stelt dat de winter komt, maar die ook weet dat na de winter er nieuw leven zal open bloeien. Bijvoorbeeld uit deel 3, De vissen:

zij dromen van

de laatste overstroming

de Grote Vloed

en hun verlossing.

Het laatste gedicht “Wie zonder invloed is werpe de eerste steen” is dan de epiloog. De dichter blikt hier terug op zijn eigen werk:

Er wonen duizend dichters in mijn hoofd

soms is het moeilijk aan hen te ontkomen

ze plakken hun beelden tot in mijn dromen

……

ik heb mijn lezers eigenzinnigheid beloofd

straks is er niemand die mij nog gelooft

maar weet geen dichtwerk is volkomen

Beste poëzievrienden,

Voor wie van toegankelijke poëzie houdt zonder franje maar van een uitzonderlijke dichterlijke zegging moet deze bundel zeker lezen. Plouvier zaait twijfel en zekerheid tezelfdertijd.

Zijn boodschap is duidelijk: ieder van ons moet leren leven in zijn beschadigde dagen.

Deze nieuwe bundel van Bart Plouvier is een eerlijke bundel van een ware dichter. Een verademing in een tijd waarin al te vaak bij de jonge dichtersgilde poëzie verzandt in oeverloos prozaïsch getater, waaraan niemand een boodschap heeft.

Met deze bundel zet Bart Plouvier opnieuw de bakens uit voor wat poëzie echt dient te zijn: de kunst om op basis van het medium taal de werkelijkheid zo te herscheppen, de betekenissen ervan in vraag te stellen dat ze transformerend werkt op de lezer.

Pablo Neruda, in zijn toespraak bij het ontvangen van de Nobelprijs, formuleerde het als volgt “Poëzie is een daad, waarbij eenzaamheid en solidariteit, emotie en ratio, de nabijheid van zichzelf en van de gehele mensheid en de geheimen van de natuurkrachten als gelijke partners bij betrokken zijn. Plouvier tracht zich met deze bundel hierin in te schrijven.

Richard Foqué

Johanna Spaey over ‘Residentie van Artevelde’

24 februari 2017 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 23 Februari 2017, De Groene Waterman Antwerpen

“Het verleden is niet achter ons, zoals men denkt, maar voor ons.
De schaduw van wat was werpt zich voor ons:
wat dood is bestaat nog en gaat voor ons uit.”

Met dit citaat van Henry Battaille (1872-1922) geeft Patrick Conrad nog voor hij zijn verhaal begint, al aan dat we de dood nooit mogen onderschatten, dat het verleden zich nooit laat afsluiten en dat oude overtuigingen soms nieuwe geheimen worden, maar altijd sporen zullen achterlaten. Tragische sporen.

Als ik dit zeg, denkt u waarschijnlijk: maar gaat niet elke roman over dat wat we onzegbaar vinden en toch nooit het zwijgen kunnen opleggen? De meeste wel. Zeker in misdaadromans draait alles rond de ontluistering en ontrafeling van oud zeer, lelijke gevoelens, schaamte en schuld. In ‘Residentie van Artevelde‘ is het niet anders. En toch ook weer niet.

“Terwijl ik, voor ik naakt onder de ventilator op mijn bed ging liggen, in de keuken een paar eieren met twee reepjes spek in een pannetje bakte, keek ik automatisch doorheen de latten van de voor het open raam neergelaten jalousie naar de lichtgele bakstenen gevel van Residentie van Artevelde, het stijlloze flatgebouw aan de overkant. Zoals gewoonlijk op dit uur brandde er al licht achter de gesloten gordijnen op het gelijkvloers links. In de vijf andere appartementen viel er nog geen teken van leven te bespeuren. En op de penthouse, waar een gepensioneerde politiecommissaris woonde die haast nooit buitenkwam, had ik geen zicht.”

Toch houdt galeriehouder Bernard de overkant dwangmatig in de gaten.

“(…) Ik twijfelde er niet aan dat de aarde niet de enige planeet in het universum was waarop zich een vorm van leven had ontwikkeld.  Al kon ook dit me bij nader inzien geen moer schelen.  Ik was meer geboeid door wat zich vlakbij, in de intrigerende appartementen van Residentie van Artevelde afspeelde dan door wat er miljoenen lichtjaren hier vandaan in de duisternis van onbekende zonnestelsels gebeurde.”

Terwijl je wordt meegezogen in een verhaal waarin je je afvraagt wat er zich nu allemaal afspeelt aan de overkant van de straat in ‘Residentie van Artevelde’ en wat de bewoners op hun kerfstok hebben, worden je voyeuristische neigingen al snel een halt toegeroepen. Geen pure Hitchcock, maar wel iets wat net zo goed is. Want de eerste dode die valt, is dan ook niet de man of vrouw die je verwacht.

Wat daarop volgt, lijkt misschien alweer op iets wat je al kent uit andere misdaadromans: er wordt namelijk een onderzoek ingesteld naar de moord en de dader. Maar ook daarin blijken de aanwijzingen en motieven misleidend. Al snel ontdek je dat je deze misdaadroman niet eens meer leest omdat je ‘Aha, ik wist het wel’ – of wat u ook meestal roept op het einde van een thriller – wilt roepen. Nee, je leest ‘Residentie van Artevelde’ omdat je wordt betoverd door de verbluffende taal van Patrick Conrad, omdat je in de ban bent van de veelzijdige en dwingende erotiek die mensen met elkaar verbindt en, dat geef ik graag toe, omdat je je ook graag verheugt in al dat zwak-menselijke. Het al te menselijke.

Af en toe word je ontroerd, af en toe ben je verbijsterd, en zeer zeker wil je af en toe ook luidop lachen.

Wat Patrick binnen de Vlaamse misdaadliteratuur zo zeldzaam maakt, is dat hij niet alleen een schrijver is die het genre van de ‘noir’ perfect onder de knie heeft, maar dat hij ook een fenomenaal goede schrijver is. Morbide, jawel. Verrassend, zeker. Onconventioneel absoluut. En poëtisch. Altijd opnieuw.

Als dichter, schrijver, essayist, scenarist, filmmaker en kunstenaar is Patrick Conrad van alle markten thuis. Maar dat klinkt, vind ik zelf, een beetje plat als je naar zijn extravagante oeuvre kijkt. Avant-garde is hij altijd geweest. Zelf leerde ik hem voor het eerst kennen als maker van ‘Mascara’, een film waarin hij, lang voor ‘Thuis’ de knuffeltransseksueel uitvond, een jongen met borsten of was het nu een meisje met een penis de hoofdrol liet spelen. Dat zag je in de jaren tachtig maar zelden in de cinema. En nu niets nog avant-garde is, keert Patrick schijnbaar terug in de tijd en geeft hij het klassieke genre van de ‘noir detective’ een aparte, nieuwe glans.

Dat Patrick in 2015 de Hercule Poirotprijs won met Moço had zeker te maken met de eigenzinnige manier waarop hij misdaadromans schrijft. ‘Residentie van Artevelde’ is opnieuw zo’n On-Vlaamse thriller, omdat de schrijver geen zin heeft in een strikte plot, zichzelf een meta-blik op zijn eigen verhaal gunt, en rammelt met de grenzen van gender en fatsoen.

De allerlaatste zinnen van ‘Residentie van Artevelde’ wil ik u toch al verklappen:

“In de liefde is het zoals in de kunst. Niets is wat het lijkt en je ziet alleen wat je wil zien.”

En zo is het maar net.

Johanna Spaey

 

Yves T’Sjoen over ‘Radeloos en betoverd’

20 oktober 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 27 september 2016, De Zondvloed

Beste genodigden, beste Pat,

De presentatie van een nieuwe dichtbundel mag door de uitgeverij dan wel worden aangekondigd als een feestelijke aangelegenheid, toch brengt zo een gebeurtenis ook onzekerheid en pleinvrees met zich mee. Elk nieuw boek betekent voor een schrijverschap een nieuwe geboorte. Onwetend over het leven dat de dichtbundel wacht, staat de schepper er altijd wat verweesd en zelfs beduusd bij. Het geesteskind wordt immers aan zijn greep en toeziend oog onttrokken. Voortaan moet het op eigen benen staan en manmoedig de capriolen van het literaire bestaan ondergaan. De boekpresentatie mag dan wel een geboortefeest zijn, met een modieus woord een babyborrel, het is ook een moment om los te laten en afscheid te nemen. Hoe feestelijk ook, een zekere melancholie of zelfs fantoompijn gaat gepaard met dergelijke publieke evenementen. Ik weet niet of ik mij, de metafoor van de geboorte indachtig, vanavond de vroedman van dienst, laat staan de verlosser mag noemen. De vraag is of ik me de rol moet aanmeten van gediplomeerd gynaecoloog die de keizersnede voor uw ogen voltrekt.

Die functie meet ik me vanavond niet aan. Al was het maar omdat ik een minieme rol mocht spelen in de conceptie van het kind. In deze kraamkliniek of zelfs verloskamer van het literaire boek neem ik u mee in de wandelgangen die leiden naar de bedstee waar de bevruchting plaatsvond. In tempore non suspecto, toen van een bevalling nog geen sprake was, ontspon zich een gesprek tussen lezer en schrijver. Aarzelend, misschien wat schroomvallig, vroeg de dichter of ik bereid was een versie van de nieuwe bundel Radeloos en betoverd te lezen en mijn commentaar te leveren. Vereerd met de vraag mocht ik zonder de plichtpleging van de literaire recensie, buiten het publieke forum dus, in alle ongedwongenheid mijn mening verkondigen. Niet als letterkundige poortwachter maar als bevoorrecht intimus van de schrijver. Mijn eerste indrukken lieten even op zich wachten nadat Pat mij begin februari de teksten had toegestuurd. Tekenend voor de acute koudwatervrees die de schepper toen ten dele viel, was het bericht waarin hij met de hem typerende hoffelijkheid informeerde naar en mij herinnerde aan die in het vooruitzicht gestelde impressies. Op 25 februari, zeven maanden voor Radeloos en betoverd vanavond het licht ziet, schreef ik in een paar uur drie berichten, losse notities met leesindrukken. Ik wil u als toeschouwers in de kraamafdeling van de poëzie met genoegen en zeer uitzonderlijk deelgenoot maken van de gevoerde correspondentie. Uitzonderlijk gezien de aanvankelijke vertrouwelijkheid van onze gedachtengang en gevoelsuitstortingen. Dit is een presentatie bij wijze van persoonlijke getuigenis.

Uiteraard behoeft de heer Donnez geen introductie. Dat zou beledigend zijn voor u en hem. Dat de radiomens vooral ook een schrijver is, hoeft evenmin een betoog. Ik vermeld hier even de twee bundels die Pat mij vorig jaar gul overhandigde, het debuut Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat), uitgegeven in 2007, en het jaar daarop Hotemetoten. Gedichten voor kinderen en andere grote mensen. Sindsdien verscheen proza, onder meer de roman Lichterlaaie, en nu eindelijk na lang wachten en veel polijsten de nieuwe bundel. Pat schrijft parlandistische poëzie, zoals u heeft kunnen merken op de schrijverswebsite en de filmpjes met uitverkoren regels uit het nieuwe dichtwerk die zijn ingesproken door onder anderen Johan Braeckman, Dirk de Wachter, Chantal Patyn en Bart Stouten. We hebben hier met een mediamens, een etherboy, te maken die zijn waar op een esthetische en enthousiasmerende wijze aan de man en de vrouw weet te brengen. Maar goed, ik wil het niet hebben over de publieke figuur Pat Donnez maar ook de dichtbundel, bij de gratie waarvan de dichter Pat Donnez bestaat. Ik presenteer met uw goedvinden een eigen getuigenis.

(1)

“Ik zit te genieten, beste Pat, en dat is niet om jou op deze grijze donderdagnamiddag gratuit of zelfs uit een vervelend schuldbewustzijn na het lange talmen te vleien of te paaien. Zonet las ik in een ruk de eerste afdeling ‘ex amore’ van je bundel-in-wording Radeloos en betoverd. Je schrijft poëzie die mij naar de keel grijpt, veelal over een niet nader genoemde ‘hij’ en een ‘zij’. Het is mooi hoe je in jouw nieuwe werk erin slaagt structuur en diepgang te creëren. Bijvoorbeeld door in de eerste afdeling drie appartementpassages in te lassen, met die stille en in metaforen lispelende vrouw en de taterende ‘hij’. De passages fungeren als kaderverhaal. Ik ben geraakt door de reflecterende dichtfragmenten over verkeerd begrijpen, of het onvermogen tot de ander door te dringen, gedichten over kwetsbaarheid. En dat allemaal in een parlandistische stijl die de humor en de speelse ironie allesbehalve schuwt. Ik zet me nu schrap voor de middenafdeling van de bundel, ‘ik wil mij weg toveren in taal’. Metaforen zeggen meestal meer dan wat de gewone omgangstaal te bieden heeft.”

Enkele uren later noteerde ik deze zinnen die ik voorlegde aan de dichter.

(2)

“Beste Pat, hoe anders en ook weer gelijkend op een bepaalde manier is de tweede afdeling. Je schrijft uitgesponnen gedichten, zoals dat fraaie ‘Patois’, je bent dan weer bijzonder speels en ironisch in ‘Poly-amoureus’. De gedichten handelen over jeugdherinneringen en hoe zelfs een verkaveling die Latijnse riedel “rosa rosae rosam” van de schooltijd niet uit ons wezen van vandaag kan bulldozeren. Ik lees de gedichten het liefst hardop. Hardop lezen laat je de taal beter voelen, biedt je een toegang tot de poëzie in haar muzikaliteit, in haar textuur. Bij dat voor mezelf voorlezen vallen het ritme van de taal en de cadans van je woorden des te meer op. Ik hou nogal van de ritmisch samengestelde en tot de verbeelding sprekende clusterwoorden in het gedicht ‘Patois’: “vogelbekbessen” (x3), “konijnenwittebrood, nederwiet/melktingel en bijtenetel”. Ik kan je nu al zeggen dat de variant op Claus’ ‘Ik schrijf je neer’ (in ‘ex amore’) ondertussen blijft nazinderen na afloop van mijn eerste lectuur.”

Toen las ik, de bundel van begin tot eind tot mij nemend en rustig – hardop pratend – savourerend, de derde en afsluitende afdeling ‘ars vivendi’. Ik liet Pat op die donderdag 25 februari het volgende weten:

(3)

“Je bent speels met woorden, beelden en ritmes, zei ik zonet, maar ook in het gebruik van interteksten. Ik ben blijven haperen aan die ene intratekst die echoot in het gedicht ‘Schuimende koppen’. Haperen, niet zozeer omdat het de afdelingstitel opleverde en op een manier dus een regel is die echoot, maar omdat het zo juist is wat je neerschrijft – zonder omhaal van woorden – in het gedicht ‘Ik wil geen woorden’:

Ik wil geen woorden
worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt
Ik wil mij weg toveren in taal.

 
Schrijven om te verdwijnen. De regels laten me denken aan het titelgedicht in Gerrit Kouwenaars vroege bundel het gebruik van woorden met de visser die uit het gezicht en het gedicht verdwijnt op het einde. Dank voor de woorden, Pat.

Beste vriend Pat, dankzij jouw woorden (gewikt & gewogen, kort & lang), de geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend & grappig & op het eind van de afdeling onthutsend, met terneerdrukkende vertellingen en verzuchtingen (zoals over de nationale bank en het dorpsgeroddel), heb ik deze namiddag met ‘ars vivendi’ mezelf horen lezen. Jouw woorden die ik op je vriendelijk verzoek stem en betekenissen mocht  geven. Radeloos en betoverd is een knappe, doorgecomponeerde bundel met drie afdelingen die toch wel een heel eigen gezicht laten zien maar onmiskenbaar samenhoren.”

Geachte dames en heren, tot hier mijn leesindrukken in gekapt stro, volgens de compositie van de bundel ingekleed. Uiteindelijk zal u zelf oordelen over het nieuwe geesteskind. Nu de geboorte een feit is en de fiere vader Pat Donnez hier als dichter opnieuw debuteert, zullen de teksten een eigen bestaan leiden. Ik ben dankbaar dat ik in de loop van het wordingsproces mocht toekijken en op vraag van de schrijver een particulier oordeel vellen. Vandaag lees ik de teksten in een fraai uitgegeven boek wellicht weer anders. Maar dat is voer voor een recensie.

Beste Pat, ik stel er prijs op jou van harte te feliciteren met het nieuwe dichtwerk. Samen met jou kijk ik toe hoe Radeloos en betoverd nu zijn eigen weg zoekt en straks een leven buiten jou en mij tegemoet snelt. Vader en kind, laat het jullie voor de wind gaan.

Waar ben ik?

Je bekijkt nu de Uitgeverij categorie van VrijdagBlog.