Richard Foqué over ‘De dagen zijn beschadigd’

25 september 2017 § Een reactie plaatsen

Kunstencentrum WARP, St. Niklaas, 22.09.2017

Beste poëzievrienden,

Toen ik geheel onverwachts de vraag kreeg van uitgeverij Vrijdag om de nieuwe dichtbundel van Bart Plouvier te willen inleiden, was ik niet alleen aangenaam verrast maar heb ik die uitnodiging ook meteen graag aanvaard.

Ruim een jaar geleden had ik een bespreking gemaakt voor De Auteur, het ledenblad van de Vereniging van Vlaamse letterkundigen, van Bart’s vorige bundel “Zekerheden” en was toen reeds erg enthousiast over zijn poëzie.

Bart Plouvier neemt een aparte plaats in in de Nederlandstalige letterkunde. Hij heeft niet alleen heel wat watertjes doorvaren, zowel letterlijk als figuurlijk, maar ontwikkelde tezelfdertijd zijn schrijverschap. Het resulteerde in een omvangrijk oeuvre dat gaandeweg hem ook een gewaardeerde positie verschafte in het letterenlandschap.

Hij debuteerde als romanschrijver in 1987 met De maquette maar publiceerde in 1998 pas zijn eerste dichtbundel Zaailingen. Tussendoor schreef hij romans, verhalen, theaterstukken en kinderboeken. Hij werd daarenboven voor zijn schrijverschap meermaals bekroond.

De bundel, waarvan ik de eer heb hem vandaag aan jullie voor te stellen, moet als ik me niet vergis zijn negende zijn.

Voor mij is deze bundel een natuurlijk vervolg op zijn vorige “Zekerheden” en heeft meer nog dan de vorige als onderliggend thema “de twijfel”: Twijfels over de zekerheden.

De dichter realiseert zich dat hij zich in zijn laatste levensfase bevindt. De voortschrijdende tijd, die niemand spaart, is in deze bundel alom tegenwoordig. Voor de dichter is het de enige zekerheid dat ook die afloopt. Vanuit dat standpunt stelt hij vragen over het verleden, naar de zin van dat wat voorbij is en hoe dat nog betekenis kan hebben voor wat nog komen zal.

wij zagen slechts wat was geweest

en hoopten op wat komen zou

daartussen lag muisstil het nu

gespleten weer in zij en ik

Plouvier zoekt zijn inspiratie vlakbij en in zijn eigen wereld: reisimpressies, kleinkinderen, de geliefde, huwelijk, dood van een vader en een moeder, jeugdherinneringen, kortom het lief en het leed. Hij observeert en reflecteert, blikt terug op een tijd, waarvan de dichter beseft dat die voorbij is maar die blijft nawoelen in het heden. Zekerheden worden onderuit gehaald en telkens weer wordt de lezer op het verkeerde been geplaatst. Ook hij/zij wordt al lezende onderuit gehaald.

De dood, dat enige vaststaande feit, is alom tegenwoordig. De winter, waar de natuur tot stilstand komt is voor de dichter de metafoor en wordt in deze bundel als het ware een dramatis persona. Voor Plouvier is dood verlies maar ook weer niet. Er is de liefde als reddingsboei, maar ook die ontglipt de zwemmer, die wil blijven drijven: want de dagen zijn beschadigd. Het resulteert in de prachtige openingsverzen van het eerste gedicht “De nacht komt”.

De dagen zijn beschadigd

stotterlopen langs zichzelf

………..

onvermijdelijk komt de nacht

zwarter nog dan zuiver angst

een raaf die mij mijn hart benijdt

een lynx met stalen klauwen

 

ik sla mijn benen om mijn liefste

hou mij aan haar haren vast

druk mijn buik tegen haar heup

tot zij zegt laat nu maar los

zonder haar zou ik nooit slapen.

Het is een prelude tot de bundel en construeert meteen het kader waarin alle volgende gedichten zich plaatsen. Het houdt ook de waarschuwing in zich dat niets is wat het lijkt te willen zijn en wat de titels van de gedichten voorspellen.

Want ook in zijn titels zaait Plouvier twijfels. Wanneer je afgaat op de inhoudstafel en dus enkel geconfronteerd wordt met de titels van de gedichten is de eerste reactie er één van “moet dit echt”. Ze lezen bijna als een catalogus van huis- tuin- en keukenadvies. Maar je leest dan de gedichten en ontdekt de geraffineerde bedrieglijkheid ervan.

Hier is een dichter aan het woord, die er in slaagt om simpele alledaagse taferelen en waarnemingen te plaatsen in een universele context, te transcenderen tot een metafysische overdenking. Bijvoorbeeld het gedicht Ontbijt in Madrid:

Wij lopen weg uit de volgestouwde nacht

voorbij nu en zat van stoute verwachtingen

langs een cafeteria de gevel ingekleurd

met sinaasappel broodbruin en Manchego

 

een vroege drinker slurpt café con anís

en wij de handen rond een cappuccino

de dwergen van Velásquez onder tafel

ruiken donkere verf en verse croissants

Maar nooit wordt de dichter bombastisch of hermetisch. Plouvier is een vakman, die de taal virtuoos beheerst en naar zijn pen kan zetten om precies dat uit te drukken wat hij zeggen wil. Geen woord teveel maar elk vers is afgemeten, juist genoeg en toch ontzettend beeldend. Hij hanteert daarbij een breed stilistisch palet. Zo gebruikt hij zeer doelmatig neologismen en plaatst alledaagse woorden in nieuwe contexten. De dichotomie ook als middel tot het zoeken naar evenwicht.

Hij bedient zich graag van de paradox als stijlfiguur, waardoor hij het evidente bevreemdend maakt en het vreemde weer toegankelijk.

Hij doet dit zonder dat het storend of artificieel overkomt, integendeel ze ondersteunen de poëtische zegging, verrijken zijn beeldtaal en stimuleren de verbeelding van de lezer. Ritme en klank zijn daarbij de dragende elementen.

In deze nieuwe bundel is Plouvier ook directer. Minder omfloerst klinkt hij bijwijlen ook harder. Een zekere fataliteit wordt gelaten gedragen maar tezelfdertijd opstandig bestreden. Maar alom is daar steeds het besef dat ouderdom wijsheid brengt en begrip voor wat ooit onbegrepen was.

De dichter beseft dat je het verleden niet ongedaan kan maken, dat dat wat verloren is nooit zal terug gevonden worden, maar dat het ook loutert en dat de geliefde en de liefde het enige houvast biedt. Helaas loopt ook die af in de onafwendbare dood.

Ik citeer enige verzen geplukt uit diverse gedichten:

De Liefde zoekt wie

zij vroeger reeds verliet

of

ze sliep al

hoe de liefde

het leven even met

de dood verbond.

of

Hoe moet dat later dan

zo zonder ons

alle woorden

opgebruikt

alles behalve

de herinneringen

 

gedaan met draaien

en keren

zo moet dat dan

als alles

in liefdes weerwil

blijkt af te lopen.

De bundel wordt afgesloten met een soort “testament” dat start met het gedicht “Aan het einde van de reis” en zijn bekroning vindt in “Aantekeningen van een parkwachter”. De parkwachter, de dichter zelf, is een buitenstaander geworden, die observeert en vast stelt dat de winter komt, maar die ook weet dat na de winter er nieuw leven zal open bloeien. Bijvoorbeeld uit deel 3, De vissen:

zij dromen van

de laatste overstroming

de Grote Vloed

en hun verlossing.

Het laatste gedicht “Wie zonder invloed is werpe de eerste steen” is dan de epiloog. De dichter blikt hier terug op zijn eigen werk:

Er wonen duizend dichters in mijn hoofd

soms is het moeilijk aan hen te ontkomen

ze plakken hun beelden tot in mijn dromen

……

ik heb mijn lezers eigenzinnigheid beloofd

straks is er niemand die mij nog gelooft

maar weet geen dichtwerk is volkomen

Beste poëzievrienden,

Voor wie van toegankelijke poëzie houdt zonder franje maar van een uitzonderlijke dichterlijke zegging moet deze bundel zeker lezen. Plouvier zaait twijfel en zekerheid tezelfdertijd.

Zijn boodschap is duidelijk: ieder van ons moet leren leven in zijn beschadigde dagen.

Deze nieuwe bundel van Bart Plouvier is een eerlijke bundel van een ware dichter. Een verademing in een tijd waarin al te vaak bij de jonge dichtersgilde poëzie verzandt in oeverloos prozaïsch getater, waaraan niemand een boodschap heeft.

Met deze bundel zet Bart Plouvier opnieuw de bakens uit voor wat poëzie echt dient te zijn: de kunst om op basis van het medium taal de werkelijkheid zo te herscheppen, de betekenissen ervan in vraag te stellen dat ze transformerend werkt op de lezer.

Pablo Neruda, in zijn toespraak bij het ontvangen van de Nobelprijs, formuleerde het als volgt “Poëzie is een daad, waarbij eenzaamheid en solidariteit, emotie en ratio, de nabijheid van zichzelf en van de gehele mensheid en de geheimen van de natuurkrachten als gelijke partners bij betrokken zijn. Plouvier tracht zich met deze bundel hierin in te schrijven.

Richard Foqué

Advertenties

Wonderlijke avonturen

9 maart 2017 § 1 reactie

De dagen vliegen als een schaduw voorbij. Vanavond om 18 uur is de eerste opvoering van de monoloog De Buitenkant van Meneer Jules, en de zenuwen slaan lichtjes toe. Kurt Defrancq wil het echter geen zenuwen noemen. Het is eerder wat spanning en een beetje onzekerheid over hoe het Zuid-Afrikaans publiek zal reageren op de intieme inkijk in het leven van Jules en Alice. Of ze de tekst tot in de finesses zullen vatten ook. Afrikaans en Nederlands mogen dan wel op elkaar lijken, er zijn ook wezenlijke verschillen.

Geraldine Reymenants, vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering, die ons voor een lunch uitnodigde, vertelde ons dat het Zuid-Afrikaanse publiek vaak al tijdens het applaus de zaal verlaat. Dat willen we voorkomen omdat we graag met de mensen in dialoog willen gaan na de voorstelling. Er moet dus een inleider komen die een en ander duidt en die mens uitnodigt nog even na te blijven. Het liefst in het Afrikaans. Het is één van de duizend praktische dingen die geregeld moeten worden. Er wordt dagelijks in alle richtingen gemaild, gebeld, ge-sms’t en ge-appt. De frivole roze fauteuil van Meneer Jules hebben we overigens vervangen door een klassiek, bruinlederen exemplaar van de rekwisietenzolder. Dat past een dode oude man beter. De locatie voor de opvoering, het Weltevreden Waenhuis is een tiental kilometer buiten Stellenbosch gelegen, tussen de glooiende wijngaarden.

Na de lunch met Géraldine Reymenants gisteren, spoedde ik me naar het museumcafé Die Plataan waar mijn vertaalster Christine Bakhuyzen-Le Roux op me wachtte. We bereidden er onze lezing van vrijdag voor, voor een leesclub. Daarna beluisterden in een tent verderop een lezing/interview met collega Peter Verhelst. Het Woordfees is een twaalf dagen durende explosie van literatuur, theater, muziek, performances allerlei, een kruising tussen het helaas ter ziele Antwerpse Zuiderzinnen en de Gentse Feesten. Wie zich mee laat drijven met de stroom, beleeft de wonderlijkste avonturen. Zo nam Rik Ghesquière, een dirigent/trompettist uit Lier, ons gisteravond op sleeptouw naar een wonderschoon pianoconcert van Rachmaninov in het Conservatorium van Stellenbosch. Op weg erheen liepen we door de halfduistere Botanische Tuin, die tijdens het Woordfees uitzonderlijk ’s avonds is opengesteld. Er is een unieke collectie bonsaiboompjes te zien, maar het meest magische waren de waterlelies met bladeren als wagenwielen zo groot en bloemen die zich langzaam openden in de tropische avond.

Als we het halen vanavond na onze eigen Jules, willen we een optreden van deze Rik bijwonen, die een koor dirigeert dat is samengesteld uit kinderen van drie verschillende townships. Zou kunst de wereld dan toch een beetje kunnen redden?

 

Diane, Kurt & Meneer Jules in Zuid-Afrika

2 maart 2017 § Een reactie plaatsen

‘De vakantie begint NU,’ zei mijn vader op het moment dat we in de auto stapten op weg naar verre, vreemde oorden -Heist-aan-Zee, Trier, Luxemburg- en net voor we begonnen te zeuren of we er al bijna waren. Ik deed hetzelfde met mijn kinderen.

Op 1 maart, Aswoensdag, begint voor Kurt Defrancq en mezelf het grote avontuur op Schiphol. We hebben twaalf vlieguren voor de boeg voor we in Kaapstad zullen landen. Een goede mix van trots, dankbaarheid, ongeloof en de zenuwen raast door onze respectievelijke lijven, want we zijn nu toch echt wel een beetje ‘on world-tour’ met De Buitenkant van meneer Jules. Kurt heeft met zo’n 500 voorstellingen van de monoloog op zowat alle Vlaamse podia gestaan, in theaters, bibliotheken, cultuurcentra, crematoria en uitvaartcentra zelfs. Hij speelde een paar keer op Amsterdamse podia, vele malen in het Nederlandse Theater-in-de-Kamer-project, in Parijs en Bratislava. Maar uitgenodigd worden om deel te nemen aan het wereldberoemde Woordfees-festival in Stellenbosch, dat is andere koek. Daar heeft de Afrikaanse en meest recente van de 15 Jules-vertalingen mee te maken, maar ook de gedrevenheid van acteur Kurt Defrancq die hier al jaren van droomt en er op de hem bekende wijze de tanden in heeft gezet.

Pikant detail: in de monoloog zit de geest van Meneer Jules met de rug naar het publiek in een doorleefde fauteuil, al ruim vijfhonderd keren dus. Maar omdat die stoel, zelfs gedemonteerd, niet mee kan in het vliegtuig, zal onze eerste besogne zijn om in de Kaapse Meubelboulevard of Kringloopwinkel op zoek te gaan naar een zetel die Meneer Jules waardig is. De rest van het decor nemen we mee, alsook de geweldige licht- en geluidstechnicus Nele, Kurts vrouw.

Via deze blog zal ik u regelmatig op de hoogte houden van onze avonturen op en naast het podium.

Maar nu eerst: boarding-time! En als extra kers op de taart: na een alcohol-loze Tournée Minérale-maand landen tussen de wijngaarden van de voortreffelijke Chardonnaywijnen… dat kan geen toeval zijn.

D.B.

diane-en-kurt

Yves T’Sjoen over ‘Radeloos en betoverd’

20 oktober 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 27 september 2016, De Zondvloed

Beste genodigden, beste Pat,

De presentatie van een nieuwe dichtbundel mag door de uitgeverij dan wel worden aangekondigd als een feestelijke aangelegenheid, toch brengt zo een gebeurtenis ook onzekerheid en pleinvrees met zich mee. Elk nieuw boek betekent voor een schrijverschap een nieuwe geboorte. Onwetend over het leven dat de dichtbundel wacht, staat de schepper er altijd wat verweesd en zelfs beduusd bij. Het geesteskind wordt immers aan zijn greep en toeziend oog onttrokken. Voortaan moet het op eigen benen staan en manmoedig de capriolen van het literaire bestaan ondergaan. De boekpresentatie mag dan wel een geboortefeest zijn, met een modieus woord een babyborrel, het is ook een moment om los te laten en afscheid te nemen. Hoe feestelijk ook, een zekere melancholie of zelfs fantoompijn gaat gepaard met dergelijke publieke evenementen. Ik weet niet of ik mij, de metafoor van de geboorte indachtig, vanavond de vroedman van dienst, laat staan de verlosser mag noemen. De vraag is of ik me de rol moet aanmeten van gediplomeerd gynaecoloog die de keizersnede voor uw ogen voltrekt.

Die functie meet ik me vanavond niet aan. Al was het maar omdat ik een minieme rol mocht spelen in de conceptie van het kind. In deze kraamkliniek of zelfs verloskamer van het literaire boek neem ik u mee in de wandelgangen die leiden naar de bedstee waar de bevruchting plaatsvond. In tempore non suspecto, toen van een bevalling nog geen sprake was, ontspon zich een gesprek tussen lezer en schrijver. Aarzelend, misschien wat schroomvallig, vroeg de dichter of ik bereid was een versie van de nieuwe bundel Radeloos en betoverd te lezen en mijn commentaar te leveren. Vereerd met de vraag mocht ik zonder de plichtpleging van de literaire recensie, buiten het publieke forum dus, in alle ongedwongenheid mijn mening verkondigen. Niet als letterkundige poortwachter maar als bevoorrecht intimus van de schrijver. Mijn eerste indrukken lieten even op zich wachten nadat Pat mij begin februari de teksten had toegestuurd. Tekenend voor de acute koudwatervrees die de schepper toen ten dele viel, was het bericht waarin hij met de hem typerende hoffelijkheid informeerde naar en mij herinnerde aan die in het vooruitzicht gestelde impressies. Op 25 februari, zeven maanden voor Radeloos en betoverd vanavond het licht ziet, schreef ik in een paar uur drie berichten, losse notities met leesindrukken. Ik wil u als toeschouwers in de kraamafdeling van de poëzie met genoegen en zeer uitzonderlijk deelgenoot maken van de gevoerde correspondentie. Uitzonderlijk gezien de aanvankelijke vertrouwelijkheid van onze gedachtengang en gevoelsuitstortingen. Dit is een presentatie bij wijze van persoonlijke getuigenis.

Uiteraard behoeft de heer Donnez geen introductie. Dat zou beledigend zijn voor u en hem. Dat de radiomens vooral ook een schrijver is, hoeft evenmin een betoog. Ik vermeld hier even de twee bundels die Pat mij vorig jaar gul overhandigde, het debuut Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat), uitgegeven in 2007, en het jaar daarop Hotemetoten. Gedichten voor kinderen en andere grote mensen. Sindsdien verscheen proza, onder meer de roman Lichterlaaie, en nu eindelijk na lang wachten en veel polijsten de nieuwe bundel. Pat schrijft parlandistische poëzie, zoals u heeft kunnen merken op de schrijverswebsite en de filmpjes met uitverkoren regels uit het nieuwe dichtwerk die zijn ingesproken door onder anderen Johan Braeckman, Dirk de Wachter, Chantal Patyn en Bart Stouten. We hebben hier met een mediamens, een etherboy, te maken die zijn waar op een esthetische en enthousiasmerende wijze aan de man en de vrouw weet te brengen. Maar goed, ik wil het niet hebben over de publieke figuur Pat Donnez maar ook de dichtbundel, bij de gratie waarvan de dichter Pat Donnez bestaat. Ik presenteer met uw goedvinden een eigen getuigenis.

(1)

“Ik zit te genieten, beste Pat, en dat is niet om jou op deze grijze donderdagnamiddag gratuit of zelfs uit een vervelend schuldbewustzijn na het lange talmen te vleien of te paaien. Zonet las ik in een ruk de eerste afdeling ‘ex amore’ van je bundel-in-wording Radeloos en betoverd. Je schrijft poëzie die mij naar de keel grijpt, veelal over een niet nader genoemde ‘hij’ en een ‘zij’. Het is mooi hoe je in jouw nieuwe werk erin slaagt structuur en diepgang te creëren. Bijvoorbeeld door in de eerste afdeling drie appartementpassages in te lassen, met die stille en in metaforen lispelende vrouw en de taterende ‘hij’. De passages fungeren als kaderverhaal. Ik ben geraakt door de reflecterende dichtfragmenten over verkeerd begrijpen, of het onvermogen tot de ander door te dringen, gedichten over kwetsbaarheid. En dat allemaal in een parlandistische stijl die de humor en de speelse ironie allesbehalve schuwt. Ik zet me nu schrap voor de middenafdeling van de bundel, ‘ik wil mij weg toveren in taal’. Metaforen zeggen meestal meer dan wat de gewone omgangstaal te bieden heeft.”

Enkele uren later noteerde ik deze zinnen die ik voorlegde aan de dichter.

(2)

“Beste Pat, hoe anders en ook weer gelijkend op een bepaalde manier is de tweede afdeling. Je schrijft uitgesponnen gedichten, zoals dat fraaie ‘Patois’, je bent dan weer bijzonder speels en ironisch in ‘Poly-amoureus’. De gedichten handelen over jeugdherinneringen en hoe zelfs een verkaveling die Latijnse riedel “rosa rosae rosam” van de schooltijd niet uit ons wezen van vandaag kan bulldozeren. Ik lees de gedichten het liefst hardop. Hardop lezen laat je de taal beter voelen, biedt je een toegang tot de poëzie in haar muzikaliteit, in haar textuur. Bij dat voor mezelf voorlezen vallen het ritme van de taal en de cadans van je woorden des te meer op. Ik hou nogal van de ritmisch samengestelde en tot de verbeelding sprekende clusterwoorden in het gedicht ‘Patois’: “vogelbekbessen” (x3), “konijnenwittebrood, nederwiet/melktingel en bijtenetel”. Ik kan je nu al zeggen dat de variant op Claus’ ‘Ik schrijf je neer’ (in ‘ex amore’) ondertussen blijft nazinderen na afloop van mijn eerste lectuur.”

Toen las ik, de bundel van begin tot eind tot mij nemend en rustig – hardop pratend – savourerend, de derde en afsluitende afdeling ‘ars vivendi’. Ik liet Pat op die donderdag 25 februari het volgende weten:

(3)

“Je bent speels met woorden, beelden en ritmes, zei ik zonet, maar ook in het gebruik van interteksten. Ik ben blijven haperen aan die ene intratekst die echoot in het gedicht ‘Schuimende koppen’. Haperen, niet zozeer omdat het de afdelingstitel opleverde en op een manier dus een regel is die echoot, maar omdat het zo juist is wat je neerschrijft – zonder omhaal van woorden – in het gedicht ‘Ik wil geen woorden’:

Ik wil geen woorden
worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt
Ik wil mij weg toveren in taal.

 
Schrijven om te verdwijnen. De regels laten me denken aan het titelgedicht in Gerrit Kouwenaars vroege bundel het gebruik van woorden met de visser die uit het gezicht en het gedicht verdwijnt op het einde. Dank voor de woorden, Pat.

Beste vriend Pat, dankzij jouw woorden (gewikt & gewogen, kort & lang), de geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend & grappig & op het eind van de afdeling onthutsend, met terneerdrukkende vertellingen en verzuchtingen (zoals over de nationale bank en het dorpsgeroddel), heb ik deze namiddag met ‘ars vivendi’ mezelf horen lezen. Jouw woorden die ik op je vriendelijk verzoek stem en betekenissen mocht  geven. Radeloos en betoverd is een knappe, doorgecomponeerde bundel met drie afdelingen die toch wel een heel eigen gezicht laten zien maar onmiskenbaar samenhoren.”

Geachte dames en heren, tot hier mijn leesindrukken in gekapt stro, volgens de compositie van de bundel ingekleed. Uiteindelijk zal u zelf oordelen over het nieuwe geesteskind. Nu de geboorte een feit is en de fiere vader Pat Donnez hier als dichter opnieuw debuteert, zullen de teksten een eigen bestaan leiden. Ik ben dankbaar dat ik in de loop van het wordingsproces mocht toekijken en op vraag van de schrijver een particulier oordeel vellen. Vandaag lees ik de teksten in een fraai uitgegeven boek wellicht weer anders. Maar dat is voer voor een recensie.

Beste Pat, ik stel er prijs op jou van harte te feliciteren met het nieuwe dichtwerk. Samen met jou kijk ik toe hoe Radeloos en betoverd nu zijn eigen weg zoekt en straks een leven buiten jou en mij tegemoet snelt. Vader en kind, laat het jullie voor de wind gaan.

HOOP IN DE ONDERWERELD. Piet Gerbrandy over ‘Wie hier binnentreedt’

1 december 2015 § Een reactie plaatsen

Piet Gerbrandy
HOOP IN DE ONDERWERELD
over Wie hier binnentreedt , de nieuwe dichtbundel van Hedwig Selles

Zwolle, 28 november 2015

We vallen met de deur in huis. Zowel de titel als het omslag van Wie hier binnentreedt, de vierde bundel van Hedwig Selles, kan gezien worden als uitnodiging om binnen te komen in een geheel eigen wereld. Als we Dante mogen geloven, wordt de ingang van de hel gemarkeerd met de woorden ‘lasciate ogni speranza, voi ch’ entrate’ (u die hier binnentreedt, laat alle hoop varen), maar hoewel Selles’ titel aan Inferno lijkt te refereren, behelst haar poëzie misschien wel een onderwereld, een binnenwereld, maar geen hel. Er is hoop in de diepte, en hoe kan het ook anders bij deze dichter, die het leven zo grondig beleeft, zo  goed om zich heen kijkt en met wie je zoveel plezier kunt hebben.

Anderhalf jaar geleden vroeg Hedwig, met wie ik al een tijd contact had via e-mail, me om mee te denken over de compositie van haar bundel. Ik had nog nooit zoiets gedaan, aarzelde, de consequentie was immers dat ik de bundel niet zou kunnen recenseren, toch besloot ik voorzichtig toe te stemmen. Maar dan wilde ik er eerst eens rustig over praten. In najaar van 2014 ben ik naar Zwolle gereden, naar Hedwigs bastion aan het Zwarte Water, van waaruit ze de wereld bestookt, en daar hebben we een paar uur zitten praten over van alles en nog wat, maar niet over de bundel, er waren zoveel andere dingen waarover we het beslist moesten hebben. Toen ik aan het eind van de middag vertrok, bleken we weliswaar innige vriendschap te hebben gesloten, maar hadden we nog niets aan die bundel gedaan. In de weken daarna hebben we intensief gecorrespondeerd over details in de afzonderlijke gedichten, en over een mogelijke opbouw van de bundel, maar het spreekt vanzelf dat mijn rol geen andere was dan die van mee-lezer. Hedwig luistert intens, maar is, gelukkig en terecht, ook heel eigenwijs. Het resultaat is een boek van bescheiden omvang, vol indringende gedichten.

Wat gebeurt er in de bundel? ‘Wie hier binnentreedt doet eerst een wens’, aldus de titel van het eerste gedicht. Blijkbaar gaat het om een binnenwereld die voortkomt uit, of ten minste verbonden is met de verbeelding, met ongekende mogelijkheden. Het gedicht spreekt over de slaap, als domein van dromen, van het onderbewuste, dat hier verschijnt als een ruimte onder water, bij ‘vissen met luie onderlippen’. Dat is een mooi beeld, zoals er in het boek vele voorkomen, vaak met een lichtelijk surrealistische touch. De dichter, of dromer, spreekt over de mogelijkheid ‘sereen’ samen te gaan ‘de diepe duisternis in’, al is er het besef dat de diepste verlangens, naar schoonheid bijvoorbeeld, nooit volledig bevredigd kunnen worden. De balans is er dus één tussen potentie en vergeefsheid, overgave en distantie.

Dat is een constante in de bundel, waar een stem zonder illusies, doordrongen van de eindigheid van het leven, maar met des te meer warmte, zoekt naar liefde en betekenis in een wereld waaruit God zich heeft teruggetrokken (‘daarboven is er niets’) en de beste vrienden soms honden, vleermuizen en ganzen zijn. Er worden jeugdherinneringen opgehaald, er wordt teruggedacht aan dierbaren, er komen een paar kunstwerken voorbij waarmee de dichter in gesprek gaat, de toon is veelal melancholisch, maar wel met zelfspot, want ‘een lichte vorm van aanstellerij is mij niet vreemd’.

De vorm van de gedichten is open, de zinsbouw tastend zonder vaag te zijn, beelden lopen op wonderlijke wijze door elkaar heen. Die beelden, vaak neergezet met een enkel adjectief, soms met een soort wrange humor gepresenteerd, blijven haken. Ik citeer er een handvol: ‘geblaf van onthutste honden’’; ‘slecht onderhouden bedelaars’; ‘ongepolijste wolf’ (te contrasteren met een ‘roofdier met goede manieren’); en ‘vastberaden en sterk als grind de moedige meisjes’.

Hoe ziet de dichter haar eigen poëzie? De titel geeft al aan dat het boek een huis kan zijn waarin de lezer welkom is. De gedichten zijn, zoals ergens staat, liedjes, waarmee het niet zo goed gaat, en berusten op een oerkreet. Ik citeer:

In mij een ongepolijste wolf die huilt
jankt, stijgt, klimt waar geen zwijgen
zonder falen is houd ik geheim wat mij
is toevertrouwd dat ze waren aangevreten
voordat de echo ze weg droeg.

De meerduidigheid van de zinsbouw zorgt ervoor dat verschillende domeinen in elkaar overvloeien, maar wat er staat is helder genoeg. Een jankende wolf klimt omhoog, waarbij er geen onderscheid is tussen het dier zelf en wat het roept, de wolf kan niet anders, want zwijgen is gevaarlijk. Maar juist waar die fatale stilte dreigt, heeft de dichter besloten zich niet uit te spreken, want wat ze zou moeten zeggen is te erg voor woorden – sterker nog, datgene wat geuit moet worden, de woorden zelf, is al aangevreten voordat het kan klinken. Aangevreten, door wie? Door de wolf, het alter ego van de dichter? Is de dichter zelf haar grootste vijand? En is wat we uiteindelijk lezen, dit gedicht, een geheim dat zichzelf verraadt?

Dat klinkt allemaal niet erg opwekkend, en dat is het ook niet, maar poëzie is er nu eenmaal niet om troost te bieden waar die niet beschikbaar is. De wereld gaat naar de knoppen, om te beginnen met onszelf, daar valt weinig aan te veranderen. Als je vrolijk wilt worden, moet je deze bundel niet lezen. Het slot van het laatste gedicht laat daarover geen twijfel bestaan:

Er is geen weg dan in het gistend
gezelschap van kiemend zaad
jezelf in de aarde te storten.

Toch is het een hoopgevend beeld. In de eerste plaats wordt het zaad als een gezelschap omschreven, dus de dood is niet iets eenzaams. Bovendien komt uit het broeierige zaad weer nieuw leven voort, zodat de voorlopig eeuwige cyclus van de natuur gewaarborgd is. Want dat is misschien een belangrijke constatering: Hedwig Selles schrijft organische poëzie, waarin ‘het schorre oergeluid van wereld vuur en wind’ te horen is. Dat lijkt me een formidabele prestatie.

 

Waar ben ik?

Je bekijkt nu de Poëzie categorie van VrijdagBlog.