Wonderlijke avonturen

9 maart 2017 § 1 reactie

De dagen vliegen als een schaduw voorbij. Vanavond om 18 uur is de eerste opvoering van de monoloog De Buitenkant van Meneer Jules, en de zenuwen slaan lichtjes toe. Kurt Defrancq wil het echter geen zenuwen noemen. Het is eerder wat spanning en een beetje onzekerheid over hoe het Zuid-Afrikaans publiek zal reageren op de intieme inkijk in het leven van Jules en Alice. Of ze de tekst tot in de finesses zullen vatten ook. Afrikaans en Nederlands mogen dan wel op elkaar lijken, er zijn ook wezenlijke verschillen.

Geraldine Reymenants, vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering, die ons voor een lunch uitnodigde, vertelde ons dat het Zuid-Afrikaanse publiek vaak al tijdens het applaus de zaal verlaat. Dat willen we voorkomen omdat we graag met de mensen in dialoog willen gaan na de voorstelling. Er moet dus een inleider komen die een en ander duidt en die mens uitnodigt nog even na te blijven. Het liefst in het Afrikaans. Het is één van de duizend praktische dingen die geregeld moeten worden. Er wordt dagelijks in alle richtingen gemaild, gebeld, ge-sms’t en ge-appt. De frivole roze fauteuil van Meneer Jules hebben we overigens vervangen door een klassiek, bruinlederen exemplaar van de rekwisietenzolder. Dat past een dode oude man beter. De locatie voor de opvoering, het Weltevreden Waenhuis is een tiental kilometer buiten Stellenbosch gelegen, tussen de glooiende wijngaarden.

Na de lunch met Géraldine Reymenants gisteren, spoedde ik me naar het museumcafé Die Plataan waar mijn vertaalster Christine Bakhuyzen-Le Roux op me wachtte. We bereidden er onze lezing van vrijdag voor, voor een leesclub. Daarna beluisterden in een tent verderop een lezing/interview met collega Peter Verhelst. Het Woordfees is een twaalf dagen durende explosie van literatuur, theater, muziek, performances allerlei, een kruising tussen het helaas ter ziele Antwerpse Zuiderzinnen en de Gentse Feesten. Wie zich mee laat drijven met de stroom, beleeft de wonderlijkste avonturen. Zo nam Rik Ghesquière, een dirigent/trompettist uit Lier, ons gisteravond op sleeptouw naar een wonderschoon pianoconcert van Rachmaninov in het Conservatorium van Stellenbosch. Op weg erheen liepen we door de halfduistere Botanische Tuin, die tijdens het Woordfees uitzonderlijk ’s avonds is opengesteld. Er is een unieke collectie bonsaiboompjes te zien, maar het meest magische waren de waterlelies met bladeren als wagenwielen zo groot en bloemen die zich langzaam openden in de tropische avond.

Als we het halen vanavond na onze eigen Jules, willen we een optreden van deze Rik bijwonen, die een koor dirigeert dat is samengesteld uit kinderen van drie verschillende townships. Zou kunst de wereld dan toch een beetje kunnen redden?

 

Diane, Kurt & Meneer Jules in Zuid-Afrika

2 maart 2017 § Een reactie plaatsen

‘De vakantie begint NU,’ zei mijn vader op het moment dat we in de auto stapten op weg naar verre, vreemde oorden -Heist-aan-Zee, Trier, Luxemburg- en net voor we begonnen te zeuren of we er al bijna waren. Ik deed hetzelfde met mijn kinderen.

Op 1 maart, Aswoensdag, begint voor Kurt Defrancq en mezelf het grote avontuur op Schiphol. We hebben twaalf vlieguren voor de boeg voor we in Kaapstad zullen landen. Een goede mix van trots, dankbaarheid, ongeloof en de zenuwen raast door onze respectievelijke lijven, want we zijn nu toch echt wel een beetje ‘on world-tour’ met De Buitenkant van meneer Jules. Kurt heeft met zo’n 500 voorstellingen van de monoloog op zowat alle Vlaamse podia gestaan, in theaters, bibliotheken, cultuurcentra, crematoria en uitvaartcentra zelfs. Hij speelde een paar keer op Amsterdamse podia, vele malen in het Nederlandse Theater-in-de-Kamer-project, in Parijs en Bratislava. Maar uitgenodigd worden om deel te nemen aan het wereldberoemde Woordfees-festival in Stellenbosch, dat is andere koek. Daar heeft de Afrikaanse en meest recente van de 15 Jules-vertalingen mee te maken, maar ook de gedrevenheid van acteur Kurt Defrancq die hier al jaren van droomt en er op de hem bekende wijze de tanden in heeft gezet.

Pikant detail: in de monoloog zit de geest van Meneer Jules met de rug naar het publiek in een doorleefde fauteuil, al ruim vijfhonderd keren dus. Maar omdat die stoel, zelfs gedemonteerd, niet mee kan in het vliegtuig, zal onze eerste besogne zijn om in de Kaapse Meubelboulevard of Kringloopwinkel op zoek te gaan naar een zetel die Meneer Jules waardig is. De rest van het decor nemen we mee, alsook de geweldige licht- en geluidstechnicus Nele, Kurts vrouw.

Via deze blog zal ik u regelmatig op de hoogte houden van onze avonturen op en naast het podium.

Maar nu eerst: boarding-time! En als extra kers op de taart: na een alcohol-loze Tournée Minérale-maand landen tussen de wijngaarden van de voortreffelijke Chardonnaywijnen… dat kan geen toeval zijn.

D.B.

diane-en-kurt

Johanna Spaey over ‘Residentie van Artevelde’

24 februari 2017 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 23 Februari 2017, De Groene Waterman Antwerpen

“Het verleden is niet achter ons, zoals men denkt, maar voor ons.
De schaduw van wat was werpt zich voor ons:
wat dood is bestaat nog en gaat voor ons uit.”

Met dit citaat van Henry Battaille (1872-1922) geeft Patrick Conrad nog voor hij zijn verhaal begint, al aan dat we de dood nooit mogen onderschatten, dat het verleden zich nooit laat afsluiten en dat oude overtuigingen soms nieuwe geheimen worden, maar altijd sporen zullen achterlaten. Tragische sporen.

Als ik dit zeg, denkt u waarschijnlijk: maar gaat niet elke roman over dat wat we onzegbaar vinden en toch nooit het zwijgen kunnen opleggen? De meeste wel. Zeker in misdaadromans draait alles rond de ontluistering en ontrafeling van oud zeer, lelijke gevoelens, schaamte en schuld. In ‘Residentie van Artevelde‘ is het niet anders. En toch ook weer niet.

“Terwijl ik, voor ik naakt onder de ventilator op mijn bed ging liggen, in de keuken een paar eieren met twee reepjes spek in een pannetje bakte, keek ik automatisch doorheen de latten van de voor het open raam neergelaten jalousie naar de lichtgele bakstenen gevel van Residentie van Artevelde, het stijlloze flatgebouw aan de overkant. Zoals gewoonlijk op dit uur brandde er al licht achter de gesloten gordijnen op het gelijkvloers links. In de vijf andere appartementen viel er nog geen teken van leven te bespeuren. En op de penthouse, waar een gepensioneerde politiecommissaris woonde die haast nooit buitenkwam, had ik geen zicht.”

Toch houdt galeriehouder Bernard de overkant dwangmatig in de gaten.

“(…) Ik twijfelde er niet aan dat de aarde niet de enige planeet in het universum was waarop zich een vorm van leven had ontwikkeld.  Al kon ook dit me bij nader inzien geen moer schelen.  Ik was meer geboeid door wat zich vlakbij, in de intrigerende appartementen van Residentie van Artevelde afspeelde dan door wat er miljoenen lichtjaren hier vandaan in de duisternis van onbekende zonnestelsels gebeurde.”

Terwijl je wordt meegezogen in een verhaal waarin je je afvraagt wat er zich nu allemaal afspeelt aan de overkant van de straat in ‘Residentie van Artevelde’ en wat de bewoners op hun kerfstok hebben, worden je voyeuristische neigingen al snel een halt toegeroepen. Geen pure Hitchcock, maar wel iets wat net zo goed is. Want de eerste dode die valt, is dan ook niet de man of vrouw die je verwacht.

Wat daarop volgt, lijkt misschien alweer op iets wat je al kent uit andere misdaadromans: er wordt namelijk een onderzoek ingesteld naar de moord en de dader. Maar ook daarin blijken de aanwijzingen en motieven misleidend. Al snel ontdek je dat je deze misdaadroman niet eens meer leest omdat je ‘Aha, ik wist het wel’ – of wat u ook meestal roept op het einde van een thriller – wilt roepen. Nee, je leest ‘Residentie van Artevelde’ omdat je wordt betoverd door de verbluffende taal van Patrick Conrad, omdat je in de ban bent van de veelzijdige en dwingende erotiek die mensen met elkaar verbindt en, dat geef ik graag toe, omdat je je ook graag verheugt in al dat zwak-menselijke. Het al te menselijke.

Af en toe word je ontroerd, af en toe ben je verbijsterd, en zeer zeker wil je af en toe ook luidop lachen.

Wat Patrick binnen de Vlaamse misdaadliteratuur zo zeldzaam maakt, is dat hij niet alleen een schrijver is die het genre van de ‘noir’ perfect onder de knie heeft, maar dat hij ook een fenomenaal goede schrijver is. Morbide, jawel. Verrassend, zeker. Onconventioneel absoluut. En poëtisch. Altijd opnieuw.

Als dichter, schrijver, essayist, scenarist, filmmaker en kunstenaar is Patrick Conrad van alle markten thuis. Maar dat klinkt, vind ik zelf, een beetje plat als je naar zijn extravagante oeuvre kijkt. Avant-garde is hij altijd geweest. Zelf leerde ik hem voor het eerst kennen als maker van ‘Mascara’, een film waarin hij, lang voor ‘Thuis’ de knuffeltransseksueel uitvond, een jongen met borsten of was het nu een meisje met een penis de hoofdrol liet spelen. Dat zag je in de jaren tachtig maar zelden in de cinema. En nu niets nog avant-garde is, keert Patrick schijnbaar terug in de tijd en geeft hij het klassieke genre van de ‘noir detective’ een aparte, nieuwe glans.

Dat Patrick in 2015 de Hercule Poirotprijs won met Moço had zeker te maken met de eigenzinnige manier waarop hij misdaadromans schrijft. ‘Residentie van Artevelde’ is opnieuw zo’n On-Vlaamse thriller, omdat de schrijver geen zin heeft in een strikte plot, zichzelf een meta-blik op zijn eigen verhaal gunt, en rammelt met de grenzen van gender en fatsoen.

De allerlaatste zinnen van ‘Residentie van Artevelde’ wil ik u toch al verklappen:

“In de liefde is het zoals in de kunst. Niets is wat het lijkt en je ziet alleen wat je wil zien.”

En zo is het maar net.

Johanna Spaey

 

Yves T’Sjoen over ‘Radeloos en betoverd’

20 oktober 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 27 september 2016, De Zondvloed

Beste genodigden, beste Pat,

De presentatie van een nieuwe dichtbundel mag door de uitgeverij dan wel worden aangekondigd als een feestelijke aangelegenheid, toch brengt zo een gebeurtenis ook onzekerheid en pleinvrees met zich mee. Elk nieuw boek betekent voor een schrijverschap een nieuwe geboorte. Onwetend over het leven dat de dichtbundel wacht, staat de schepper er altijd wat verweesd en zelfs beduusd bij. Het geesteskind wordt immers aan zijn greep en toeziend oog onttrokken. Voortaan moet het op eigen benen staan en manmoedig de capriolen van het literaire bestaan ondergaan. De boekpresentatie mag dan wel een geboortefeest zijn, met een modieus woord een babyborrel, het is ook een moment om los te laten en afscheid te nemen. Hoe feestelijk ook, een zekere melancholie of zelfs fantoompijn gaat gepaard met dergelijke publieke evenementen. Ik weet niet of ik mij, de metafoor van de geboorte indachtig, vanavond de vroedman van dienst, laat staan de verlosser mag noemen. De vraag is of ik me de rol moet aanmeten van gediplomeerd gynaecoloog die de keizersnede voor uw ogen voltrekt.

Die functie meet ik me vanavond niet aan. Al was het maar omdat ik een minieme rol mocht spelen in de conceptie van het kind. In deze kraamkliniek of zelfs verloskamer van het literaire boek neem ik u mee in de wandelgangen die leiden naar de bedstee waar de bevruchting plaatsvond. In tempore non suspecto, toen van een bevalling nog geen sprake was, ontspon zich een gesprek tussen lezer en schrijver. Aarzelend, misschien wat schroomvallig, vroeg de dichter of ik bereid was een versie van de nieuwe bundel Radeloos en betoverd te lezen en mijn commentaar te leveren. Vereerd met de vraag mocht ik zonder de plichtpleging van de literaire recensie, buiten het publieke forum dus, in alle ongedwongenheid mijn mening verkondigen. Niet als letterkundige poortwachter maar als bevoorrecht intimus van de schrijver. Mijn eerste indrukken lieten even op zich wachten nadat Pat mij begin februari de teksten had toegestuurd. Tekenend voor de acute koudwatervrees die de schepper toen ten dele viel, was het bericht waarin hij met de hem typerende hoffelijkheid informeerde naar en mij herinnerde aan die in het vooruitzicht gestelde impressies. Op 25 februari, zeven maanden voor Radeloos en betoverd vanavond het licht ziet, schreef ik in een paar uur drie berichten, losse notities met leesindrukken. Ik wil u als toeschouwers in de kraamafdeling van de poëzie met genoegen en zeer uitzonderlijk deelgenoot maken van de gevoerde correspondentie. Uitzonderlijk gezien de aanvankelijke vertrouwelijkheid van onze gedachtengang en gevoelsuitstortingen. Dit is een presentatie bij wijze van persoonlijke getuigenis.

Uiteraard behoeft de heer Donnez geen introductie. Dat zou beledigend zijn voor u en hem. Dat de radiomens vooral ook een schrijver is, hoeft evenmin een betoog. Ik vermeld hier even de twee bundels die Pat mij vorig jaar gul overhandigde, het debuut Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat), uitgegeven in 2007, en het jaar daarop Hotemetoten. Gedichten voor kinderen en andere grote mensen. Sindsdien verscheen proza, onder meer de roman Lichterlaaie, en nu eindelijk na lang wachten en veel polijsten de nieuwe bundel. Pat schrijft parlandistische poëzie, zoals u heeft kunnen merken op de schrijverswebsite en de filmpjes met uitverkoren regels uit het nieuwe dichtwerk die zijn ingesproken door onder anderen Johan Braeckman, Dirk de Wachter, Chantal Patyn en Bart Stouten. We hebben hier met een mediamens, een etherboy, te maken die zijn waar op een esthetische en enthousiasmerende wijze aan de man en de vrouw weet te brengen. Maar goed, ik wil het niet hebben over de publieke figuur Pat Donnez maar ook de dichtbundel, bij de gratie waarvan de dichter Pat Donnez bestaat. Ik presenteer met uw goedvinden een eigen getuigenis.

(1)

“Ik zit te genieten, beste Pat, en dat is niet om jou op deze grijze donderdagnamiddag gratuit of zelfs uit een vervelend schuldbewustzijn na het lange talmen te vleien of te paaien. Zonet las ik in een ruk de eerste afdeling ‘ex amore’ van je bundel-in-wording Radeloos en betoverd. Je schrijft poëzie die mij naar de keel grijpt, veelal over een niet nader genoemde ‘hij’ en een ‘zij’. Het is mooi hoe je in jouw nieuwe werk erin slaagt structuur en diepgang te creëren. Bijvoorbeeld door in de eerste afdeling drie appartementpassages in te lassen, met die stille en in metaforen lispelende vrouw en de taterende ‘hij’. De passages fungeren als kaderverhaal. Ik ben geraakt door de reflecterende dichtfragmenten over verkeerd begrijpen, of het onvermogen tot de ander door te dringen, gedichten over kwetsbaarheid. En dat allemaal in een parlandistische stijl die de humor en de speelse ironie allesbehalve schuwt. Ik zet me nu schrap voor de middenafdeling van de bundel, ‘ik wil mij weg toveren in taal’. Metaforen zeggen meestal meer dan wat de gewone omgangstaal te bieden heeft.”

Enkele uren later noteerde ik deze zinnen die ik voorlegde aan de dichter.

(2)

“Beste Pat, hoe anders en ook weer gelijkend op een bepaalde manier is de tweede afdeling. Je schrijft uitgesponnen gedichten, zoals dat fraaie ‘Patois’, je bent dan weer bijzonder speels en ironisch in ‘Poly-amoureus’. De gedichten handelen over jeugdherinneringen en hoe zelfs een verkaveling die Latijnse riedel “rosa rosae rosam” van de schooltijd niet uit ons wezen van vandaag kan bulldozeren. Ik lees de gedichten het liefst hardop. Hardop lezen laat je de taal beter voelen, biedt je een toegang tot de poëzie in haar muzikaliteit, in haar textuur. Bij dat voor mezelf voorlezen vallen het ritme van de taal en de cadans van je woorden des te meer op. Ik hou nogal van de ritmisch samengestelde en tot de verbeelding sprekende clusterwoorden in het gedicht ‘Patois’: “vogelbekbessen” (x3), “konijnenwittebrood, nederwiet/melktingel en bijtenetel”. Ik kan je nu al zeggen dat de variant op Claus’ ‘Ik schrijf je neer’ (in ‘ex amore’) ondertussen blijft nazinderen na afloop van mijn eerste lectuur.”

Toen las ik, de bundel van begin tot eind tot mij nemend en rustig – hardop pratend – savourerend, de derde en afsluitende afdeling ‘ars vivendi’. Ik liet Pat op die donderdag 25 februari het volgende weten:

(3)

“Je bent speels met woorden, beelden en ritmes, zei ik zonet, maar ook in het gebruik van interteksten. Ik ben blijven haperen aan die ene intratekst die echoot in het gedicht ‘Schuimende koppen’. Haperen, niet zozeer omdat het de afdelingstitel opleverde en op een manier dus een regel is die echoot, maar omdat het zo juist is wat je neerschrijft – zonder omhaal van woorden – in het gedicht ‘Ik wil geen woorden’:

Ik wil geen woorden
worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt
Ik wil mij weg toveren in taal.

 
Schrijven om te verdwijnen. De regels laten me denken aan het titelgedicht in Gerrit Kouwenaars vroege bundel het gebruik van woorden met de visser die uit het gezicht en het gedicht verdwijnt op het einde. Dank voor de woorden, Pat.

Beste vriend Pat, dankzij jouw woorden (gewikt & gewogen, kort & lang), de geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend & grappig & op het eind van de afdeling onthutsend, met terneerdrukkende vertellingen en verzuchtingen (zoals over de nationale bank en het dorpsgeroddel), heb ik deze namiddag met ‘ars vivendi’ mezelf horen lezen. Jouw woorden die ik op je vriendelijk verzoek stem en betekenissen mocht  geven. Radeloos en betoverd is een knappe, doorgecomponeerde bundel met drie afdelingen die toch wel een heel eigen gezicht laten zien maar onmiskenbaar samenhoren.”

Geachte dames en heren, tot hier mijn leesindrukken in gekapt stro, volgens de compositie van de bundel ingekleed. Uiteindelijk zal u zelf oordelen over het nieuwe geesteskind. Nu de geboorte een feit is en de fiere vader Pat Donnez hier als dichter opnieuw debuteert, zullen de teksten een eigen bestaan leiden. Ik ben dankbaar dat ik in de loop van het wordingsproces mocht toekijken en op vraag van de schrijver een particulier oordeel vellen. Vandaag lees ik de teksten in een fraai uitgegeven boek wellicht weer anders. Maar dat is voer voor een recensie.

Beste Pat, ik stel er prijs op jou van harte te feliciteren met het nieuwe dichtwerk. Samen met jou kijk ik toe hoe Radeloos en betoverd nu zijn eigen weg zoekt en straks een leven buiten jou en mij tegemoet snelt. Vader en kind, laat het jullie voor de wind gaan.

HOOP IN DE ONDERWERELD. Piet Gerbrandy over ‘Wie hier binnentreedt’

1 december 2015 § Een reactie plaatsen

Piet Gerbrandy
HOOP IN DE ONDERWERELD
over Wie hier binnentreedt , de nieuwe dichtbundel van Hedwig Selles

Zwolle, 28 november 2015

We vallen met de deur in huis. Zowel de titel als het omslag van Wie hier binnentreedt, de vierde bundel van Hedwig Selles, kan gezien worden als uitnodiging om binnen te komen in een geheel eigen wereld. Als we Dante mogen geloven, wordt de ingang van de hel gemarkeerd met de woorden ‘lasciate ogni speranza, voi ch’ entrate’ (u die hier binnentreedt, laat alle hoop varen), maar hoewel Selles’ titel aan Inferno lijkt te refereren, behelst haar poëzie misschien wel een onderwereld, een binnenwereld, maar geen hel. Er is hoop in de diepte, en hoe kan het ook anders bij deze dichter, die het leven zo grondig beleeft, zo  goed om zich heen kijkt en met wie je zoveel plezier kunt hebben.

Anderhalf jaar geleden vroeg Hedwig, met wie ik al een tijd contact had via e-mail, me om mee te denken over de compositie van haar bundel. Ik had nog nooit zoiets gedaan, aarzelde, de consequentie was immers dat ik de bundel niet zou kunnen recenseren, toch besloot ik voorzichtig toe te stemmen. Maar dan wilde ik er eerst eens rustig over praten. In najaar van 2014 ben ik naar Zwolle gereden, naar Hedwigs bastion aan het Zwarte Water, van waaruit ze de wereld bestookt, en daar hebben we een paar uur zitten praten over van alles en nog wat, maar niet over de bundel, er waren zoveel andere dingen waarover we het beslist moesten hebben. Toen ik aan het eind van de middag vertrok, bleken we weliswaar innige vriendschap te hebben gesloten, maar hadden we nog niets aan die bundel gedaan. In de weken daarna hebben we intensief gecorrespondeerd over details in de afzonderlijke gedichten, en over een mogelijke opbouw van de bundel, maar het spreekt vanzelf dat mijn rol geen andere was dan die van mee-lezer. Hedwig luistert intens, maar is, gelukkig en terecht, ook heel eigenwijs. Het resultaat is een boek van bescheiden omvang, vol indringende gedichten.

Wat gebeurt er in de bundel? ‘Wie hier binnentreedt doet eerst een wens’, aldus de titel van het eerste gedicht. Blijkbaar gaat het om een binnenwereld die voortkomt uit, of ten minste verbonden is met de verbeelding, met ongekende mogelijkheden. Het gedicht spreekt over de slaap, als domein van dromen, van het onderbewuste, dat hier verschijnt als een ruimte onder water, bij ‘vissen met luie onderlippen’. Dat is een mooi beeld, zoals er in het boek vele voorkomen, vaak met een lichtelijk surrealistische touch. De dichter, of dromer, spreekt over de mogelijkheid ‘sereen’ samen te gaan ‘de diepe duisternis in’, al is er het besef dat de diepste verlangens, naar schoonheid bijvoorbeeld, nooit volledig bevredigd kunnen worden. De balans is er dus één tussen potentie en vergeefsheid, overgave en distantie.

Dat is een constante in de bundel, waar een stem zonder illusies, doordrongen van de eindigheid van het leven, maar met des te meer warmte, zoekt naar liefde en betekenis in een wereld waaruit God zich heeft teruggetrokken (‘daarboven is er niets’) en de beste vrienden soms honden, vleermuizen en ganzen zijn. Er worden jeugdherinneringen opgehaald, er wordt teruggedacht aan dierbaren, er komen een paar kunstwerken voorbij waarmee de dichter in gesprek gaat, de toon is veelal melancholisch, maar wel met zelfspot, want ‘een lichte vorm van aanstellerij is mij niet vreemd’.

De vorm van de gedichten is open, de zinsbouw tastend zonder vaag te zijn, beelden lopen op wonderlijke wijze door elkaar heen. Die beelden, vaak neergezet met een enkel adjectief, soms met een soort wrange humor gepresenteerd, blijven haken. Ik citeer er een handvol: ‘geblaf van onthutste honden’’; ‘slecht onderhouden bedelaars’; ‘ongepolijste wolf’ (te contrasteren met een ‘roofdier met goede manieren’); en ‘vastberaden en sterk als grind de moedige meisjes’.

Hoe ziet de dichter haar eigen poëzie? De titel geeft al aan dat het boek een huis kan zijn waarin de lezer welkom is. De gedichten zijn, zoals ergens staat, liedjes, waarmee het niet zo goed gaat, en berusten op een oerkreet. Ik citeer:

In mij een ongepolijste wolf die huilt
jankt, stijgt, klimt waar geen zwijgen
zonder falen is houd ik geheim wat mij
is toevertrouwd dat ze waren aangevreten
voordat de echo ze weg droeg.

De meerduidigheid van de zinsbouw zorgt ervoor dat verschillende domeinen in elkaar overvloeien, maar wat er staat is helder genoeg. Een jankende wolf klimt omhoog, waarbij er geen onderscheid is tussen het dier zelf en wat het roept, de wolf kan niet anders, want zwijgen is gevaarlijk. Maar juist waar die fatale stilte dreigt, heeft de dichter besloten zich niet uit te spreken, want wat ze zou moeten zeggen is te erg voor woorden – sterker nog, datgene wat geuit moet worden, de woorden zelf, is al aangevreten voordat het kan klinken. Aangevreten, door wie? Door de wolf, het alter ego van de dichter? Is de dichter zelf haar grootste vijand? En is wat we uiteindelijk lezen, dit gedicht, een geheim dat zichzelf verraadt?

Dat klinkt allemaal niet erg opwekkend, en dat is het ook niet, maar poëzie is er nu eenmaal niet om troost te bieden waar die niet beschikbaar is. De wereld gaat naar de knoppen, om te beginnen met onszelf, daar valt weinig aan te veranderen. Als je vrolijk wilt worden, moet je deze bundel niet lezen. Het slot van het laatste gedicht laat daarover geen twijfel bestaan:

Er is geen weg dan in het gistend
gezelschap van kiemend zaad
jezelf in de aarde te storten.

Toch is het een hoopgevend beeld. In de eerste plaats wordt het zaad als een gezelschap omschreven, dus de dood is niet iets eenzaams. Bovendien komt uit het broeierige zaad weer nieuw leven voort, zodat de voorlopig eeuwige cyclus van de natuur gewaarborgd is. Want dat is misschien een belangrijke constatering: Hedwig Selles schrijft organische poëzie, waarin ‘het schorre oergeluid van wereld vuur en wind’ te horen is. Dat lijkt me een formidabele prestatie.

 

Kleine poëticale inleiding op ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’ van Sylvie Marie — door Roel Weerheijm

11 juli 2011 § 1 reactie

De poëzie van Sylvie is op haar best in de cyclus. Van Zonder is, zonder twijfel, de cyclus ‘Moedermomenten’ het hoogtepunt. Tien gedichten met tien schrijnende anekdotes over moeder en kinderen: ze maken herrie aan tafel om het zwijgen te verbergen, hun blikken vinden elkaar niet (de vraag is: zoeken die blikken elkaar, of doen ze hun best elkaar te ontwijken?), moeder en kinderen zoeken samen tevergeefs naar een oplosmiddel. De moeder richt zich steeds meer op het aanrecht en de tv (wellicht daardoor minder op de kinderen?). En als de kinderen een cadeautje kopen voor moeder, stelt zij het opmerken ervan, en daarna het uitpakken, uit tot het niet meer kan – maar dan hebben blijdschap en verrassing al plaatsgemaakt voor teleurstelling.

Hoogtepunt van Toen je me ten huwelijk vroeg is, wat mij betreft, de cyclus ‘Jij, de stilte’. ‘Jij, de stilte’ gaat over een overleden naaste. Zoals ‘Moedermomenten’ vanuit een reeks anekdotes een beeld geeft van een complexe relatie tussen moeder en kinderen, zo probeert de verteller in ‘Jij, de stilte’ op verschillende manieren invulling aan de ontstane stilte te geven. Geen anekdotes, maar een thematische verkenning van de stilte. Terwijl in ‘Moedermomenten’ de naaste (moeder) er wel is, maar het contact tussen moeder en kinderen complex is, is het in ‘Jij, de stilte’ omgekeerd: wel een goed, liefdevol contact tussen twee naasten, maar een ervan is verdwenen, overleden. Hoe groot en veelzijdig is de dreun die de stilte geeft, en blijft geven? Het wordt een monster, in de nacht hoort de verteller de naaste in de stilte, maar de stilte wordt even later ook een comfortabel kussen. De ik probeert de stilte te bezweren door net te doen alsof de naaste er weer is. Natuurlijk mislukt deze poging tot communicatie. En ook een latere poging strandt als de ik andermaal woorden wil zeggen tegen de overledene. Ze belanden op papier (stilte!) maar de brief zou nooit op de juiste bestemming aan kunnen komen. We eindigen bij de (graf)steen (ook stilte) waar andermaal de wind de stem van de overledene lijkt te zijn. Het beest, het monster, zwijgt. En, tegelijk berustend én dreigend, weten we: gesloten ogen waken ook. ‘Jij, de stilte’ is een volwassen literaire verkenning van de verschillende aspecten van een thema in een, van onderhuids ongemak doordrenkte taal. De poëzie is uitnodigend, verleidend en indringend.

In Toen je me ten huwelijk vroeg is ‘liefde’ het centrale thema. Maar ook in Zonder lazen we al gedichten over de liefde. In die gedichten toont de verteller zich erg onzeker. Er schuilt een drama in alle gedichten, een drama dat niet uitgesproken wordt, maar die in elke letter voelbaar is. De verteller is uitermate kwetsbaar, wat de lezer uit zijn stabiliteit trekt. Ik heb de gedichten gelezen als de van angst en nieuwsgierigheid vervulde verkenningstocht van een onervaren persoon in de liefde, relaties, seks.

De verteller van de liefdesgedichten in Toen je me ten huwelijk vroeg is rustiger en zelfs op de donkerste momenten veel meer beschouwend. De onrustige, ietwat bange, onzekere verteller van Zonder is ouder en wijzer geworden. Werd in Zonder een heftig drama gesuggereerd, in Toen je me ten huwelijk vroeg is het alsof de verteller enig boeddhisme tot zich genomen heeft. Het drama dat ook hier in een deel van de gedichten terugkeert, is haast net zo intens, maar de verteller lijkt er beter tegen bestand dan die van Zonder. De bezwering van het drama achter de gedichten schuilt niet alleen in de inhoud, maar ook in de woordkeuze. In de ‘Moedermomenten’ kwamen nog woorden voor met een duidelijk emotionele, of dramatische lading. Het drama gaat in Toen je me ten huwelijk vroeg schuil in kleine woorden, die op zichzelf nauwelijks een drama behelzen. Op spaarzame momenten, zoals het monster in ‘Jij, de stilte’, of in de cyclus ‘’s Nachts’, keren dramatische woorden terug in het vocabulaire, maar meestal heerst er ogenschijnlijke rust. Het drama wordt daarmee niet benoemd en zeer treffend gesuggereerd.

‘Posities van perfect geluk’ is daar nog het beste voorbeeld van. Er is een aparte ruimte, waar twee geliefden samen zijn. De ruimte is afgesloten van de buitenwereld. Hier staat de lichtste poëzie van de bundel, die langzaam danst, deint, zweeft, rust, wit is van kleur en een oase beschrijft. Maar is het wel zo’n oase, is het paradijselijk? Geen enkel woord beduidt het donkere, het grimmige, of nare gevoelens. Men kan angstig zijn in de liefde, men kan zich juist eenzamer voelen, men kan de nare eigenschappen van de partner benadrukken. Maar niets daarvan in de woorden van ‘Posities van perfect geluk’. Niet eens zómaar geluk, nee, perféct geluk. Hoe kan dit? Is het huwelijk de staat van perfecte liefde, perfect geluk? En wat doet het met je, om samen met je geliefde in een afgesloten ruimte te verkeren? Ik proef een verstopt drama, een verborgen angst, juist omdat die er níét staat.

De anekdotiek in Toen je me ten huwelijk vroeg is soms heel klein en ontroerend. Een vader die zijn dochter fietsen leert, een man die de liefde van de verteller voor zich wint door over zijn veters te struikelen, twee geliefden met een ander dagritme. Maar Toen je me ten huwelijk vroeg bevat aanmerkelijk minder anekdotiek, en meer thematisch uitgewerkte cycli dan Zonder. De tweede bundel van Sylvie is minder vertellend en meer filosofisch van karakter dan haar eerste bundel.

De bundel kon natuurlijk niet tot stand komen als Sylvie en David Troch elkaar niet waren getrouwd. Ik vermijd bewust het ‘autobiografische’ in de poëzie. We kennen de verlovingsfoto’s van Sylvie en David, met daartussen één foto van de geliefden die, hand in hand, van een hooibaal af sprongen. Over die foto schreef ik het volgende gedicht:

Er zijn geen donkere schaduwen om op te trappen, geen

harde grond om tot scherven op te vallen.

We grijpen elkaars handen om vleugels

 

voor elkaar te zijn. We maken vallen

 

zweven

 

en daarna

samen leven.

Waar ben ik?

Je bekijkt nu de Boeken categorie van VrijdagBlog.