Bart Stouten over ‘Ben jij liefde’

20 mei 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 19 mei, Barbóék Leuven

Liefde is overal in de poëzie en de poëzie, van Petrarca tot Gabriele d’Annunzio, van Rimbaud tot Mallarmé, van Bertold Brecht tot Goethe. Liefde is zo alomtegenwoordig dat je zou kunnen zeggen: er is ‘slechts’ liefde.

Laten we eens kijken hoe dat nu met Mustafa Kör zit. Lezen we de bundel aandachtig, valt ons op dat er geen vraagteken staat in de titel, die toch duidelijk als een vraag wil klinken: ‘Ben jij liefde’. Alsof in de vraag een bevestiging besloten zit. Als ik malafide ben, zou ik ook kunnen zeggen: alsof er een ontkenning gesuggereerd wordt. Alsof, wie weet, de liefde niet bestaat, of eerder een pathologische conditie is, een aandoening, zoiets. Ik wil Mustafa Kör in elk geval feliciteren met zo’n knappe titel, die onmiddellijk duidelijk maakt dat we geen melige romantiek hoeven te verwachten… of te ‘vrezen’ inderdaad.

De bundel opent met een motto ontleend aan de grote Portugese dichter met zijn heteroniemen, of verschillende namen, Fernando Pessoa: ‘als het hart kon denken, stond het stil’. Ik ben vorig jaar in Lissabon nog in het huis geweest waar Pessoa geleefd heeft en gestorven is. Mijn hart stond bijna stil. Want het begon te denken. Maar gelukkig bleef het kloppen. Omdat het denken niet zonder het passionele, irrationele kloppen van de emotie kàn. Ook daaraan herinnert ons de poëtica van Pessoa. Net zoals die van Mustafa Kör, trouwens. Zijn motto is inderdaad erg raak.

Ook Baudelaire levert een motto in deze bundel, uit zijn Bloemen van het Kwaad: ‘Wat is liefde? De behoefte aan zichzelf te ontsnappen’. De vraag die onmiddellijk in me opkomt, is natuurlijk: hoe ziet die ontsnappingspoging er bij Mustafa Kör dan uit?

De bundel is opgedragen aan Silvia. En dat is mooi, en dat is goed, want de bundel leest voor mij ook als een liefdesbrief. Een gecodeerde liefdesbrief, meervoudig invulbaar met de eigen levenservaring (die de dichter inspireerde tot afstand-nemen, net zoals Baudelaire admoneerde) en ook heel expressief, vol verlangen namelijk van Mustafa om zijn begeerte kenbaar te maken. Zoals gedestilleerd door de essentie van zijn bestaan. Dat moet voor Silvia inderdaad een erg prettige ervaring zijn. Een liefdesverklaring doordesemd van de poëzie geworden essentie van Mustafa’s bestaan.

‘Er was een tijd dat je bleef hopen op de vrouw die je zou afspinnen, je kon niet wachten op later’ verraadt Mustafa de dwang van zijn begeren. Dat vind ik zo mooi: dat ook in het beleven van de liefde voor hem, zelfs wanneer ze ‘gerealiseerd’ is in de relatie met Silvia, de hoop aanwezig blijft. Mustafa Kör heeft iets van een Icarus die dicht bij de zon gaat vliegen. Niet toevallig heet een van de gedichten die afstand-nemen ook zo, ‘Icarus’. De mythische Icarus komt overal in deze verzen terug, hoewel hij niet altijd zo genoemd wordt. Hij is immers het kind in de bundel. Goudblond gekruld, soms een ‘hobbelende engel in de tuin’, zoals in het gedicht ‘Appels’. Hij is de engel of het kind in de dichter zelf. Het kind dat ook iets van een jonge god heeft.

Sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en voorbeelden. Opmerkelijk: er is ook een gedicht opgedragen aan de politiek geëngageerde romancier Kamiel Vanhole. Het engagement bij Mustafa Kör is heel sotto voce verwoord, eerder suggestief dan expressief in de aanklacht, zoals in de openingsverzen van het gedicht ‘Handen’: ‘er was een tijd dat wij de toorn vreesden van meesters om het vuil op onze knokkels’. Nu is die tijd voorbij, en de toonaard van de liefde laat een meer onbevangen houding toe, een afleggen van alle angst, een eerlijkheid die zich niet meer hoeft te verstoppen.

Ik liet het woord toonaard vallen. Deze poëzie van Mustafa Kör maakt inderdaad van de liefde een momentum én een toonaard. Een toonaard om terug te kijken naar het eigen leven, de eigen Anatolische roots, de vlegeljaren, het ongeval, het niet altijd vlekkeloos dagelijks bestaan, ‘een dorp van vijf straten en kerkhof bezaaid met bierblikken’, zoals hij in het gedicht ‘Onder een brug’ zegt. De verzen hebben het in zich om verregaand de poëzie van een heel individuele, maar ook een collectieve tijd te beïnvloeden. Met mooie verzen. Rake metaforen. Bloedmooie taal, eigenlijk.

Kör schreef ondanks de titel dus geen voor de hand liggende liefdespoëzie, laat staan romantische poëzie met een schwärmend karakter of zo. Geen geïdealiseerde of onbereikbare dame wordt aanbeden. Het utopische van de liefde, zoals gesublimeerd in het religieuze, ruikt bij Mustafa Kör eerder naar een verkapte dystopie, die hem toelaat de spanning tussen de dood van god en de islam en alle daarmee verwante gevoeligheden van deze tijd te laten meespelen: ‘ontij is ons deel nu, alleen nog pioenrozen bidden’ stelt hij veelzeggend. De wereld hangt aan het spit, de wereld moeten we laten draaien, zegt Mustafa elders, ‘er is geen kuur van een aanbeden Allah’.

Mustafa Kör, hoewel dystopisch, raakt wel de mindset van grote liefdespoëten doordat hij de liefde, de goddelijke liefde, tegelijk als een bron van geluk én een bron van smart ervaart. Er zit een dubbelheid in het thema, een paradox zelfs, die de dichter het gevoel geeft tegelijk midden in het paradijs te staan én aan de rand van een afgrond. Echte liefde is al een beetje met één voet over die afgrond schuiven, je voelen wankelen en toch nog achterom kijken naar het paradijs dat je ervaren hebt.

De poëzie van Mustafa Kör deed me denken aan sommige dichters die in hun bezingen van de liefde kozen voor minder voor de hand liggende paden, om moeilijkere liefdes uit te drukken. Eigenlijk moet ik zeggen: NOG moeilijkere liefdes, want in de liefde dat niet altijd: moeilijk? Denken we maar aan de liefde zoals beschreven door de Griek Kavafis, de ‘verstopte’ liefde in zijn niet-begrijpend Alexandrië dat hem ostraciseerde. Denken we ook aan Emily Dickinson en haar vergeestelijkte liefde met een lichamelijke oorsprong in het bigotte Amherst. De wereldpoëzie, als ik daar even aan mag herinneren, is echt een samenkomst, een impluvium, van liefdes die als het water van een bergriviertje langs ingewikkelde rotspartijen zijn weg zoekt.

Liefde is en zal bij Mustafa Kör nooit een makkelijk thema zijn. Liefde is onafscheidelijk gelinkt met seksualiteit, seksualiteit maar al te vaak met wreedheid en een verlangen naar onderworpenheid. Seksualiteit weigert netjes in de zetel van de liefde te zitten. Liefde en seksualiteit gaan samen voor Mustafa Kör, maar hij wil ze niet verwarren met elkaar. Liefde is wel lenig, maar ze kan ook obsessief worden in deze bundel. Helemaal niet zo lenig, maar zelfs eerder steriel, opdringerig, dictatoriaal.

Structureel volgt de bundel het parcours van elke organische liefde. Het begint met een warme idylle en eindigt in een gedicht dat ‘ontdooid’ heet. We volgen dus een ontdooiingsproces. We volgen ook een strategie, liefde is ongedwongen in deze bundel maar toch ook een construct met voorbedachten rade soms: er wordt over elke emotionele zet nagedacht, er worden ultimata gesteld, er wordt verfoeid, gebroken en weer gelijmd. ‘We slikken onszelf als zoete koek’ verraadt Mustafa Kör het gedoemd zijn tot samenleven, in een bestaan vol barbecues en ballgames, en (althans in het gedicht ‘Stroom’), ‘massaal geluk dat gedownload wordt’. Heel erg mooi, dit beeld. Het downloaden doet aan zaad denken, aan de coïtus; het massaal geluk impliceert de herhaling van die coïtus. In het gedicht met de veelzeggende titel ‘Doordeweeks’ heet het matter-of-fact-achtig: ‘Het is gezien en goedgekeurd. We tellen onze zegeningen, want het regent niet en de post moet nog komen.’ In het gedicht ‘Jagen’ (wat mooi klinkt in een bundel die een soort liefdesjacht is) gewaagt Mustafa van een ‘onvermijdelijke charge, woest, als waren we elkaars doodswens’. Eros en Thanatos vinden elkaar hier in een pijnlijke omkering van de utopie.

De idylle van het begin blijft niet duren, en gelukkig maar voor de lezer openbaart de liefde zich in al haar rauwe naaktheid. Ik citeer enkele verzen uit ‘Misvormd’. ’Het is te begrijpen, zegt hij nu cellen zijn uitgedeeld, dat Claudia, rijkeluistrutje, Italianen bij de vleet is gaan pijpen. Rosse Nancy, wannabe met vileine tong, wormen telt in haar dierenspeciaalzaak. Pascal, racist in de dop, bandwerkt en malheur dealt in de Majestic. En Rachid, tja, die domme kloot, moest zo nodig verdrinken in het meer.’ Dit zijn heel tellurische verzen, erg trefzeker in hun evocatieve kracht.

Soms lijken de stanza’s elk een boek te schrijven, zodat je de bundel ook als een bibliotheek kan zien. Het gore kaliber van een moeilijke werkelijkheid, die constant de liefde troebleert, soms ook torpedeert, is alomtegenwoordig. Mustafa schrijft een bundel waar de ogen opengaan, in plaats van zich dromerig te sluiten. Met enige verwondering kijkt hij in de spiegel, om opnieuw zonder vraagteken, half-vragend en half-bevestigend, maar beslist verwonderd zichzelf in de borst te pikken: ‘begrijpt u nog dat hij een jongen was, misvormd door de ban van in te lossen beloftes.’

De ban van in te lossen beloftes, hoe mooi klinkt dat, en inderdaad, hier is Mustafa op z’n best, wanneer hij illusies debunkt. Heel de bundel is een ontwarring van illusie. Een terugkeer naar de niet-inneembare werkelijkheid, waar de liefde voor schut staat, hoewel ze haar poging nooit opgeeft om de dingen te ordenen, te esthetiseren, te motiveren, te prikkelen, te paaien, te sublimeren. ‘Barcodes van de mooiste leugens’ te lezen. Het friemelen, de blote ruggen, de sigaretten nemen we erbij.

Stemmen zijn belangrijk in deze poëzie. ‘Ik herinner me jouw stem, de tonica van je sopraan’ heet het in het gedicht ’Prima donna’. In ‘Chief’ heet het dat de stem kwam ’uit afgronden waar machtige kreten geboren worden’. De stem is het geluid van een adem, een levensadem, de stem is die van het leven zelf. Het leven dat altijd liefde wil zijn of worden. ‘Heb mijn stem schor geschreeuwd op je naam. Alleen je kroon viel uit de hemel’ heet het dan weer in het gedicht ’Icarus’.

Stemmen zijn belangrijk. Maar er klinkt ook mooie muziek. Ella Fitzgerald en Louis Armstrong. Take Five. Ik moest door de sfeer van sommige gedichten vaak denken aan het mooie boek van Danny Laferrière, over meisjes in het studentenmilieu van Montréal: ‘Vrijen met een neger tot je zwart ziet’, maar dit geheel terzijde.

Het allermooiste aspect van deze bundel vind ik de wijze waarop Mustafa vertrouwde werkelijkheid in of via de liefde heel ongewoon kan ervaren. Lippen worden vreemde lippen in ‘Pelgrim’. Een lach ‘is gestenigd’. Jongensdromen vervliegen samen met de mijnwolken. Dagenlang sluipt de dichter rond een afwezige gedaante. Ik moest inderdaad opnieuw aan Baudelaire denken bij het lezen van die woorden: ‘ce gouffre interdit à nos sondes’. Het bevreemdende wil verkend en begrepen worden, maar uiteindelijk is het ongenaakbaar in zijn ondoordringbaarheid, en ook dat leert de liefde. De liefde is in die zin een les in nederig-zijn.

Mustafa Kör is een meester in het lapidair, kernachtig verwoorden van onvoorwaardelijke, onherroepelijke situaties, waarin hij zich met grote kracht in de ander verplaatst.

Ik heb in mijn poëzieleven veel liefdesgedichten op mijn pad gevonden. Ik liep rond in de stegen van stilte met Perzische dichteressen, sommige van hen kwamen uit de Turkstalige stad Tabriz in het Noordwesten van Iran, een centrum aan het begin van de 20e eeuw van maatschappelijke en revolutionaire bewegingen en een bolwerk van kunstenaars, schrijvers en dichters met politieke en poëticale opvattingen. Dat is wel leuk. Wanneer de liefde zich moeide met zulke relatief geladen zaken. Exact zoals dat gebeurt in de verzenwereld van Mustafa Kör.

Al is hij dan geen gevangene of politiek landverrader, voor mij is Mustafa Kör een soort moderne Nazim Hikmet van Vlaanderen. De ware kracht van Hikmet is inderdaad zijn liefde, zijn liefde die zo groot en zo stormachtig klinkt dat ze gewoon nooit verloren kan gaan. En die bijna niemand onberoerd laat.

Dames en heren, ik ben werkelijk zeer vereerd dat ik u warm mocht maken voor deze schitterende poëzie. Lang leve Mustafa Kör, die ik hiermee van harte feliciteer. En ù zal de gelukkige bezitter worden van een hoogst inspirerende dichtbundel. Ik dank u.

Copyright Bart Stouten

Advertenties

Martine Cuyt over ‘Wat voorafging’

10 mei 2016 § Een reactie plaatsen

Presentatie 7 mei, De Groene Waterman Antwerpen

Beste aanwezigen. U kent Diane Broeckhoven, u las verschillende van haar 37 boeken. U weet dat De buitenkant van meneer Jules haar everseller is met 300.000 verkochte exemplaren. U was er wellicht bij op het stadhuis in maart jongstleden toen ze, net zeventig geworden, in de bloemen werd gezet. Vandaag presenteren we haar nagelnieuwe boek, haar oerboek, haar moederboek: Wat voorafging.

Wat voorafging
Het was een onbewolkte dag vier jaar geleden toen Diane en ik richting Manuscripta in Amsterdam reden voor een seizoensvoorstelling van de uitgevers en Diane haar moeder zo samenvatte: ‘Mijn moeder is een dramaqueen.’
Ik zette de wagen aan de kant – later zou blijken dat ik daar en toen een fikse boete zou oplopen, maar àlles voor de literatuur – en bezwoer Diane dat dit dé openingszin was voor een moederboek. Voor haar moederboek.
Dat dat geschreven moest worden, stond voor Diane al bijna twintig jaar vast. Wanneer niet. In ieder geval niet tijdens het leven van moeder Berthe.
‘Mijn moeder wàs een dramaqueen’, knikten we synchroon.

Berthe Moreels stierf op maandag 27 oktober 2014, ruim 95 jaar oud.
Nauwelijks twee jaar later, en uiteraard niet toevallig in het weekend van Moederdag verschijnt nu Wat voorafging. (Mag ik er u tussen haakjes ook op attenderen dat het moederboek van Diane toch maar fijntjes met een uur of zes voorsprong op Grunbergs Moedervlekken -­‐ een plotgedreven roman geen biografisch werk over mama Hannelore Grünberg-­‐Klein -­‐ in Antwerpen wordt gepresenteerd?
‘Mijn moeder was een dramaqueen’ is niet de openingszin geworden van
Wat voorafging, maar wie leest, die vindt.
Dames en heren, dit is niet alleen – alsof dat niet genoeg zou zijn – een krachtig moederboek, het is tevens een dubbelbiografie. Diane portretteert haar moeder van geboorte tot sterfdag, en zichzelf van geboorte tot nu. Ze laat zichzelf geboren worden, -­‐ haar moeder hoorde een dure taxi te nemen, zal ze later veel mogen horen -­‐, we stappen binnen in het gezin Broeckhoven met de dominante moeder, we mogen de Bildung van de jongste dochter, “de andere”, meemaken. We zien Diane vluchten naar Nederland, de journaliste gaat ook boeken schrijven en wordt zelf moeder van drie, we volgen haar naar Bhagwan, we zien haar na dertig jaar Nederland terugkeren naar België én we volgen haar veertien jaar lang weer in Antwerpen en op de wekelijkse bezoeken aan de moeilijke mater.

De turbulente relatie met ma is de rode draad, het bindmiddel.
De genaamde Berthe M. – die eigenlijk geen kinderen wilde -­‐ was een mooie, flamboyante, kamervullende vrouw. De geur van Soir de Paris – voor dochterlief de geur van de eenzaamheid -­‐ stijgt op uit het boek, en tijdens de tripjes naar zee ruik je Ambre Soleil – de geur van vakantie en een moeder die eindelijk wat milder was.
Eerlijk, het is een wonder dat de genaamde Diane B. niet heeft gebroken met haar moeder. Van kindsaf werd ze gepest, de jongste dochter, de creatieve. Het is een tweede wonder dat Diane daardoor geen breakdowns heeft gekend, en drie: dat ze de kwellingen heeft weten te verteren. De kwetsende bijnamen Mater Dolorosa, petite nature, kruidje-­‐roer-­‐me-­‐niet, Mademoiselle Nitouche en madame schrijnen zelfs bij de lezer na.
Berthe Moreels mag haar dochter dan de nagel aan haar doodskist hebben gevonden, het omgekeerde was het geval. Het was de moeder die dochter Diane het bloed onder de nagels vandaan haalde.

Ik ga hieronder geen uitgebreide vergelijkende studie maken van de schrijversmoeders die de jongste jaren in respectieve moederboeken opdoken, want Berthe Moreels was geen José Verbeke, de monter dominante moeder van Lanoye die Sprakeloos wordt. Berthe tatert en regisseert welsprekend tot op het eind. En evenmin is ze een Magadalena van der Giessen, de religieuze mam van Maarten ‘t Hart. De opstandige moeder van Adriaan van Dis (Ik kom terug) komt nog het dichtst in de buurt van Berthe Moreels, die ook doet denken aan de moeder van Doeschka Meijsing, die haar dochter stelselmatig kleineerde en haar “Libelleverhalen” maar niks vond. Kortom: allesbehalve een gemakkelijke tante, die moeder Berthe van Diane. Aan haar lijf geen Polonaise. Voor meer: lees Wat voorafging.

Zoals Diane zelf schrijft zijn eigenzinnige, opstandige moeders uiteraard meer geschikt als personage dan meegaande lieverds, en de literatuur mag blij zijn met dit nieuwe moederpersonage, maar toch zou je willen dat het fictie was geweest.
Denk niet dat Wat voorafging een literaire afrekening is. Het is niet te geloven, maar Diane Broeckhoven heeft veel liefde door de inkt gehaald en niet alleen door de inkt. Tot op het eind van het lange leven van haar moeder heeft Diane het principe van de onvoorwaardelijke liefde gehanteerd en onmenselijk veel geduld voor haar opgebracht. Het geduld van een boeddha.

Wat voorafging is een hunkerboek, de dochter hunkert tot op het sterfbed van de moeder naar een knuffel, een woord van liefde en appreciatie.
Het is pas de dode moeder die toestaat dat haar dochter haar hand vastpakt.
Berthe Moreels mag dan een dramaqueen zijn geweest, haar dochter is beslist een queen of drama.

Diane, van harte proficiat met het nu al historische Wat voorafging.
mc, 7 mei 2016

Waar ben ik?

Je ziet het archief van mei, 2016 om VrijdagBlog.