Professor Vanheeswijck over ‘Een man begraaft een boom’

17 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Presentatie 26 februari 2016, Antwerpen
door Guido Vanheeswijck

I

“Het mooiste gedicht is het gedicht dat genezen is van woorden. In Een man begraaft een boom brengt Shari Van Goethem geen begrippen bij. Niet de woorden, maar de beelden staan centraal. Aan de hand van deze beelden geeft ze inkijk in de complexe relatie tussen een man, een vrouw en een kind. Wie haar gedichten niet aanvoelt, wordt naar dezelfde doolhof verwezen, als waarin de hoofdpersonages zich bewegen.”

Op het eerste gezicht een vreemde presentatie van een dichtbundel. Hoe kunnen in een gedicht niet de woorden, maar de beelden centraal staan? Ik zou deze interpretatie daarom ook willen nuanceren. Ik zou willen laten zien dat Shari speelt en worstelt met woorden om ons zo beelden te tonen. Beelden via woorden. En ik wil dat doen aan de hand van een visie van een filosoof waarover Shari haar masterthesis heeft gemaakt, de Canadees Charles Taylor.

II

Shari Van Goethem zoekt naar wat de romantische dichter Percy Bysshe Shelley (1792-1822) ‘subtielere talen’ heeft genoemd. Tot ongeveer het einde van de achttiende eeuw, zo schrijft M.B. Abrams in zijn bekende studie The Mirror and the Lamp had de kunstenaar slechts een spiegel nodig om de werkelijkheid in al haar facetten weer te geven. Dood, verlies, rouw en pijn, wanhoop en hoop waren even aanwezig als vandaag. Maar ze konden worden geïnterpreteerd tegen een achtergrond van een mens- en wereldbeeld dat nagenoeg door iedereen werden gedeeld: een christelijke interpretatie van de geschiedenis, het sacramentele karakter van de natuur, de grote keten van het zijn, de analogie die er bestond tussen de diverse niveaus van de schepping, tussen de mens als een microkosmos en de wereld als macrokosmos, het geloof in een door God gegarandeerde onsterfelijkheid. De dichter kon als het ware onproblematisch een beroep doen op deze algemeen aanvaarde patronen om aan zijn eigen rouwproces, hoe individueel ook, een algemeen geldende betekenis te verlenen.

In de negentiende eeuw zijn deze wereldbeelden geleidelijk aan uit het bewustzijn verdwenen. De verandering van een mimetische naar een creatieve opvatting van poëzie ging hand in hand met de teloorgang van dit algemeen aanvaard referentiekader. Voortaan was een spiegel niet meer voldoende voor de dichter. Met een lamp gaat hij op zoek om in de chaotische werkelijkheid betekenis te vinden voor het verlies dat eigen is aan de menselijke eindigheid. Taal wordt nu veel meer dan een middel tot representatie; zij onthult via de creatie van symbolen onvermoede betekenissen in de werkelijkheid. Kortom, ze is niet langer alleen maar descriptief maar ook en vooral performatief. Dat betekent echter niet dat de dichter alleen maar de spreekbuis is van “zijn allerindividueelste emoties” en dat literatuur niet meer is dan een autonoom tekensysteem zonder enige verwijzing naar de buitenwereld. Het betekent wel dat de wisselwerking tussen taal en wereld complexer wordt. Als Rilke over engelen spreekt, heeft dat niet meer dezelfde zeggingskracht als bijvoorbeeld bij Dante. De werkelijkheid die ooit aan het gedicht voorafging en zich daarom leende voor imitatie, krijgt nu samen met en in het gedicht vorm via de creativiteit van de dichter.

Dat laatste, zo schrijft de Canadese filosoof Charles Taylor, geldt bij uitstek voor hedendaagse, post-romantische schrijvers. Alhoewel zij niet langer kunnen terugvallen op een algemeen erkende orde van betekenis en dus op het eerste gezicht dreigen te vervallen in een volkomen subjectivisme, laat een doorgedreven analyse van hun gedichten een meer genuanceerd beeld zien. Enerzijds is er het duidelijk subjectief aspect: de taal die zij hanteren is een zelf gekozen taal, waarin zij hun eigen gevoeligheid articuleren. Anderzijds – en dat wordt graag vergeten – is er ook een objectief aspect: via de taal creëren deze dichters een openheid op een diepere werkelijkheid (de geheimen van de menselijke natuur, de wederwaardigheden van het menselijk verlangen, de goddelijke werkelijkheid, de aantrekkingskracht van de machtswil, of wat dan ook). Doorheen hun articulatie van woorden manifesteert zich een werkelijkheid die deze woorden transcendeert.

Dit poëtisch taalgebruik, dit zoeken naar subtielere verwoordingen ziet Taylor dan ook als een hedendaags model om het eigene van de menselijke zoektocht naar zin en betekenis te articuleren. Tegelijk is hij zich terdege bewust van het precaire van deze onderneming: “Anders dan de verwijzingen in vroegere gedichten, waarvan de betekenis werd gegarandeerd door een algemeen aanvaard referentiekader (de keten van het zijn, de goddelijke geschiedenis en dergelijke), opent de moderne poëzie nieuwe paden, creëert zij nieuwe perspectieven op de werkelijkheid.” Maar, zo voegt hij eraan toe, die poëzie kan slechts resoneren voor wie er gevoelig voor is.

III

Laat me dit toepassen op de gedichtenbundel van Shari, waarin zij probeert de complexe relatie tussen een man, een vrouw en een kind te evoqueren.

  1. de worsteling met woorden:

niet het knopen voelt vreemd maar de woorden.
(…)

tussen de diepste kloven en de hoogste hoogten vliegen
vruchteloze vogels. groeien bomen
onuitgesproken. woorden die nog niet hebben genest

wat buiten beeld blijft
is hoe diep
(…)

  1. Spelen met woorden:

er is het kind dat kleeft. het schuim
dat samenklit. er is het weken in bad
blijven zitten.
(…)

  1. Gravende woorden creëren beelden:
  • de hand in zijn hand
  • overkant
  • gat, put
  • het onderweg zijn

de hand verdwijnt in zijn hand, de treden
onder zijn voeten. het enige waaraan hij
denken kan: de man en het moeten
de landkaarten die hij niet in kokers krijgt
het stratenplan dat ook niet buigt –
nu hij zich aan de overkant bevindt
van waar hij had willen zijn

(…)
drie meisjes hurken. omdat ze vrezen dat het punt
– waarop de man, de vrouw, het kind – op een rechte
lijn ligt. dat het onderweg, een verder weg
dat een gat, een put zal worden, waarin een man
zelfs geen boom wil begraven

(…)
in haar is er geen aankomst.  

Wel: een onderweg zijn.

Het altijd op weg zijn, breekbaar, tastend, tentatief: cf. Italo Calvino, Als op een winternacht een reiziger. Wellicht heeft de presentatietekst van de bundel het toch bij het rechte eind. Woorden doen zwijgen:

(…)
ze weet ze wankelt net dezelfde weg als die waarlangs
ze werd verlaten. maar ze houdt van deze straten. niet
om de voetpaden. wel om wie hier liep

onder onmogelijke beloftes is stilte de mooiste
(…)

(…)
als zou er zich op een dag
zomaar een kasteel

(cf. de beelden van wat er niets is: achter een deur, einde van een gang)

  1. En toch begraaft de man een boom (slotgedicht)

‘Kamelen waarmee je door alle woestijnen kunt gaan’ Bart Stouten over ‘De ziel surft offline’ van Frank Adam

14 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Kunstencentrum De Werf Brugge 3 maart 2016
Dames en Heren,
Niets had mij voorbereid op de schok van mijn jonge leven toen ik de drukproef van ‘de ziel surft online’ voor ogen kreeg.
Ik was al veel gewoon van Frank Adam, maar niet deze verpletterende manier om komaf te maken met de laatste trieste restanten van de aannames die mij weleens belagen wanneer ik op zoek ben naar een puntige opener van mijn dagelijks radio-programma.
Wat bijvoorbeeld te denken van het gebruik van het woord BEKLAD in ‘De schoonheid van een crisis wordt doorgaans BEKLAD door de oplossingen’. Je zou denken dat de oplossingen de crisis post factum juist bruikbaar en daardoor ethisch bevallig maken, maar om dan te lezen dat de gevonden oplossingen haar BEKLADDEN, dat is weer heel iets anders.
Elders heette het dat ‘stoere verhalen over sterke dranken op een slappe verbeelding wijzen van een zwakke persoonlijkheid’. Je zou toch juist stoere verhalen associëren met een STERKE verbeelding? Nee dus. Frank Adam wou mijn geest doen kantelen, daar was geen weg naast.
Echt verwonderd was ik niet. Ik had ook vaag gehoopt dat het zou gebeuren. Ik ken Frank Adam, zoals u allemaal, als de geniale poeet, filosoof, theatermaker en ook radioman die er enkele jaren geleden in slaagde om een hoorspelproductie te realiseren in onze radiostudio’s waar we nog steeds niet over uitgepraat zijn. Was hoorspel een no go-area geworden van uitgesleten cliché’s? Niets was minder waar toen Frank aan het roer zat. Hij betoverde een bomvolle zaal van luisteraars door het hoorspel tot een poëtische performance om te toveren, met een sfeervol decor van heel integer uitgedachte auditieve elementen, allemaal akkoorden in een unieke partituur waar niets aan het toeval was overgelaten, zelfs niet de ogenschijnlijk absurde ‘inserts’ die aan een soort surrealistische ‘écriture automatique’ deden denken, met alle associatieve spelletjes van cadavre exquis erbij. Ondertussen voerde Frank Adam, net zoals in zijn vijf fabelboeken vol tegendraadse verbeelding, de kunst van het fabuleren terug naar de mondelinge oorsprong van alle literatuur. Het effect was een verlevendiging, een opnieuw uitvinden van wat door jarenlange herhaling compleet uitgesleten was geraakt.
Net als alle grote literatuur zijn de teksten van Frank Adam, en beslist ook dit vademecum van gedeconstrueerde aforismen, een Telephus-speer. Telephus, dat is de zoon van Chronos die in de mythologie met zijn speer wonden toebrengt, maar dankzij het roest aan het uiteinde van de speer worden alle wonden meteen ook genezen. En dankzij die therapeutische kracht kan ik het boek missen, van zodra ik het uitheb. Het brengt een hele cognitieve wereld in mij weer in beweging. En zo herinnert Frank Adam mij eraan dat alle lectuur die ertoe doet de ontdekking is van een sensibiliteit. De sensibiliteit van een geniale auteur. Omwille van die sensibiliteit voel ik nu al de behoefte om hem te herlezen.
Je kan deze tekst, net zoals zovele vorige teksten van F Adam, als een uitvinding zien. Ze laten een scherpere blik op je binnenwereld toe. Het effect is even groot als wanneer je als jongeman ‘het lijden van de jonge Werther’ leest. De Roemeense filosoof Cioran heeft ergens gezegd: we zijn een beschaving van fictie die ons veranderen kan. Frank Adam illustreert in elk geval dat we fier kunnen zijn op die beschaving wanneer we daarover, zoals hij, al improviserend kunnen vertellen, niet zozeer badinerend als wel op een bevlogen wijze die nooit eerder gezien is, en zo ondertussen harten in beroering brengen en hoofden doen nadenken over wat we als de meest gewone vanzelfsprekendheden waren gaan zien.
Nee, niets is vanzelfsprekend in ‘De ziel surft online’. Het lichtende pad van Boeddha, Jezus Christus, grootmeester Yoda, de Franse moralist La Rochefoucauld, of de Duitse denker Arthur Schopenhauer, het lijkt alsof dat pad opnieuw wordt aangelegd, zoals sommige straten in de stad, zodat je ondertussen verplicht wordt nooit eerder bezochte wijken te bezoeken. En daar vind je dan alle rare muurslogans, stukgeslagen oneliners en binnenstebuiten gekeerde volkswijsheden; daar hoor je door de open ramen zelfs meditatieve podcasts voor tijdens het sterven, zijn zog. ‘Lied van de Longen’. Ik heb zelf op palliatieve afdelingen van klinieken al veel humor gespot, maar nergens hoorde ik tweets verstuurd worden naar het hiernamaals. Wél in deze tekst van Frank Adam. Overigens: u hoort het goed, ik gewaag van een tekst, deze tao van leven, liefde, seks, roem, rijkdom, depressie, zelfmoord en sterven in 300 en enige aforismen leest ook als een tekst, een verhaal, een heel leven-in-aforistische-episodes. Frank laat zien dat de genres niet stabiel zijn, dat de koan van de dertiende eeuw in Japan ook een koan in de 21e eeuw van Vlaanderen kan worden. Maar hun effect is nog steeds vergelijkbaar: de geest wordt gekanteld, de geest wordt beroofd van alle valse voorveronderstellingen, om een verloren openheid van denken weer te vinden. Mooier kan ik inderdaad het effect van de tekst van Frank Adam niet verwoorden.
Het ‘nieuw’ maken of worden van tekst is des te opmerkelijker omdat Frank Adam een filosofische reflectie beoogt van wat zich afspeelt op Internet. We zijn ermee vertrouwd geworden dat media als film en televisie veel meer onze voyeuristische neigingen bevredigden dan de geschreven teksten van voorheen. Internet leek nog een stapje verder te gaan, maar ontgoochelde ook vaak in het wereldwijd rondsturen van eeuwig dezelfde simplificaties en cliché’s. Die geest is alleszins in strijd met de geest van Frank Adam. In zijn reflectie op internet kopieert hij niet, maar deconstrueert.
In de geest van de Frans-Algerijnse denker Jacques Derrida probeert Frank Adam creatief commentaar te serveren bij alle vooronderstellingen in teksten en subteksten. Het verschil is alleen dat de filosofische deconstructie soms op het einde van alle creativiteit lijkt, terwijl Frank Adam net laat zien dat het een begin kan zijn. En wat voor een spetterend begin! Ik moest tijdens mijn lectuur vaak denken aan filosofisch-poëtische kattebelletjes in de semiotische geest van Roland Barthes: aantekeningen levendig en luchtig en toch ook to-the-point over 1001 onderwerpen, waarbij ‘alles wat valt als een blad’ (zoals Roland Barthes dan zegt) een kans krijgt.
Maar het ene blad is het andere niet, weten we wanneer we al eens grasduinen in de aforismen die her en der gebundeld worden. Het probleem met het aforisme is de vaak monolithische onweerlegbaarheid. Een goed aforisme heeft iets van een akelige man uit een altijd-gelijk-club. Een goed aforisme stinkt naar macho bravado. Het is moeilijk om het nIét eens te zijn met zo’n aforisme. Ik ben het vaak eens met de VORM van het aforisme: dat is waar het uitstekende aforisme in uitmunt, eerder dan in de INHOUD. Hier maakt Frank Adam het verschil: zijn vorm is altijd opmerkelijk en onberispelijk, daarom alléén al genietbaar, maar hij draait en wentelt bovendien op een uitermate originele manier de inhoud, hij zorgt ervoor dat we uit onze dommel wakkerschrikken om even tegen onszelf te zeggen: zo had ik het nog niet eerder gezien.
Die aantekeningen troosten niet zomaar, ze zijn niet zomaar een EHBO bij een moreel ongevalletje. Ze willen de schrandere lezer ook een soort samenlevingscontract schenken. Ze hebben (uiteraard op een wijze die helemaal past bij de 21e eeuw) de grootse ambitie van verlichtingsdenkers als Jean-Jacques Rousseau, Voltaire, Diderot en d’Alembert. Beide laatsten wilden met hun Encyclopédie het concept van kennis zélf veranderen. ‘De ziel surft online’ slaagt daar volgens mij ook in. Het kennistheoretisch episteem dat wij dagelijks hanteren komt in vraag te staan. Dat kun je van maar heel weinig boeken zeggen. Een ander episteem komt in de plaats van het uitgeholde neoliberale systeem, waar alles moet gelabeld worden, en elk label moet opbrengen. Ondertussen zijn de tekstjes van Frank Adam behalve kritisch ook uitermate grappig, ze zijn bovendien bezwangerd van passie en hebben het in zich om de meest koele kikkers te provoceren.
Maar er is vooral de humor. Het geheim van alle humor is natuurlijk de verrassing. Frank Adam laat zien dat humor en geduld – geduld bij het schrijven, bij het lezen, bij het toepassen in uw leven van wat u gelezen hebt – dat humor en geduld de kamelen zijn waarmee je door alle woestijnen kunt gaan.
Een mooiere abdicatie van alle negativiteit en onverschilligheid die ons vandaag omringen is niet denkbaar.
Wat ik al niet geleerd heb terwijl
ik door de drukproeven van DE ZIEL SURFT OFFLINE bladerde. Ik kreeg advies voor wijs bankieren, en werd eraan herinnerd dat ik als ervaren lener mijn bank kon binnenstappen met de flair dat mijn lening de bank krediet verleent. Dat is niet eens gelogen, maar zo had ik het nog nooit ‘gezien’. Het is een logica waaruit talloze aforismen van Frank Adam hun charmante wijsheid putten, en die ze zoveel rijker maken dan de sympathieke woordspelletjes die ze blijken te zijn. Rijker, ja, c’est le cas de le dire in deze bancaire context. En over rijk gesproken, Frank herinnert me er ook nog aan dat als je je het saldo van je bankrekening zelfs niet bij benadering kan herinneren, wat in mijn geval ALTIJD zo is, dan mag je je rijk noemen. Wat een heerlijke troost. Dankzij het boekje van Frank weet ik nu dat ik steenrijk ben. Ik, die dacht dat ik doodarm was. Frank Adam gelooft duidelijk niet in aaalmoezen, wel in het emanciperen van mensen van onderuit.
Welk brein ontwart onze verstrengelde gedachten uit het wereld wijde web? vraagt Frank Adam zich af, midden in dit boek voor een ziel die offline surft. Dames en heren, ik denk dat de auteur hierbij aan zichzelf dacht. Hij heeft in elk geval mijn gedachten aardig op een rijtje gekregen. Het rijtje dat mijn bewondering is voor hem. U voelt dat ik het einde van mijn eerbetoon nader, en afsteven op wat de Engelsen ‘a round of applause’ noemen.
Want ja, ik wil Frank nu ‘toto corde’ feliciteren met zijn fantastische uitgave. Het smaakt als een laat zondags ontbijt met pistolets, croissants en chocoladekoeken. Het is gezond als een veggiebroodje met tuinbonenpasta. Je vertering zal versneld worden, je ontlasting zal een stuk aangenamer verlopen. Ik weet wel zeker dat dit boekje een onvoorspelbaar boeiend leven gaat leiden in Vlaanderen. Het boek is geboren. Luister naar een ontroerend mooi gekrijs.

Bart Stouten

Will Verhegghe over ‘Zekerheden’

14 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Sint Niklaas 19 februari 2016

Zekerheden: komen ze met de jaren,
wegen ze op onze schouders als roestige kennis,
duwen ze ons met onze neus op het ongenadig en onstuitbaar ouder worden ?
We weten hoe dan ook sneller waar we aan toe zijn, Bart, zoveel is zeker,
in ons hoofd en lijf en in onze pen sluipt de zekerheid naar binnen
die ons zegt dat onze langste dagen geteld zijn.
Maar we blijven leven, blijven schrijven, soms tegen beter weten in,
meestal in het besef dat we moeten verder doen willen we blijven……….leven.
Het openingsgedicht van de bundel is een gedicht
over vader dat ik je ooit hoorde voorlezen.
Ik werd er stil van, mijn eigen vader kwam
er zelfs een beetje door uit zijn graf gekropen,
net zoals de dode uit zijn kist in het macabere schilderij van Antoine Wiertz
dat je in het al even sombere tegen
het Leopoldspark aanleunende Brusselse museum
waar Conscience conservator was en stierf kan bekijken,
bewonderen is hier niet het juiste woord.
Je vader, Bart, de man die jij zelf
steeds meer wordt, zijn reïncarnatie bijna.

Van je papa duik ik in een vijvergedicht
waar je liefde voor en kennis van de natuur
met sierlijke karpersprongen boven water komen en je de zwarte pluimen
van de meerkoeten in het wit van hun taterende bekken projecteert, een verademing
in het rustverstorend kabaal van de ontwakende morgen,
de ronkende motoren, de stank der uitlaatgassen, de waan van de dag.
Heel even kom je me in de wielen rijden en
ga je zowaar Tour de France-gewijs koersen,
claim je mijn klimmersidool Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo,
jij hebt intussen wel je fiets al aan de haak gehangen,
ik kocht me recent nog een nieuwe Eddy Merckx
om mijn oude knoken het knarsen af te leren.
Wat niet lukt natuurlijk, gekraak alom, opspelende pezen,
snot voor de ogen, het terugkerende epo, ooit uitgever van mijn roman,
ik koester zelf nog de droom genaamd Stelvio ,
een finale klim naar mijn extreme koersliefde.

Je waagt je ook aan zelfportretten,
verbale paintings in pure Van Gogh-stijl,
ik denk hier spontaan aan een vers van Karel Jonckheere
die het had over ‘wie veertig wordt zal zich zelve kennen
want anders is het beter dat hij sterft’.
Maar ken jij jezelf wel, beste Bart, zit je niet in mijn schuitje
dat wankel op woeste zeeën tracht boven water te blijven ?
Ik ben bijna zeventig en nog elke nieuwe dag op zoek naar mezelf,
een bezigheid die arbeidsintensief is en me voor een stuk jong houdt.
Blijven doen, dus, Bart, jezelf ontdekken,
vertrouw zeker het al te gratuite spiegelbeeld niet,
zoek tot in je diepste binnenste om vast te stellen dat de put
die we voor onszelf graven nooit diep genoeg zal zijn.
Misschien kan het lief-zonder-schaduwzijde je daar bij helpen,
om uit je eigen schaduw te treden, het volle licht tegemoet.

Zalig dan weer hoe je in Wales mijmerend aan het klimmen gaat,
je deed er dus best aan om geen bubbelbad te nemen en
op zoek te gaan naar het mysterie van de Cader Idris,
een berg die mijn beklimming van de Snowdon
in de zelfde Welshe buurt levendig in herinnering brengt,
ik sliep er een paar nachten in een desolaat
maar prachtig old fashioned hotelletje
waar beeldschone blonde blauwogige Deense meisjes opdienden en
waar de grote Sir Edmund Hillary heeft verbleven toen hij zich
op de nabijgelegen Snowdon voorbereidde op zijn Himalaya-avontuur,
je ruikt er nog de geurloze hoogte van de Everest,
je ziet de zwoegende sherpa’s,
het klimmersgerief van Hillary hangt er als scapulieren
van een of andere heilige in karig verlichte vitrinekasten,
relikwieën van de eenzame en dodelijke hoogten.

Wat verder slaag je er dan weer in om
een studentikoos vers op papier te zetten
waarin bier en grote onderscheiding een wondere mix vormen,
meteen daarna daal je af in de onderaardse geschiedenis
van een kerkhof in Firenze
waar je Pinocchio’s lange neus tegen het stevig liegend lijf loopt
in de figuur van zijn geestelijke vader Carlo Collodi
die er eeuwige sprookjesrust heeft gevonden en er waarschijnlijk
geregeld een kaartje legt met Walt Disney die zijn Pinocchio
in sublieme beelden tot cinemaleven heeft geroepen.
En als de last van het ouder worden je te zwaar wordt en
je het teveel aan vroeger en het tekort aan later verfoeit
ga je best wat troost zoeken in de kern die zal overblijven:
liefde en twee oude lijven.

Je loopt even op mij vooruit in vijf sfeervolle gedichten over Lesbos,
het eiland waar Europa zich momenteel van zijn beste kant laat zien,
de arme Grieken stikken er in de toevloed van vluchtelingen
die -stel je voor- zo eens op onze bloedeigen kust tussen De Panne en Knokke
zouden moeten aanspoelen, het kot zou te klein zijn,
de lokale gouverneur en burgemeesters schreeuwen nu al moord en brand en
er is niets aan de hand, onze vetbetaalde politici verdringen zich de laatste tijd
in hun drukke en haast gelijklopende push back-dromen.
Binnenkort trek ik er zelf naar toe, Bart, naar Lesbos,
en heus niet als ramptoerist maar om er humane signalen op te vangen en
oude vriendschappen te bezegelen.
Van het tragische en arme Lesbos vaar je op de golven van Sappho
noord-westwaarts naar de Noord-Franse kust
om er in het Somme-dorp Ault
met het wit van de krijtrotsen in het gele zand een gedicht te schrijven.
Om daarna weer helemaal en met beide voeten op de grond te blijven
in een paar verrassende grootvadergedichten waarin je op je hoede bent
voor de valstrikken van de jeugd, de moeilijke vragen,
de verwachtingen van jonge mensen in hun opa
die met open mond naar hen kijkt en luistert en
dikwijls het verwachte antwoord schuldig moet blijven.

Wat me ook opvalt is dat je net als ik de kraaien van Van Gogh
hoog in de lucht van je poëzie laat opdraven, ikzelf heb dat
meerdere keren gedaan in mijn gedichten en telkens weer
heeft het iets dreigends en ga ik tot die beeldvorming over
wanneer alles me wat te zwaar en te zwart wordt,
bij jou zie ik in dat beeldgebruik eerder een streven naar hoger,
naar, zoals je zelf schrijft, het dak van je torenhoog verlangen.
Misschien moet je dat verlangen dan maar laten uitmonden in de liefde
die je opnieuw uitvindt en waarbij je best het verleden opdoekt,
het verleden dat gesprekken nekt wanneer je het te fel oprakelt.

En laat je zeker niet klein krijgen door hartritmestoornissen, beste Bart,
verstoor en verstrooi ze, geef ze geen kans om het ritme
uit je leven te halen, ga niet ten onder
zoals een kanarie bij een weinig mijngas,
verban de oude man in jezelf, ja,
je schrijft het zelf: gun hem zijn grillen niet,
geef niet aan hem toe en ontken keuvelend en lachend de dood.
Om dat alles waar te maken leun je best aan bij je geliefde en
fluister je haar deze paar eigen wondere woorden in het oor:

‘ontsteek de dag

en laat mij zien

wat ik nooit zag’.

Ik wens je nog veel liefde, nieuwe dagen en wondere onbekende dingen en ervaringen toe, beste Bart.

En hou zeker niet op met dichten, laat dat een van jouw en ook onze zekerheden zijn.

willie verhegghe

Geerdt Magiels over ‘Ingewikkeld’, Museum M – 7 maart 2016

9 maart 2016 § Een reactie plaatsen

De psychiatrie in de krant, twee recente koppen:

“filmfestival Offscreen focust op psychotische vrouwen”
dS woensdag 2 maart 2016
Het festival toont dat er een behoorlijke lijst is van vrouwen die doordraaien in films. Horrorfilms die de vrouwelijke psyche verkennen. Onder de titel “Driving miss crazy” Het blijkt de gaan, voor zover het artikel het beschrijft, om vrouwen die van slachtoffers (van seksueel geweld) ook daders kunne worden De stoppen slaan door nadat ze tweemaal verkracht werd. Verder wordt vermeld: kleptomanie en een fobie voor de kleur rood.

“lekker schizofreen”
dS dinsdag 23 februari 2016
AF Vandevorst in Londen: ze heeft het over de kleerkast van de vrouw die ze graag kleedt. En daar speelt ze met schizofrenie. Formeel en casual, als twee kanten van de medaille, maar ook mannelijke archetypes versus vrouwelijke, of de zorgende moeder en de hardwerkende vrouw in één. De garderobe straalt doe mix uit: jeans en mooie jassen, sportbroek en avondjurk.

HMV

Dit soort berichtgeving, waaruit een groot wetenschappelijk en maatschappelijk onbegrip spreekt, is de reden waarom wij twintig jaar geleden Het Mis Verstand oprichtten. Wij dat zijn: Marc De Hert, Erik Thys en Sabien Wyckaert en ikzelf. Drie psychiaters, waarvan een artistiek getalenteerd, en een bioloog/filosoof die kon schrijven.
We waren begaan met het lot van de vele mensen met problemen met hun geestelijke gezondheid en we maakten ons haast nog meer zorgen om de manier waarop daar door de omgeving en de samenleving gereageerd werd. Wij zouden dus het psychiatrisch stigma bestrijden.
Dat hebben we gedaan we op het raakvlak van kunst en psychiatrie. Het Mis Verstand heeft patiënten gesteund in hun kunstzinnige uitingen, poëzie, beeldende kunst, muziek. HMV produceerde de cd Psychoasis met songs van en door patiënten en een aantal boeken zoals Het geheim van de hersenchip (een zelfgids voor mensen met psychose), Alles of Niets (een zelfgids voor mensen met bipolaire stoornis) en Over mijn lijf (een praktische handleiding in de patiëntenrechten). Psycho-educatie was een belangrijk middel om mensen, met of zonder psychische problemen, inzicht en kennis te geven over wat er aan de hand is. Angst voor het onbekende en onbegrip over de realiteit van wat zich in lichamen en zielen afspeelt vormen de voedingsbodem voor stigma.

Het probleem is er de afgelopen 20 jaar niet echt veel beter op geworden. Er is moeizaam wat vooruitgang geboekt, maar het probleem van de geestelijke gezondheid en dito zorg is nog steeds urgent.
Het stigma begint weliswaar langzaam af te kalven, ook dankzij de niet aflatende inspanningen van organisaties zoals Te Gek, het Museum Guislain of de Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid.

De urgentie van het probleem

Eén op vier mensen krijgt vroeg of laat af te rekenen met min of meer ernstige psychische problemen. 1 op 100 wordt vroeg of laat getroffen door psychose. Die problemen gaan soms vanzelf weer over maar ze kunnen ook heel lang aanslepen. Over de periode van een jaar kampen ongeveer 700.000 mensen met een psychisch probleem. Dat komt bijna overeen met de totale bevolking van de twee grootste Vlaamse steden, Antwerpen en Gent, samen.

De resultaten zijn drastisch: lagere levensverwachting, groot aantal zelfmoorden, wordt over de generaties doorgegeven, zorgt voor (kans)armoede en isolement, leidt dikwijls tot lichamelijke aandoeningen.

In België ziet 46% van de personen met een ernstige aandoening een arts, maar krijgt geen medicatie noch therapie. 25% krijgt enkel medicatie en 3,8% enkel therapie. De voorkeur voor medicatie boven therapie is deels ook kostengedreven. De benadering van medicatie en therapie, die de norm zou moeten zijn, komt niet overeen met de realiteit. De lange wachttijden, die kunnen schommelen van een maand tot een jaar, worden ook door de overheid bevestigd.

Er is een duidelijk verband tussen psychische problemen en de socio-economische status: 72% van de personen die beroep doen op een OCMW of CAW (Centrum Algemeen Welzijnswerk) ervaren een toestand van psychisch onwelbevinden. 3/4 van mensen in armoede (en dat is 10-15% van de bevolking) heeft psychische problemen.

Deze onderbehandeling is het gevolg van een cascade van barrières. Slechts 1 op 3 personen zoekt professionele hulp. Het is bijvoorbeeld illustratief dat binnen welzijnszorg slechts 9% zijn psychische problemen bespreekt. 31% weet niet waar ze hulp kunnen vinden. 15% zoekt geen hulp omwille van het prijskaartje. 32% stelt het zoeken van hulp uit omwille van financiële redenen.

De geestelijke gezondheidszorg is de assepoester van de gezondheidssector, zoals Guy Tegenbos het treffend verwoordde: ondergewaardeerd, zelfs miskend en vernederd. En vruchteloos en uitzichtloos wachtend op ene prins die haar komt kussen.
Er zijn te weinig psychiaters want ze behoren tot de slechts betaalde. Er worden er te weinig opgeleid, psychologen en psychotherapeuten wil de samenleving voorlopig nog helemaal niet terugbetalen, waardoor ze extra duur worden voor zij die dat niet kunnen betalen.
Omdat niemand er het centrale belang van ziet is het hele veld versnipperd over federaal en deelstaten, over ziekenfondsen, riziv, beroepsorganisaties, vakbonden en andere belangen, zoals die van de farmaceutische industrie.
Het ergst is dat voor de patiënten en hun naasten.
Gezien de cijfers zijn wij daar allemaal bij. Vroeg of laat worden we er allemaal mee geconfronteerd, zo niet bij onszelf dan bij iemand waaraan we verwant zijn of die we kennen.

INGEWIKKELD

Een van die mensen heb ik leren kennen. Hij zette een tentoonstelling op met zijn beeldend en conceptueel werk in het psychiatrisch centrum waar hij was opgenomen geweest. Dat was Sven. Hij voelde zich goed genoeg om op die manier met zijn ziekte naar buiten te komen en het idee groeide om daar een boek over te maken. Hij had het stigma aan de lijve ondervonden en was vragende partij om zijn verhaal te vertellen. Het lag helemaal in de lijn van HMV: patiënten zelf laten spreken, de realiteit van de psychische ziekte van binnenuit laten spreken, omkaderd met het brede verhaal van de psychiatrie, van wetenschap en zorg, van hersenen en gedrag, van therapie en samenleving, van waanzin en creativiteit.

Ik ben heel blij dat het boek hier nu ligt. In de allereerste plaats omdat Sven (en zijn partner) er blij mee zijn. Het is een verhaal over kwetsbaarheid en ik ben blij dat ik het op zo een manier heb verteld gekregen dat zij er zich in alle complexiteit en verwardheid, in herkennen en er zich vooral ook veilig en gerespecteerd in voelen.

Zoals Sven erin geslaagd is om dankzij zijn beeldend werk zijn waanzin gestalte te geven en daardoor ook te beheersen, zo denk ik dat ook het vertellen en kneden van zijn levensverhaal in deze vorm hem geholpen heeft zijn geschiedenis een plaats te geven. Ook dat is een reden waarom ik blij ben met dit boek. Ik hoop dat het anderen ook op gelijkaardige manier zal kunnen helpen.

Ik ben ook blij dat het ons gelukt is om te laten zien hoe psychische aandoeningen uitvergrotingen zijn, extreme varianten van de gewone natuurlijke eigenschappen van de menselijke geest. Het verhaal van Sven is ontzettend herkenbaar, ondanks het feit dat het ook heel eigen typisch Sven is en niemand anders kan zijn. Ik hoop dat het zo een brug van begrip kan slaan tussen de mensen met psychische problemen en die zonder. De grens tussen normaal en abnormaal, tussen zin en waanzin is soms heel dun. Zonder daarbij te vervallen in de boutade dat wij toch allemaal een beetje gek zijn. Dat zijn we namelijk niet en echt gek zijn is verschrikkelijk.

Ik hoop ook dat ons boek een grote en belangrijk vraag kan oproept en levend houden: Hoe kunnen we werken aan een samenleving met meer geestelijke gezondheid?
Daar is nog veel en van alles bij nodig, maar één ding is zeker, van dat psychiatrisch stigma moeten we echt vanaf. Dat is waar Sven en ik graag voor gaan. Daarom is het fijn te weten dat dit boek de opmaat is tot de nieuwe -op psychose gerichte- campagne van Te Gek die straks wordt voorgesteld.

Dat verband en nog vele andere verbanden laat ik Sven zelf leggen. Op zijn manier. Hij kan beter dan wie ook laten zien hoe ingewikkeld het allemaal is.

Waar ben ik?

Je ziet het archief van maart, 2016 om VrijdagBlog.