Patrick Conrad in het stadhuis ‘Conrad 70’

9 september 2015 § Een reactie plaatsen

Beste vrienden, dames en heren,

Dit statig huis is mij niet onbekend. Driemaal trad ik hier, omringd door bladgoud en oude meesters, in het huwelijk. Daarom is dit bombastisch, leugenachtig decor voor mij niet alleen met herinneringen overladen, vandaag is het ook bevolkt met ontelbare, opgedirkte, feestende en ontroerd glimlachende spoken uit mijn verleden.

Want wie tegen alle verwachtingen in mijn onwelvoegelijke leeftijd bereikt, sleept helaas wat men een verleden noemt achter zich aan. Ik noem het eerder een verhaal. Omdat men op een verhaal niet kan terugblikken en ik liever door de voorruit kijk naar wat eventueel nog komen moet dan in de achteruitkijkspiegel naar wat in het stof verdwijnt en in de vergetelheid vervaagt.

Maar nu ik hier toch, als de verloren zoon, als een verlegen verrader maar vooral als een dankbare, berooide dichter op dit Schoon Verdiep voor u sta, is het alsof zich een bilan aan mij opdringt. En die is gauw gemaakt. Het is niet weinig en het betekent niet veel : twintig films, vijftig tentoonstellingen, vijfenveertig boeken. Een stuk of wat geweldige dagen, donkere momenten van groot verdriet, dode dichters die mij tot aan de rand van de afgrond zullen achtervolgen, en nu en dan, als een bevende kaarsvlam in de nacht, een opwelling van onzeker welbehagen onder de warme vleugel van een wakende vrouw.

Een halve eeuw lang heb ik, zonder één dag af te wijken, stijfhoofdig en eigenwijs, slechts één doel nagestreefd : als een vrije man door het leven te gaan en zonder toegevingen, zonder aan de verleiding van de populariteit of de lokroep van het geld en het oppervlakkig succes toe te geven, aan een eigenzinnig, versplinterd en dus moeilijk te klasseren œuvre te sleutelen. Woord na woord, beeld na beeld, in de grootste afzondering en los van alle modes, dogma’s en dictaten. Doof voor het gejank van de critici, of onverschillig luisterend naar het vonnis van verre rechters.
Maar die vrijheid heeft een prijs. Wie voor haar kiest en haar weet te veroveren en te koesteren, loopt het risico te sterven zoals hij geboren werd : naamloos, huiverend, huilend en naakt.

Ik weet dat het de saaie gewoonte is, wanneer iemand gevierd of gelauwerd wordt, dat zij of hij een eindeloze reeks mensen bedankt voor hun steun, hun geduld, hun vertrouwen of zelfs hun vriendschap. Een melopee die ik u vandaag wil besparen omdat ik mijn vrienden steeds uit bewondering heb gekozen en de lijst te lang zou zijn. Daarom zal ik mij beperken tot één overlevende die als symbool zou kunnen staan voor al diegenen die na hem mijn weg gekruist hebben en sporen achterlieten, met name Henri-Floris Jespers, mijn oudste vriend.
Hij was de fascinerende schoolkameraad die mij de juiste dingen leerde lezen, die mij tijdens onze atheneumjaren introduceerde in de literaire wereld van Saint-John Perse, Genet, Cocteau, Van Ostayen, Mallarrmé, Montherlant, Capote, Neuhuys, Pound, Kloos of Burssens. Hij werd dan ook de uitgever van mijn eerste gedichten die we in 1963 in het atelier van zijn grootvader Floris Jespers in aanwezigheid van fiere moeders en een halve journalist ten doop hielden. Daarna bleef Henri mij aanmoedigen en verdedigen, met alle gevolgen vandien. Vanaf de jaren tachtig liepen onze wegen geografisch uit elkaar. Om professionele redenen of gewoon omdat ik mijzelf steeds vaker, achter een onbereikbaar geluk aanhollend, in warmere contreien terugtrok. Maar voor mij bleef hij al die lange jaren als een verre zielsbroeder in mijn hoofd spoken en als ik hier vandaag, na zoveel oorlogen, na zoveel landschappen, na zoveel hoofdstukken tot u spreek en wat meer, als u hier vandaag nog naar mij luistert, dan heb ik dat in de eerste plaats te danken aan mijn vriend van het eerste uur.

Ik droomde onlangs dat ik mij afvroeg wat het leven mij geleerd had.
Het antwoord was : niet veel. Tenzij dat de tijd er is om gedood te worden, en niet meer dan een waanbeeld is en men met de jaren alles dusdanig gaat relativeren, dat wat vroeger dramatisch leek plots als onbelangrijk overkomt. Dat de vergankelijkheid het meestal haalt op de creativiteit en de verwachtingen. Dat in een wereld waarin de domheid denkt, het fanatisme hoogtij viert en het geweld gebanaliseerd werd, waarin vervlakking en intellectuele luiheid als norm gelden, elk streven naar kwaliteit uiteindelijk als een daad van verzet overkomt. Dat wie geen sporen achterlaat snel vergeten wordt en wie dat wel doet evenzeer. Want daar komt het uiteindelijk op neer : vergeten worden is nu eenmaal erger dan doodgaan. Er bestaat geen groter liefdesverdriet dan de dood.

Wat blijft mij dus te doen om met de vereiste panache dit leven af te ronden en ik, nu het elegante feest voorbij is, de dood de deur niet meer kan uitdansen?
Tot mijn krachten het begeven, tot mijn grijzende liefde mij de ogen sluit, blijven twijfelen, blijven schrijven en schrappen, in de hoop dat ene mooie verhaal, die ene exquize zin, dat ene onbereikbare vers te neer te pennen waar ik een leven lang achter aanliep. En blijven liefhebben, door weer en wind, zonder de dagen noch mijn littekens te tellen. En verwonderd naar de wereld blijven staren, wanneer ‘s morgens het daglicht als een schuine balk de kamer binnenvalt en mijn bed baadt in glorie en geluk.
Meer hoeft het niet te zijn.

Ik dank u.

Waar ben ik?

Je ziet het archief van september, 2015 om VrijdagBlog.