Joris Gerits over ‘Voet bij stuk’ van Joseph Pearce

28 mei 2015 § Een reactie plaatsen

De zondvloed, 21 mei 2015

Beste lezers van goede boeken, die hier in overvloed aanwezig zijn in de ark van Johan, waar het altijd goed schuilen is als de zondvloed van de vermarkting van de literatuur en de verloedering van de cultuur ons dreigen te overspoelen.
Wat moeten we dan doen? Voet bij stuk houden op de manier waarop Joseph Pearce het ons, lezers, voorhoudt in zijn nieuwe roman met de gelijknamige titel.
Laat mij eerst drie extra-literaire redenen aangeven waarom ik het hele oeuvre van Joseph in het algemeen en Voet bij stuk in het bijzonder waardeer.
Ten eerste: Joseph en ik zijn Vilvoordenaars. Ik ben er geboren en heb er gewoond van 1943-1950, Joseph is er geboren in 1951. Dat verklaart waarom wij aan elkaar niets kunnen ‘refuseren’, altijd op onze qui-vive zijn en nooit naar een stoet gaan kijken, maar wel naar een ‘cortège’. We zijn dus ook ‘pjerrefretters’, paardevleeseters, zoals de titel in onberispelijk Nederlands luidde van een verhalenbundel van Ward Ruyslinck, die precies een halve eeuw geleden werd gepubliceerd.
Ik verdenk Joseph ervan, maar kan niet bewijzen dat hij het bewust gedaan heeft, dat hij naar zijn Vilvoordse roots verwijst wanneer hij de lesbische dochter van het hoofdpersonage in Voet bij stuk, de weduwe Emma Kranenburg, samen met haar vriendin een paardenfokkerij in Argentinië laat uitbaten.
Een tweede band tussen Joseph en mij is onze passage bij de jezuïeten. Voor mij mag je dat nogal letterlijk nemen, ik ben acht jaar gevormd in hun klooster en studiehuis en was nadien mijn hele actieve loopbaan verbonden aan hun universiteit, UFSIA, die tien jaar geleden opgegaan is in de UA.
Joseph Pearce is, ik weet niet hoeveel jaar precies, leraar Engels (en nog andere vakken?) geweest aan het prestigieuze jezuïetencollege op de Antwerpse Frankrijklei. Wie daarover meer wil weten raad ik aan zijn roman Schoolslag (2011) te kopen, ongetwijfeld nog in voorraad in De zondvloed en anders zeker nog te bestellen. Met groot vertelplezier en evenveel humor beschrijft Joseph in Schoolslag het proces van de overgang van het traditioneel onderwijs met de leraar als centrale figuur in de kennisoverdracht, naar de onderwijsvorm waarin van de leraar verwacht wordt dat hij een coach is, een manager van informatiezoekprocessen, een aanstuurder van competentiegericht onderwijs. Wat Schoolslag met Voet bij stuk gemeen heeft, is dat ze beide knappe satirische romans zijn. In Schoolslag wordt de, op zijn zachtst gezegd, ongunstige evolutie in de onderwijswereld op de korrel genomen. In Voet bij stuk wordt met scherp geschoten op de uitgeverswereld.

Een derde reden waarom ik mij aangesproken voel door zijn nieuwste roman is niet louter extra-literair. Het betreft de titel Voet bij stuk. Dat is een uitdrukking die hetzelfde betekent als ‘standvastig’. En laat dat nu uitgerekend ook prijken op het wapenschild van Mechelen: ‘In fide constans’, ergens in de jaren negentig vernederlandst tot ‘In trouwen vast’.
Ik kan natuurlijk niet bewijzen dat dit geen toeval is, maar om in Mechelen Voet bij stuk te gaan presenteren vind ik bijzonder slim, zowel van de auteur als zijn uitgever.

In het 22ste hoofdstuk van Voet bij stuk staat volgende dialoog tussen Emma, de hoofdredacteur en directiesecretaresse van de gerenommeerde uitgeverij ‘Opperman & Winterberg’ (O ampersand W) en Barbara, de minnares van de uitgever die door hem gekatapulteerd is in de directeursstoel . Zij is een manager type voor wie alleen de commercie telt.

‘Wat is voor jou het ideale boek, Emma?’
‘Literatuur van de hoogste kwaliteit, esthetisch beklijvend en inhoudelijk zielverheffend.’
‘Fout antwoord’. Het ideale boek is een boek van een topvoetballer die een thriller schrijft met als hoofdpersonage een kok die met recepten strooit, elke dag een seksbom berijdt en intussen moordenaars klist.’
Kees ’t Hart, zelf romanschrijver en literatuurrecensent in De Groene Amsterdammer, publiceerde in 2007 De kunst van het schrijven. Daarin staat een paragraaf met het kopje ‘Bestsellercultuur’, waarin de definitie van het ideale boek volgens manager Barabara bevestigd wordt..
Auteurs, merkt ’t Hart op, moeten succesvolle boeken schrijven, optreden in praatprogramma’s op tv, meedoen aan quizzen. Ze kunnen het best ‘gewoon een goedverkopend boek schrijven. Kwalitatief goed hoeft dat niet te zijn, want in de glamourwereld van de cultuur is wat goed verkoopt altijd beter dan wat goed is en niet goed verkoopt. […] Verkoop, kwantiteit dus, als kwaliteitscriterium.’ (p. 18)
Die mentaliteit wordt door Joseph Pearce in Voet bij stuk genadeloos gefileerd en aan de kaak gesteld in stilistisch fraaie zinnen, zoals: ‘Van fijn stof krijgen we kanker en hartziekten. Van slechte boeken vervallen we in geestelijke armoede en dreigt de hersendood.’ (p. 20) en ook in goed onderbouwde, overtuigende en heldere betogen. Zoals:’ Een uitgeverij verschilt hemelsbreed van andere bedrijven. We werken niet met mensen, we werken voor hen. Ze rekenen op ons. Ze zijn niets zonder ons.’ legt Emma uit aan de literatuurongevoelige Barbara, die daarop repliceert met ‘Een uitgever verkoopt boeken, dat is alles. Net zoals een zeepzieder zeep verkoopt en een bakker brood.’ Een stelling die Emma volledig verwerpt:
‘Wanneer ik een stuk zeep koop, koop ik niet de man of de vrouw die de zeep heeft vervaardigd. Wanneer wij een boek kopen, kopen we een mens. Niet zomaar de eerste de beste mens, maar iemand die ons de weg naar een betere wereld wijst. Zulke mensen zijn niet van vlees en bloed gemaakt, maar van dromen en idealen.’

Behalve uitgeversportretten, schildert Joseph Pearce in Voet bij stuk ook het portret met licht- en schaduwkanten van de auteur als letterarbeider. Of dit ook een zelfportret is, moet Dirk Leyman hem straks misschien eens vragen.
In een meditatief moment overweegt Emma het volgende: ‘Ik denk niet dat God een wonderlijker wezen dan de letterarbeider heeft geschapen: het is zowel teergevoelig als dikhuidig, volgzaam als weerspannig, verward als klaarziend, geremd als kordaat, misantropisch als sociabel, goedhartig als zelfzuchtig.’ (p. 17) Als ze het manuscript toegestuurd krijgt, dat een zeer belangrijke rol zal spelen in de plot van de roman, waaraan een begeleidende brief is toegevoegd, leidt Emma, gesteund door haar boek over grafologie, uit het handschrift af dat het toebehoorde aan een man ‘die zowel fijnbesnaard als onbeschoft was, zowel ambivalent als scherpzinnig, zowel schuchter als stoutmoedig, zowel onbetrouwbaar als fideel, zowel goedaardig als kleinzielig, zowel hooghartig als nederig. Boudewijn Bogaard (zo heet de auteur van het manuscript)was een gespleten persoonlijkheid: een geboren schrijver dus, een kunstenaar in hart en nieren.’ (p. 32)
Een belangrijke rol is in Voet bij stuk ook weggelegd voor de recensenten. Voor Emma zijn recensenten dubbelagenten. ‘De ene keer zwaaien ze een auteur wierook toe, de volgende keer planten ze hem een mes in de rug. Alles in naam van hun ongebondenheid, hun onafhankelijkheid. Sommigen zijn huurmoordenaars. Die krijgen van kranten en tijdschriften formeel de opdracht om een boek de grond in te boren of de reputatie van een auteur op te blazen.’ (p. 60)
Voor Barbara daarentegen zijn recensenten een zegen, zowel voor de schrijver als voor de uitgever. ‘Ze kennen hun vak, ze zijn belezen en hoffelijk, ze zijn iedere auteur genegen en als ze dan toch niet anders kunnen dan een boek met de grond gelijk maken, doen ze dat uit liefde voor de literatuur.’ (p. 101)
Op de laatste bladzijde van zijn studie over de Nederlandse literatuurkritiek met de titel Staande receptie (2012), schrijft Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde in Nijmegen, ‘teksten bestaan pas als er lezers zijn, en literatuur bestaat pas als er onderscheidende kwaliteitsoordelen over teksten worden gegeven.’ (p.155)
Als Joseph Pearce in Voet bij stuk fulmineert tegen bepaalde soorten recensenten, dan is het precies omdat zij geen kwaliteitsoordelen meer geven.

Ik ben Joseph dankbaar voor het schrijven van Voet bij stuk en wel om deze bijzondere reden. Mij is gevraagd een recensie te schrijven van de nieuwste roman van Walter van den Broeck, De vreemdelinge, een roman met een thema verwant aan Voet bij stuk. Mit brennender Sorge observeert Van den Broeck hoe grote concerns de onafhankelijk boekhandel met de snelheid van een vleesetende bacterie aan het opvreten zijn.
Als ik in mijn nog te schrijven slotzin een adjectief moet verzinnen die mijn leeservaring weergeeft, kan ik te rade gaan bij het lijstje dat Joseph in het vijfde hoofdstuk van Voet bij stuk opgeschreven heeft: ‘Aangrijpend, ontroerend, vernuftig, bezield, bevlogen, zinnenstrelend, verrassend, vermakelijk, indringend, verfrissend, origineel, vermetel, ambitieus, innemend, schaamteloos, verbluffend, fabelachtig, monumentaal, briljant, verleidelijk, innemend, explosief, zinderend, adembenemend, weergaloos.’ (p. 31)

Beste lezers van goede boeken die er toe doen. Koop Voet bij stuk en streep na lectuur uit het lijstje dat ik geciteerd heb, weg wat niet van toepassing is. En dan heb ik nog volgende bedenking. Als we naar de film gaan in Utopolis of naar een theatervoorstelling in ’t Arsenaal, kopen we altijd twee ticketten, een voor onszelf en een voor een geliefde, een vriend/vriendin, een zoon/dochter.
Waarom kopen we zelden of nooit twee exemplaren van een goed boek, een voor onszelf, en een om cadeau te geven aan een geliefde, een vriend/vriendin, collega, zoon /dochter, inburgerende migrant?
Het is maar een wilde gedachte, die ik deze ochtend kreeg toen ik vroeg wakker werd omdat de haan van de buren kraaide en onze kater zat te miauwen voor het slaapkamerraam.

Joris Gerits

Advertenties

Lukas De Vos over ‘Moço’ van Patrick Conrad

27 mei 2015 § Een reactie plaatsen

Antwerpen, De Zwarte Panter, 22 mei 2015

Beste, wonderbaarlijke Patrick,
Vrienden van de Zwarte Panter en Uitgeverij Vrijdag,
Dames en Heren,

Patrick Conrad is de grootmeester van de spleen, het “lekker droevig” zijn, en eigenlijk niet weten waarom. Het is niet de spleen van de laat-romantici. Het is de verscheurdheid van de postmoderne mens. Die is verteerd door onvervulde en onvervulbare verlangens. Daar begint het tobben, het onstelpbaar heimwee. De postmoderne mens, in de ogen van thrillerschrijver Patrick Conrad, is de autentieke mens, die leeft aan de neg van de maatschappij. Die balanceert op de afgrond van verrukking en verschrikking. Het prototype van die mens is de illusieloze, troosteloze tooghanger. Daarom is Patrick Conrad de heraut van de nacht.

Antwerpen had al een nachtburgemeester, Vitalsky. Antwerpen had al een nachtraaf, wijlen Jean-Pierre Berckmans. Maar springlevend is de bazuindrager van het duister: Patrick Conrad. In zijn vorig boek, Walker, liet Conrad een stoet randdebielen in een Grieks kafee opdraven, die het meest eerlijke deel van de bevolking uitmaken. Zij hadden immers niks te verliezen, behalve hun leugens en hun onderlinge solidariteit. In zijn nieuwste thriller, die wij vandaag boven de doopvont houden, Moço. Een Maand uit het Leven van Harry Kramer, heeft Conrad de aandikking, de burleske, ingeruild voor een veel somberder laag: de onfrisse geheimen die ieder in zich draagt.

De randdebielen hebben plaatsgemaakt voor de gemaskerde nijdassen. Achter schmink en mythevorming, achter façades en poses, verbergen zich perverse, hatelijke, kille egoisten. De stoet van Brueghel heeft plaatsgemaakt voor Ensor en zijn dodelijke ironie. Daarom staat een doorgewinterd hoofdkommissaris als Bob Nols nog altijd met zijn mond vol tanden (en liefst ook met een hotdog) als hij bij alweer een nieuwe ondervraging “opnieuw verwonderd was wat de huizen achter hun deftige gevels en de mensen achter hun fatsoenlijke maskers verborgen, wat voor stinkende vunzigheid men soms ontdekte wanneer men het vernis aan de oppervlakte wegschraapte”.

Dat vernis is maar een tere, kwetsbare opperlaag, zoals de emulsie van een film. Daarom heeft Patrick Conrad allesbehalve toevallig een fotograaf als zijn hoofdpersoon gekozen. Hij krijgt de naam Harry Kramer, homoniem van de beroemde radio- en tv-presentator bij CBS, die bijna een kwarteeuw de stem was van de mystery soap opera “The Edge of Night”, een nauwelijks verhulde Rorschachdubbel van Perry Mason. Kramer werkt voor het sensatieblad Shock en is gespecialiseerd in makabere foto’s van omgekomen beroemdheden. Door zijn goeie konnekties in de grauwe wereld van de kleine kriminaliteit, van de ritselaars en de afkoopbare politie, slaagt hij er vaak in sneller dan gerechtsfotografen beelden te schieten en door te verkopen aan de volstrekt amorele hoofdredakteur Demeester. Hij doubleert eigenlijk de werkwijze van Arthur Fellig, de New Yorkse fotograaf die op soortgelijke wijze, als heimelijke vertrouweling van de politie, de stad, en vooral de onderlaag van de stad, in zwart en wit vastlegde, zoals zijn eerste fotoboek uit 1945, Naked City, al toonde. Net als Weegee, de bijnaam van Fellig, is ook Kramer in zijn diepste binnenste een rasechte kunstenaar.

Hij werkt dan ook aan een fotoprojekt, dat een verloren, bevreemdend leven wil samenvatten, dat van de bedelaar Moço, die in het park kampeert tegenover de flat van de verarmde, hardvochtige moeder van Kramer. Tot Moço plots verdwijnt. In het millenniumjaar moest de wereld vergaan. Of toch imploderen met de bug. De wereld vergaat niet, maar een wereld doet dat wel. Op nieuwjaarsnacht van het jaar 2000 gaat Kramer waar een scoop skoren, zijn eerste dode van het nieuwe jaar. Dat blijkt zijn eigen moeder te zijn, die uit het raam is gekieperd.

Meteen zijn de lijnen getrokken van een bevreemdend spel met verrassende wendingen. Niemand is wie hij of zij voorgeeft te zijn. Niets is wat het lijkt. Kramer wordt plots gekonfronteerd met zijn onverklaard verleden, en doet de ene lugubere na de andere verbijsterende ontdekking. Is zijn vader wel zijn vader ? Wat heeft Caritas Catholica te maken met de dood van zus Mimi ? Waarom gedragen vrouwen zich als basilisken die mannen doen verstenen en die ze uitzuigen ? Wie is de “Beer”, wie is de “Salamander” ? Welke rol speelt huishoudster Fatima in het drama ? Waarom hebben zowel Maria als de Salamander stukgehamerde knieën ? En vooral: waarom voelt Kramer niets bij het zien van zijn dode moeder ? “Wat hem het meest verwondert, is dat hij niet reageert, niet de minste ontreddering toont, geen zweem van trietsheid of medelijden voelt opkomen, zelfs geen berouw of schuldgevoelens heeft”.

Daar ontdek je het genie van Patrick Conrad. De fotograaf leeft beroepshalve in de tegenwereld, de donkere, tweedimensionele spiegelwereld. Hij kan alleen de verborgen, zwarte dimensie uit de mens bovenhalen, hij graaft onherroepelijk in de marginale wereld waarin hij funktioneert, en dus in de krochten van het menselijk gedrag. Een fraai beeld levert dat niet op, fraaie foto’s wel. Van verweerde gezichten, verslenste ex-moordgrieten, getekende dompelaars, gestolde doden. Fotografie is het zwarte gat van de illusies waarmee wij de wereld hoog houden. Fotografie is ongenadig. Fotografie is de scherprechter van alle smeerlapperij die het dagelijks leven regeert.

Daar tegenover is maar één overlevingshouding mogelijk: die van de saudade. Saudade is een onvertaalbaar Portugees woord. Het stamt van de grote dichter Camões, en vat eigenlijk diepe, maar vaak zelf gezochte melancholie samen. Het gevoel van onpeilbare liefde als er verwijdering van de geliefde is. De schimmige Moço uit het boek ontleent zijn naam net aan de Braziliaanse variant, de niet-persoon die een kelner is. De korte derde afdeling van deze roman is naar hem genoemd en onthult tot zwetens toe verborgen gehouden ontsporingen. Want de antihelden van Conrad zijn een gevoelsarme fotograaf, een hardnekkige bedelaar, een ontaarde moeder, een kwezelige zus, een verdwenen halfbroer, een wraakgierige Marokkaan, en vooral, het verlopen volkje van kafee Atlas op de hoek van de Ernest Van Dijckkaai. Daar wordt alleen ’s nachts echt geleefd. Dan ontwaken de kobolden zoals Kramers informant, de Indiër Rajoe die nepbloemen verkoopt en lijkt op de dwerg van Fellig, de stripteaseuses als vriendin Adiouna, de travesties, de gigolo’s, de heksen die hun achterklap uitbraken en de gezusters Loveling worden genoemd. In de nacht zijn gezichten de bonkige, ruwe trekken van Permeke – Permekes schilderijen spelen overigens een belangrijke rol in Moço. In de nacht spiegelt de neonreklame zich in het rioolwater, Mickey Spillane waardig. Aan de Atlas is de blauwe steen langs de Schelde de biechtstoel. De Atlas is helaas verdwenen intussen, hij lag op geen steenworp hier vandaan, maar het verhaal speelt zich dan ook af eind jaren negentig, en in januari 2000.

Van de twee andere afdelingen is de eerste gewijd aan Maria, de moeder van Kramer, die wellicht beter Maria Magdalena had geheten. De tweede aan de wonderlijke figuur Alfred, van wie amper iets geweten is. Maar ook nu weer: verwijdering, ontvluchting, ze slagen er niet in de band te breken met de eigen obsessies. Moordenaars, maar ook manhaftigen of melancholiekers, keren altijd terug naar hun honkvaste plek. Voor Conrad is dat oud-Antwerpen. De Kammenstraat. Het De Coninckplein. De Zwarte Panter. Want het is een self-fulfilling prophecy: we moesten dit boek hier wel aanprijzen, omdat de schrijver het fotoboek-in-wording van Kramer over Moço hier, bij Adriaan van Raemdonck – de “van” is een dichterlijke vrijheid – wil voorstellen. Uw inleider wordt voortdurend om de oren geslagen met een profetische emulsie: de mayonaise van Devos Lemmens. Ik kon niet weigeren.

De grote kracht van Moço, dames en heren, ligt in de strakke zelfbeheersing van Conrad. Hij laat voortdurend verschillende lagen versmelten, zonder pedant te worden, of in grand guignol te vervallen. Ik noem een paar opwindende insteken. De uitzichtloosheid van de morele fabel. De filmische symboliek. De grammatikale kunstgrepen. De verhulling als techniek.

De morele fabel. Wie de moeite doet om zich onder te dompelen in de eeuwwisselingsperiode kan vanaf de eerste bladzijde vermoeden welke verontrustende aberraties zich gaan aandienen. We zijn amper 12 lijnen ver, of Kramer ontwikkelt een foto op muziek van de Goo Goo Dolls, Slide. Ik heb er de lyrics op nageslagen, en wat lees ik:

Don’t you love the life you killed ?
The priest is on the phone
Your father hit the wall
Your ma disowned you

Just slide into my room
oh, we’ll run away, run away, run away

Weglopen haalt uiteraard niets uit, voor geen enkele personage. Zelfs niet bij anatoom-patoloog Sax, die alleen tot innerlijke vrede kan komen als hij in afzondering de saksofoon kan bespelen. Van de weeromstuit verkilt het hart, en neemt het negatief over. Met voorspelbare uitkomst. De banaliteit van de wraak, zo banaal als die in de film The Ballad of Tam Lin. De doelloosheid van glitter en bezit. Daarom houdt Harry Kramer niks bij. Schrijft Conrad: “Harry was een man van de leegte”.

Filmische symboliek. Conrad zou Conrad niet zijn, als hij zijn eigen artistieke leefwereld niet zou eren en onteren. Geregeld komt de klassieker met Humphrey Bogart, Casablanca, om de hoek kijken. Een veilinghuis in Berchem is ondergebracht in de vroegere buurtbioskoop Scala – hoewel ikzelf alleen weet heb van een Scala in de Carnotstraat, en de Corso in de Tweelingenstraat waar nu het kultureel centrum is gevestigd. De mooiste hommage vind ik in de parodie die Conrad maakt van Patrick Le Bons baanbrekende misdaadfilm Zaman uit 1983. Daarin rukt de politie met grote middelen uit van de Oudaan naar de Kaai, maar die rit duurt bijna een halve provincie lang. Zo laat Conrad nu zijn Kramer aan diezelfde Oudaan de auto nemen om aan de Atlas te geraken (waar je amper kunt parkeren, en je zonder probleem langs de Vrijdagmarkt sneller te voet aankomt).

De grammatika, mogen we niet vergeten, want ze is de grondstof van de literatuur. Het zal u opvallen dat bij effektieve akties Conrad onmiddellijk overschakelt naar de onvoltooid tegenwoordige tijd, het afstandelijke verhaal verloopt helemaal in de verleden tijd. En Conrad is karig met aparte standpuntsprongen: amper enkele brieven, en twee droomscenes geven pit aan de uitloging van de innerlijke gesteldheid van de personages.

De verhulling zit vooral in de schuivende identiteiten. Het ontcijferen van foto’s, van videobeelden, van dokumenten, brengt de lezer om de haverklap in verwarring, je hinkt van de ene interpretatie naar de andere raadseloplossing. De enigmatische figuur Moço mag terecht de ultieme aandacht naar zich toetrekken. Zijn identiteit en lot moet u zelf ontdekken. Moço is minder het epos van wraakneming geworden, dan een pittige variatie op een calypsohit uit 1964. Toen zong Shawn Elliott een ballade over overspel, incest en ontrouw, Shame and Scandal in the Family. Patrick is uiteraard allesbehalve een filmheidene. Hij weet dat alweer een film de bron is: het lied werd door Sir Lancelot gezongen in I Walked with a Zombie in 1943. Vraag is uiteindelijk of Patrick Conrad de nieuwste versie van de zombiethriller heeft bedacht. Mensen zonder ziel, alleen nog bloeddorstig verlangen. Mensen met versteende, uitgeholde gevoelens.

Als dat zo is, Dames en Heren, dan is dit boek nog baanbrekender dan ik al dacht. Als eenvoudige lezer kan ik alleen maar mijn hoed afdoen voor de auteur. Patrick, je bent een overdonderende thrillerauteur. Ik buig diep voor zo’n talent. Van harte proficiat.

Lukas De Vos

Johan Braeckman over ‘Lichterlaaie’ van Pat Donnez

18 mei 2015 § Een reactie plaatsen

‘Lichterlaaie is een prachtig, bij tijd en wijle hilarisch, maar ook bijzonder diepzinnig boek’

Johan Braeckman, hoogleraar filosofie Gent, bij de voorstelling van de roman Lichterlaaie van Pat Donnez – Mechelen, 6 & 7 mei 2015

Dames en heren,
Ik zal beginnen met het goede nieuws: ik heb heel erg genoten van Lichterlaaie. Het verhaal is spitsvondig, prachtig geschreven, bij tijd en wijle hilarisch en bijzonder des mensen, Vlaamse versie.
De gebeurtenissen spelen zich af in 1974, in Bouweldonk, een metafoor voor nagenoeg elk Vlaams dorp of gemeente, in het bijzonder in de jaren zeventig. Pat Donnez blaast zijn verhaal leven in met volkse, kleurrijke en karaktervolle personages. Elke lezer die wel eens op een tram zit, of, zelfs al is het per ongeluk, zo nu en dan eens in het plaatselijke café Sport belandt, zal hen onmiddellijk herkennen. In Bouweldonk staat een feesttent, en in die tent is een kist begraven waarin zich Louis Roggemans bevindt. Louis, een brouwersgast, heeft zich levend laten begraven, omdat hij het wereldrecord grafliggen wil breken. Hij moet het tachtig dagen uithouden. Natuurlijk loopt een en ander niet helemaal volgens plan. Door de luchtpijpen die zijn kist van zuurstof en voedsel voorzien, kan Louis ook praten met al wie hem komt bezoeken. Gaandeweg leert hij Johanna kennen, een vrouw die omwille van een lichtallergie enkel ’s nachts buitenkomt en per toeval de tent in Bouweldonk binnen sukkelt. Louis en Johanna zijn heel andere persoonlijkheden, maar voelen zich al snel onweerstaanbaar tot elkaar aangetrokken. Hoe het verhaal zich verder ontwikkelt, zal ik hier niet in detail uit de doeken doen, maar ik beleefde in elk geval meerdere uren intens leesplezier. Hoe excentriek de personages en gebeurtenissen ook zijn, het verhaal is op een directe manier zeer herkenbaar en uitermate vermakelijk. Dat alleen al maakt Lichterlaaie een genot om te lezen.
Tot zover het goede nieuws.
Het betere nieuws is dat Pat Donnez zijn roman je niet alleen meeneemt naar het Bouweldonk van de jaren zeventig, dat symbool staat voor honderden, zo niet duizenden reëel bestaande plaatsen, maar je ook, tenminste als je er oud genoeg voor bent, op een bitterzoete manier, timewarpsgewijze, terugwerpt in je eigen herinneringen aan dat unieke decennium. In nagenoeg diezelfde feesttent dansten velen onder ons op A whiter shade of pale, misschien zelfs met dat meisje dat je elke dag naar school zag fietsen maar waarmee je nooit een gesprek durfde aanknopen. Tot die ene memorabele avond, tijdens die scoutsfuif in de feesttent. Procol harum. Je wist wel niet wat het wou zeggen, maar je zag je kans en je ging ervoor.
Herinneringen komen evenwel zelden of nooit neutraal tot ons, ze hebben een emotionele lading, kunnen ons vrolijk en blij, maar ook nostalgisch en weemoedig maken. Voor wie er ontvankelijk voor is, hebben ze steeds iets bevreemdends. We waren erbij, we maakten het zelf allemaal mee, maar ergens lijkt het alsof die “we” andere mensen waren. De bekende openingszin van de Britse schrijver Lesley Poles Hartleys roman The Go-between luidt: “The past is a foreign country: they do things differently there”. Het verleden is als een vreemd land: ze doen de dingen daar helemaal anders.
Het is een gevoel dat je onweerstaanbaar bekruipt bij de lectuur van Lichterlaaie. Het is allemaal erg herkenbaar, toch voor wie in de jaren zeventig oud genoeg was om ze zich nu nog te herinneren (en anders dan de jaren zestig moet men zich de jaren zeventig wel degelijk herinneren om er bij geweest te zijn). Maar toch is alles anders, we weten dat we nu niet meer zo leven. Zelfs al zouden we dat willen, we zouden het niet kunnen. We moeten lachen om de mode uit die tijd, in het bijzonder als we onszelf op foto’s zien; we zouden sommige gerechten die we toen aten nu niet eens meer lusten; we vinden het nu ondenkbaar dat er enkel Brussel Vlaams en Brussel Frans op de televisie was. Misschien bleven we toen ook al thuis voor een avondje Avro, daar wil ik nu vanaf zijn.
Het boek speelt zich af in 1974. Ik was toen negen jaar, oud genoeg om me allerlei gebeurtenissen en personages te herinneren die her en der in Lichterlaaie opduiken. Zo bijvoorbeeld: de autoloze zondagen. Die verwijzing betekent iets speciaals voor mij, want mijn vader, die op zondag op de Gentse Kouter bloemen en planten verkocht, had een vergunning waardoor hij wel mocht rijden. Helaas werd toen nauwelijks iets verkocht, wegens welja, autoloze zondag.
Ergens maakt Pat Donnez een allusie op Fons Oerlemans, die in een vlot een oceaan, ik weet al niet meer welke, overstak. Hij gaf achteraf overal lezingen over zijn avontuur, ook in mijn dorp. Ik ging luisteren met mijn vader, die daar zeer gefascineerd door was. Zelf vond ik het allemaal niet zo bijzonder. Ik vermoed dat ik nog niet goed doorhad hoe groot en gevaarlijk die oceaan eigenlijk wel is. Misschien bedacht ik dat iemand die man op het bestaan van boten en schepen zou moeten wijzen.
The Exorcist wordt vermeld, een film waar ik niet naar durfde te kijken (mijn moeder zou dat trouwens nooit hebben toegelaten) en tot op de dag van vandaag niet heb gezien. Geen enkele horrorfilm trouwens, men heeft me teveel schrik aangejaagd voor dit soort films – te beginnen met The Exorcist.
Patricia Hearst duikt op, de Amerikaanse miljonairsdochter die werd ontvoerd en gaandeweg haar ontvoerders steunde. Ik ben pas op volwassen leeftijd vertrouwd geraakt met het verhaal, van de heisa rond de gebeurtenissen in 1974 herinner ik me merkwaardig genoeg niets. Hetzelfde geldt voor de Rote Armee Fraktion.
Het Rapport van de Club van Rome wordt aangehaald. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik dat toentertijd las en er een veelbesproken spreekbeurt over gaf in het vierde studiejaar, maar helaas. Dit daarentegen herinner ik me nog alsof het gisteren was:
“De wilde boerndochtere”, de onwaarschijnlijke hit van Ivan Heylen.
Evenals de beroemde zinsnede: “Onder toezicht van gerechtsdeurwaarder Van Backlé”. Zo’n zin slingert me in een klap terug naar de jaren zeventig. Gerechtsdeurwaarder Jo Van Backlé was voor mij, en ongetwijfeld voor vele anderen, een van de meest vertrouwde namen van mensen die mij verder totaal onbekend waren. Ik heb verder nooit geweten wie die man is, ik weet niet hoe hij eruit ziet (al kwam hij later wel op televisie, maar ik heb hem nooit gezien). Maar ik weet wel dat men pakweg Brussel-Halle-Vilvoorde veel sneller had kunnen splitsen, had men het probleem aan hem toevertrouwd. Ik vermoed dat ik van alles over de man kan vinden op internet, maar ik zoek hem bewust niet op. Sommige mythes verdienen het om intact te blijven.
Abba wint het songfestival, met Waterloo. De hele klas kon het nummer meezingen, ook al kenden we geen drie woorden Engels.
Uiteraard kon Eddy Merckx niet afwezig blijven, alomtegenwoordig als hij was in die periode. Na lang onderhandelen kreeg ik van mijn ouders een truitje van Molteni, ter ere van Merckx. Ik was er dolgelukkig mee, tot hij een week later van ploeg veranderde, Fiat denk ik, wat mijn truitje op slag waardeloos en onbruikbaar maakte. Ik heb het hem nooit vergeven.
Er zit veel muziek in Lichterlaaie, waaronder de gigantische hit van Gerard Cox uit 1973,’t Is weer voorbij die mooie zomer. Pas veel later kwam ik te weten dat Cox’ meezinger eigenlijk een cover van een cover was, namelijk van Joe Dassins Salut les amoureux uit 1972, zelf gebaseerd op City of New Orleans uit 1971 van de Amerikaan Steve Goodman. Het refrein in Dassins versie gaat als volgt, en iedereen kent de melodie en kan dus meezingen:
On s’est aimés comme on se quitte
Tout simplement sans penser à demain
À demain qui vient toujours un peu trop vite
Aux adieux qui quelque fois se passent un peu trop bien.

Lichterlaaie is natuurlijk ook een roman over de liefde, die, zoals in het liedje van Joe Dassin, een mens overvalt, soms opflakkert en dan weer uitdooft, maar bijna altijd te laat of te vroeg komt, of obstakels op haar pad vindt…. Ik hoorde Willie Nelson, toch een grote kenner, eens zeggen dat 98% van de mensen niet de partner heeft die ze eigenlijk zouden willen hebben. Hij bedoelde niet dat men liever met een of andere filmster zou samen zijn, maar met het meisje waarmee je ooit in een feesttent op A whiter shade of pale danste, en die daarna het lief werd van een ander, terwijl je wist en voelde dat ze eigenlijk bij jou hoorde, maar je had het lef niet om te doen wat je eigenlijk had moeten doen. Daarom, aldus Willie, is country music populair. Op het einde van het boek staat een en ander letterlijk in lichterlaaie, maar het meest van al nog geldt dat voor de hoofdpersonages in het boek, Louis en Johanna.
Tot zover het betere nieuws.
Maar het beste nieuws, en ik zeg dit niet om Pat te pesten of om hem in paniek te doen slaan, is dat Lichterlaaie een zeer filosofisch boek is.
Alleen al de volgende citaten maken dat duidelijk:
“De filosofie heeft Paulette niets bijgebracht, maar veel bespaard.” Paulette is de beste vriendin van Johanna, ze studeerde ooit filosofie. Er schuilt veel waarheid in die uitspraak, al vrees ik dat filosofen er maar zelden in slagen om zich van die belangrijke filosofische taak te kwijten.
Nog eentje, het zou het motto van een zinvolle cursus taalfilosofie moeten zijn:
“Totalitarisme begint altijd met een taalkundige vervorming van de werkelijkheid.”
Ik weet niet waar Pat Donnez dit haalde, misschien bij Orwell, maar ik heb het onthouden door Viktor Klemperer zijn indringende boek over de taal van het derde rijk te lezen. Eerst waren de joden nog joden, daarna werden het vreemdelingen, dan indringers, vervolgens vijanden en tenslotte ratten en kakkerlakken. De rest volgde vanzelf.
Dat de hele roman filosofisch van opzet is, vraagt om een beetje uitleg, vrees ik. Ergens in het boek wordt John Massis vermeld. Massis, anders dan Louis Roggemans, kwam in het echt een paar keer in het Guiness Book of Records terecht. Hij richtte een partij op, “de positieve radicalen” – prachtig vind ik dat. John Massis stond in het echte leven symbool voor wat voor mij het kernthema van het boek is: de soms heldhaftige, vaak onmachtige pogingen van de mens om ondanks de manifeste absurditeit en zinloosheid van het leven, toch betekenis aan ons handelen te geven. Op zijn meest surrealistisch doen we dat door die absurditeit en zinloosheid te bestrijden met iets wat nog meer expliciet zinloos en absurd is, zoals levend in een graf gaan liggen, of een tram van vijftienduizend kilo met je tanden voorttrekken. Stel je een marsmannetje voor dat ons, aardbewoners, wetenschappelijk moet onderzoeken, zoals onze wetenschappers de paringsdans van de Korhoen of het baltsgedrag van de eland bestuderen, en hij wordt met dit soort gedrag geconfronteerd…. Ik denk niet dat daar een zeer inzichtelijk artikel zal uit voortkomen. Ik ben zo goed als zeker dat het zelfs niet door de Martiaanse peer review zou geraken.
Maar wij, aardlingen, wij kunnen er wel degelijk iets van begrijpen. Louis Roggemans laat zichzelf opsluiten, hij maakt zichzelf inert, teneinde meer grip te krijgen op zijn eigen leven en op het leven en de emoties van anderen. Natuurlijk lukt dat niet, omdat we er nu eenmaal nooit in slagen om alle levensvariabelen onder controle te houden.
De absurditeit van het bestaan, een kernthema in het boek, wordt door Pat Donnez uitgewerkt door voortdurend het toevallige, grillige, onvoorspelbare en oncontroleerbare van het leven van elke mens te beklemtonen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat alles – om nog een extra krenking aan de verwonding toe te voegen – volstrekt gedetermineerd verloopt. Het kon allemaal niet anders, achteraf bekeken. Het ene leidt domweg tot het andere en er zit geen enkele richting in, noch een doel. Het leven van een mens is zoals de evolutie van het leven zelf. Darwin, waarnaar ook in Lichterlaaie wordt verwezen, beschreef dat prachtig in zijn autobiografie: “Er blijkt niet meer ontwerp te zitten in de variatie van levende schepsels of in de werking van natuurlijke selectie dan in de richting waarin de wind blaast. Alles in de natuur is het gevolg van onveranderlijke wetten.”
Ik voeg er meteen een illustratief citaat aan toe, een mijmering kan je zeggen, van Louis, vanuit zijn kist: “En van zo naar je dorp en je leven te kijken, zou je mistroostig worden, ja, want dat kleine dorp waar je midden in zat, was ooit de hele wereld. Nu kijk je ernaar vanop de hoge berg en je ziet ook het pad liggen dat je niet bent ingeslagen maar dat je misschien had kunnen nemen. En van daarboven zie je ook waarnaartoe dat pad dat je hebt gemist leidt, en als je die richting was ingeslagen, zou je hier vandaag niet in een kist de aap liggen uithangen. En boven op die berg staande en starend naar beneden moet je uitkijken dat je je hart niet opeet van grote spijt, of wroeging, dat is het woord, net alsof je ziel in plaats van met de jaren lichter te worden, zo licht als het dons van een kuiken, het gewicht krijgt van een loodfabriek….”
De intrinsieke absurditeit van het bestaan komt natuurlijk het scherpst tot uiting als twee gedetermineerde paden elkaar kruisen, bijvoorbeeld als de aarde in botsing komt met een meteoriet, of een meteoriet botst met de aarde, het is allebei even waar. Enkele jaren geleden gebeurde dat ergens in Frankrijk. Een stuk van een meteoor vernielde een huis, en in dat huis woonde de familie Comette. Dergelijke gebeurtenissen doen ons bijna automatisch denken dat er meer is dan enkel het toeval, maar die gedachte op zich is natuurlijk al even absurd als de gebeurtenis zelve. Het is immers weinig waarschijnlijk dat de meteoor, zoals een telegeleide raket, doelbewust op zoek gaat naar het huis waarin de familie Comette woont, hard haar best doende om het huis van de familie Eclair te vermijden, want daar moet de bliksem zijn plan maar mee trekken.
Ik citeer Johanna, het meest filosofische personage uit het boek: “Ze voorvoelde dat Louis’ waanzinnige onderneming en haar even waanzinnige isolement [ze komt immers niet buiten door haar lichtallergie] niet los van elkaar konden worden gezien, als ze al niet de loop van hun gezamenlijke geschiedenis zouden bepalen.”
Pat Donnez werkt binnen het gegeven van de immense rol van determinisme en absurditeit ook het punt uit dat het vaak de kleine wendingen zijn die ons een andere richting uitsturen. Zo moet Johanna bijvoorbeeld naar het einde van het verhaal toe aan de vrienden van Louis uitleggen wie ze is en wat ze doet. Ze verdenken haar ervan een spionne te zijn in dienst van een Amerikaanse concurrent van Louis, een man die in Amerika ook in een kist ligt en ook het wereldrecord wil breken. Ze krijgt drie seconden om te antwoorden op de vraag “wordt gij betaald door Amerika, ja of neen?” De scène is erg grappig, maar ook diepzinnig. Johanna denkt bij zichzelf: “Drie seconden, dat is drie keer niks, maar drie seconden kunnen je leven om zeep helpen.”
Ook dit is het leven, dat van een individuele mens, maar evengoed van de hele mensheid. Denk aan het verhaal van de ruiter die een cruciale boodschap moest overbrengen, waardoor een oorlog kon worden vermeden – maar het paard verliest een nagel, en door die nagel komt het hoefijzer los, en door het loskomen van het hoefijzer struikelt het paard, waardoor de ruiter valt, waardoor de boodschap nooit aankomt en er een oorlog uitbreekt. Of denk aan hoe anders het verloop van de twintigste eeuw kon zijn, had men Adolf Hitler toegelaten tot de kunstacademie in Wenen, in plaats van hem af te wijzen. Of het de kunstgeschiedenis een positieve wending had gegeven weet ik niet, maar een heleboel andere zaken ongetwijfeld wel. In 1975 zou Bob Dylan over A simple twist of fate zingen, slechts een jaar na de dramatische gebeurtenissen in Bouweldonk.
Ik moest bij de lectuur van Lichterlaaie vaak ook denken aan La Linea, een tekenfilmreeks van de Italiaan Osvaldo Cavandoli, ook al uit de jaren zeventig, die niet in het boek voorkomt, maar het had gekund. We zien een mannetje dat op een lijn loopt, hij is eigenlijk onderdeel van de lijn, veel bewegingsvrijheid heeft hij niet. Hij komt voortdurend obstakels tegen, maakt zich tegen Jan en Alleman kwaad in een soort Italiaans koeterwaals, in het bijzonder tegen zijn schepper, die zo nu en dan eens tussenkomt om iets uit te gommen of te hertekenen. Het mannetje is dan een tijdje tevreden, maar al snel loopt het weer fout. Zijn pad gaat eigenlijk naar nergens, hij kent, vaak letterlijk, hoogtes en laagtes, overwinningen en nederlagen. Op het einde, kunnen we vermoeden, wordt hij zelf ook uitgegomd.
Ik moet hier wel instemmen met wat de verteller in het boek ergens aangeeft: “Wat ons staande houdt, is zelfbedrog.” En aansluitend nog een citaat, van Johanna: “Ook kan ze empathie opbrengen voor haar man zijn premisse dat het leven alleen valt te verduren als je jezelf gigantisch oplicht, het zelfbedrog tot in de toppen van je vingers leert beheersen.”
En toch. Ik wil eindigen met een laatste filosofisch punt dat in het boek aanwezig is, en dat een positieve wending geeft aan al wat gezegd is over het absurde van het leven en over de machteloosheid van de mens en de nood aan zelfbedrog.
De echte essentie van het boek betreft de vraag wat een authentiek leven is – zie Sartre, leven zonder “mauvaise foi” – een leven leiden dat echt is, dat helemaal aansluit bij wie je bent, en waarbij je niet een rol speelt die je wordt opgedrongen – zie Johanna, die niet het leven van zichzelf, van de echte Johanna leidt, maar dat van de vrouw van de minister van Buitenlandse Zaken. Geregeld wordt er in het boek allusie gemaakt op het authentieke van ambachtswerk. Echte meubels worden gewaardeerd, zoals de kist waarin Louis ligt, die hij zelf maakte. Van Ikea is in het boek gelukkig nog geen sprake, de eerste vestiging in België dateert uit het vervloekte jaar 1984, zo kreeg Orwell toch nog een beetje gelijk, maar je kan er het ambachtelijke, duurzame timmersmanswerk dat in Lichterlaaie wordt aangeprezen tegenover plaatsen. Zo bekeken – en dit is natuurlijk hoe je het moet bekijken – is Lichterlaaie een scherpe en niet mis te verstane aanklacht tegen Ikea, en tegen alles wat niet authentiek is, wat niet duurzaam is, wat jachtig en oppervlakkig is of wat te snel moet gaan (slechts vijf jaar na de gebeurtenissen in Bouweldonk zingt Herman van Veen dat iedereen opzij moet gaan, want “we hebben ongelofelijke haast”). Louis Roggemans, geheel tegen de tijdsgeest in, stelt een kleine maar heldhaftige en symbolische daad door zichzelf en de tijd tot stilstand te laten komen.
Echtheid, authenticiteit, stilstaan bij wat intrinsiek waardevol is: dat is, wat mij betreft, de kern van Pat Donnez zijn bijzondere boek. Johanna wordt verliefd op Louis en ze geeft zelf aan waarom: “What you see is what you get”. Daarom valt ze op deze man.

Het is dan ook niet toevallig dat het licht zo’n bijzondere rol in het boek speelt.
Johanna kan niet tegen licht, ze heeft een lichtallergie – je kan zeggen: ze heeft eerst schrik van “de waarheid” – maar gaandeweg laat ze meer licht toe. Naarmate ze authentieker wordt, meer licht toelaat, lijkt haar allergie ook steeds meer te verdwijnen. Edisons gloeilamp komt een paar keer voor. Goethes laatste woorden worden geciteerd: “meer licht.” De titel van het boek is: Lichterlaaie. Zelfs de bijbel wordt geciteerd: “God zei ‘er moet licht komen’. En er was licht.”
Dus ondanks het belang van zelfbedrog om met de absurditeit van het leven om te kunnen gaan, is het uiteindelijk toch het licht dat de duisternis kan verdrijven. Het belang hiervan staat al in het Evangelie van Johannes: “de waarheid zal u vrijmaken”.
Ik wens Pat hartelijk te feliciteren met zijn nieuwe boek en dank u allen voor uw aandacht.

Waar ben ik?

Je ziet het archief van mei, 2015 om VrijdagBlog.