Ivan De Vadder over ‘De parabel van het ezelsoor’

10 december 2014 § Een reactie plaatsen

Ik hou van politieke cartoonisten.

Karl Meersman – met wie ik “De parabel van het ezelsoor” schreef – is er zo één. Hij houdt niet van dat woord. Hij wil dat ik illustrator gebruik. Maar dat vind ik dan weer geen mooi woord. Laten we afspreken dat Karl aan politieke satire doet. Via cartoons.

Ik bewonder de politieke cartoonisten. Ze maken met één enkele pennentrek een treffende politieke analyse. Het is nochtans een niet te onderschatten opdracht. Je moet elke dag één tekening afleveren; of in het geval van een weekblad een per week. De tekeningen moeten een verhaal bevatten, liefst nog met een pointe. En de toeschouwer moet die pointe in één oogopslag kunnen “lezen”. Maar het zou in het beste geval een aha-erlebnis moeten opleveren, een tiens, zo had ik er nog niet naar gekeken-moment.

Ik vind dat altijd een fantastisch als dat bij mij gebeurt. Als ik het zie wat de cartoonist bedoelt.

Vandaar dat ik eigenlijk jaloers ben op cartoonisten. Politieke journalisten hebben honderden woorden nodig om dat ene moment te bereiken. En één beeld zegt toch zoveel meer dan honderd woorden. Het beeld van “het ezelsoor” vat volgens mij dan ook hét moment van het politieke jaar 2014 perfect samen: de verkiezingsoverwinning van de N-VA, die eigenlijk al maanden vaststond, er was alleen twijfel over de omvang ervan. Uiteindelijk wordt het een stevige overwinning, en dus is er die kleine verbeten trek om de mond van Bart De Wever.

Karl heeft dat trekje van de N-VA-voorzitter perfect neergezet. Het trekje van een man die weet dat is uitgekomen wat hij gewenst heeft, wat hij betracht heeft, en wat hij voorspeld heeft. Tegelijk tekent Karl Elio Di Rupo alsof die nog niet beseft wat hem boven het hoofd hangt. Letterlijk. Want de tekening dateert van de dag na de verkiezingen. En op dat moment liggen alle mogelijkheden nog open.

De sprong van MR

Op deze tekening ontbreekt dus eigenlijk Charles Michel. Het is maar door de sprong van de Charles Michel dat het ezelsoorscenario-zoals ik het noem-zich heeft kunnen voltrekken.

Als er in de Belgische politiek ooit sprake is geweest van een Copernicaanse omwenteling, dan is de sprong van de MR misschien wel van die aard. Voordien werd de ongeschreven wet dat een regering een meerderheid moest hebben in de twee taalgroepen altijd min of meer gerespecteerd. En als er geen meerderheid was -zoals bij de vorige regering- dan ging het om één zetel of zo. Je moet al teruggaan tot de jaren 80 van de vorige eeuw om een taalgroep te hebben met een forse minderheid.

In 1981 had de Franstalige oppositie 49 zetels, de Franstalige meerderheidspartijen in de regering Martens-Gol hadden er 42. Nog verder terug is er de centrumrechtse regering-Tindemans I die in 1974 startte met maar 36 zetels Franstalige Kamerzetels op 93.

Maar in die periode staat de staatshervorming nog in zijn kinderschoenen. Er zijn nog geen autonome gewestregeringen of gewestparlementen. Het is de tijd van de dubbelmandaten, alles hoort nog samen. Intussen is dat federalisme verder geëvolueerd, en je zou kunnen argumenteren dat de Zweedse coalitie, ten tijde van de 6e staatshervorming, op een volwassener manier omgaat met het Belgische federalisme. Geen nodeloze meerderheden in taalgroepen, maar een simpele meerderheid.

Meerderheidsstelsel

Merkwaardig genoeg krijgt België daardoor een soort meerderheidsstelsel zonder er één te hebben. De hoogoplopende ideologische spanningen in dit parlement, en eigenlijk ook op straat, tonen aan dat we weinig ervaring mee hebben. Terwijl velen onder ons -en ik reken mezelf daarbij- dachten dat zo’n meerderheidssysteem het voordeel van de duidelijkheid had: je weet welk beleid er komt, maar je weet ook dat het de volgende keer een radicaal anders kan worden.

En dat is misschien het vervolg op deze omwenteling. Bij de volgende verkiezingen kan het ook in ons land anders. Wat belet de PS –tenzij ze een nieuwe staatshervorming mogelijk wil maken-, wat belet de PS om alle linkse partijen rond zich te verzamelen, en wellicht wordt de CD&V dan de meeste rechtse partij van zo’n coalitie, en dus een linkse coalitie te bouwen? Een linkse coalitie die een beleid met linkse symbolen kan vormen, zoals deze regering een beleid voert aan de hand van rechtse symbolen? En hoe zou Vlaanderen reageren op zo’n regering die in Vlaanderen geen meerderheid heeft? Sommigen spreken in nu al van een stresstest voor het Belgische federalisme.

2019 zou dus wel een het jaar kunnen worden waarin Elio Di Rupo op zijn beurt ezelsoren kan uitdelen…maar dat is dan voor een jaaroverzicht van 2019.

Advertenties

Christophe Deborsu over ‘De Parabel van het ezelsoor’ van Ivan De Vadder en Karl Meersman

10 december 2014 § Een reactie plaatsen

Kamer der Volksvertegenwoordigers, 9 december 2014

Dames en heren,
Beste collega’s, chers collègues car il y a des Francophones dans la salle
Beste Karl Meersman
Beste Ivan De Vadder,

Ik begin met een bekentenis, dit is een soort mode geworden.
Niet dat ik lid ben geweest van een verdachte Waals-nationalistische debatclub of dat mijn vader een vakantie doorbracht met Léon Degrelle in 1972 in Benidorm.
Nee, dit is veel erger.
Ik ben geen lezer van Trends, ook niet van Tendances: Wallonië heeft amper een economie, nietwaar. Voor alle duidelijkheid, mijnheer Bourgeois: dit was een slechte grap.
Ik lees ook weinig Knack, journalisten worden niet betaald om tijdschriften te lezen, zei de Franse persmagnaat Robert Hersant ooit. Flauw excuus, maar citaten dienen hiervoor.
De cartoons van Karl Meersman kende ik bijgevolg heel weinig tot 3 weken geleden.
Mijn leven veranderde toen collega Ivan De Vadder op maandag 17 november belde opdat ik vandaag een korte speech zou afsteken. “Ja”, legde Ivan uit: “Ik heb aan een boek meegewerkt, ik kon toch niet zo lang stilzitten.” Hij zei ook: “Karl tekent deels over Wallonië, daarom zou een Franstalige inleider goed van pas komen”.
Tussen haakje gezegd: Ezelsoor wordt in het Frans vertaald door ‘bonnet d’âne’, ezelsmuts: die Walen zijn heus niet zoals wij.

Hoe dan ook: ik heb onmiddellijk ja gezegd.
– Omdat ik Ivan al 20 jaar ken, we zijn op hetzelfde moment, in 1995, een debatprogramma op TV beginnen te presenteren, hij De Zevende Dag, ik Mise au Point.
– Ander motief voor mijn ja: Ivan is al minstens 2 decennia de beste Wetstraatjournalist in het land, iemand die ik eenvoudigweg bewonder.
Ik zei dus ja en kreeg als beloning een eerste exemplaar van De Parabel van het ezelsoor digitaal toegestuurd. Hoe zegt men ezelsoor in het Frans alweer, mijnheer de voorzitter?

Dank u. Misschien ooit nuttig in een uitwisseling met mevrouw Onkelinx.

Dit prachtige boek was een openbaring.
Ik heb eindelijk Karl Meersman ontdekt. En ik heb onverwijld een jaarlijks abonnement op Knack en Trends genomen. Presentaties in de Kamer kunnen dure gevolgen hebben.
Ik heb inderdaad kunnen inzien hoe uniek die Meersman is. Hij tekent fantastisch. En geestig wordt voor hem met een grote G gespeld.
Omdat beelden sterker zijn dan woorden, zeker een van Carl, zal ik u in het kort een paar van mijn geliefkoosde prentjes uit de doeken doen. U kunt volgen in uw eigen exemplaar, ik zal altijd het paginanummer eerst geven.
1. Om te beginnen de cover. De winnaar van de verkiezingen heeft zich deze keer niet laten verstrikken. Moderne parabels staan niet meer in de Bijbel al wordt die opgesteld in gewone taal. Dit zijn nu cartoons.

2. P. 24: Ceci n’est pas une boekenbeurs. Naar Magritte, maar met meer inhoud dan Magritte, want in de twee talen opgesteld. 2 talen in hetzelfde land, dit is wel handig. De tekening illustreert de boekencrisis. Enige kritiek: onvertaalbaar in het Frans.

3. P. 44: Vlaanderen stuurt zijn Waalse knuffelbeer naar het Eurosongfestival. De ene knuffelbeer heeft trouwens meer succes gehad dan de andere.

4. Mijn allerfavoriete cartoon staat op p. 118. Ivan schrijft bij deze tekening de mooiste regels uit de bundel:

“Ik stopte met de Zevende Dag om mijn weekend opnieuw te veroveren, intussen ben ik aan het vechten om meer terug te krijgen, ik wil mijn leven terug.”

Eigenlijk zijn alle teksten van Ivan briljant en ik zeg het niet alleen maar omwille van de eufonie. U verneemt bijvoorbeeld in de inleiding wat het gemeenschappelijke punt is tussen Bill Gates, The Beatles en Karl. Ik zeg niet meer. U zult het lezen.

De voorzitter kijkt toe. Ik voel dat het tijd wordt om te stoppen.

Mijn besluit in 4 tijden en 12 woorden:
Lees dit boek.
Koop dit boek.
Schenk dit boek.
Leve dit boek.
Dank u.

Christophe Deborsu

Sven Gatz over ‘Hees’ van Maarten Goethals

10 december 2014 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie Brussel, 27 november 2014

Geachte dames en heren, beste Maarten,
Het is voor het eerst dat ik ben gevraagd om een inleiding te geven bij de voorstelling van een poëziebundel. Sta me toe me een beetje onwennig te voelen. Maarten is bovendien een debutant, of beter zelfs: ook een debutant, wat deze avond nog extra bijzonder maakt. En daar bovenop ken ik Maarten al jaren als Wetstraatjournalist. Ik kan het moeilijk beoordelen, maar volgens mij zijn er tot nog toe heel weinig Wetstraatjournalisten die zich hebben geout als dichter.
Wat heeft een politiek journalist verloren met poëzie, vroeg ik me af toen de uitnodiging in mijn mailbox viel. Maar is dat wel een relevante vraag? Is de vraag die wel ter zake doet niet de volgende: waarom willen sommige mensen gedichten schrijven? Wat drijft de dichter? En wat heeft een mens aan poëzie?
Poëzie heet een van de moeilijkste literaire genres te zijn. Daarom wordt het ook zo weinig uitgegeven. “Poetry is the supreme fiction”, weten we van Wallace Stevens. Ik vind het opmerkelijk dat een Wetstraatjournalist zich meteen waagt aan fictie van het hoogste kaliber.
Volgens mijn raadgever Letteren komt de meest beroemde tekst ter verdediging van de poëzie van de grote 19e eeuwse dichter Shelley. Shelley trad daarmee in de voetsporen van vele voorgangers, want reeds Plato en Herakleitos wilden dichters uit stad en staat verbannen wegens verdorven en nutteloos. Het debat over nut en onnut van poëzie dateert kortom niet van vandaag.
Nochtans heeft poëzie reeds sinds de oudheid zijn bestaansrecht bewezen. Want ondanks zijn veronderstelde nutteloosheid, is poëzie wel degelijk het fundament van alle geschreven, gezongen en gesproken literatuur.
Ik vind dus dat poëzie geen verdediging nodig heeft. Ik hou van Luceberts beroemde vers: ‘Alles van waarde is weerloos’. Er is geen kunst zo langzaam, ouderwets en niet-commercieel als poëzie. En het is ook een kunst die uitblinkt in onafhankelijkheid, die zich welhaast per definitie veroorlooft niet te plooien naar modes of publieke smaak.
Want gedichten lezen vergt een inspanning van de lezer. Je moet er geduld voor opbrengen en concentratie. Je moet de tijd nemen om de regels te herlezen, te proeven in je mond, horen zingen in je hoofd en op jezelf laten inwerken.
Sommigen denken dat poëzie in deze tijden van online communicatie, digitale versnellingen en zenuwachtig getwitter een genre op zijn terugweg is. Dat de poëzie als een verlepte bloem der melancholie kansloos zal teloorgaan onder schermen die wisselen met de snelheid van het wrijven.
Ik ben het daar niet mee eens. Ik geloof dat de dichtkunst in deze instant-tijden net een behoefte aan verstilling en vertraging kan lenigen. Ik geloof in de toekomst van poëzie.
Zoals nog vele anderen vóór mij. En hopelijk ook velen met mij en na mij. Zo formuleerde bijvoorbeeld Jozef Deleu, de poëzieverdediger bij uitstek in Vlaanderen, het belang ervan als volgt: “Poëzie gaat over essentiële dingen in het leven. In gedichten zijn de originaliteit van de taal en de kracht van de suggestie doorslaggevend. Er staat altijd meer dan wat er staat. De meerzinnigheid en gelaagdheid van poëzie prikkelen de lezer, zowel emotioneel als intellectueel. Ze betrekken hem ook in een wereld waar een andere wetmatigheid van kracht is dan in de vertrouwde. Hou daarom gedichten binnen handbereik. Poëzie kan je ervaren als het opgaan van de zon: altijd verrassend als je ogen hebt die niet alleen kijken, maar ook zien.”

Dames en heren,
Gelukkig wordt poëzie regelmatig onder de aandacht gebracht: in Gent bevindt zich het Poëziecentrum dat onophoudelijk ijvert voor de poëzie. Aanstaande zondag mag ik een andere poëziebundel helpen presenteren, die door het Poëziecentrum wordt uitgegeven.
Ook de stadsdichters, die als paddenstoelen uit de grond rijzen, blijken een succesformule. Ze wijden hun poëzie aan actuele gebeurtenissen die de bevolking beroeren en brengen de haastige mens even tot stilstand en reflectie. En jaarlijks, in januari, vieren we de poëzie met Gedichtendag.
Laat me tot slot nog wat zeggen over de man en zijn bundel die ons vandaag bijeenbrengen rond poëzie. Op de website van Maarten Goethals vinden we de rubrieken poëzie en politiek naast elkaar.
Zowel met zijn politieke verslaggeving als met zijn gedichten laat hij zich kennen als iemand die met beide voeten in de wereld staat: een cyclus Belgische gedichten, over Brussel, Vollezele, Leuven, maar ook over Fabiola en Paola, wisselen af met aangrijpende en ijzersterke poëzie over de moeder, de vader, de geliefde, over de dood van een mooie jonge vrouw.
Ondanks mijn drukke beslommeringen heb ik me een poos weldoend kunnen verpozen met de gedichten van Maarten. Ik ben zeer onder de indruk van de kracht van zijn poëtische taal. Ik hoop dat hij de onverwachte beer die hij heeft losgelaten, in de toekomst vrij spel blijft geven, naast zijn journalistiek werk.
Gefeliciteerd, Maarten.
Ik dank u voor uw aandacht.

Laat u Vervoeren

3 december 2014 § Een reactie plaatsen

Column van Kris Van Steenberge in De Standaard, 31 oktober 2014

Ik buig voor u het hoofd. Ik prevel woorden die geuren van trots, alsof zij toebehoren aan de taal van een jonge held, of wat daar op lijkt, en niet – zoals wij allen weten – aan een halve eeuweling, die zijn zinnen heeft verzet. Ik buig met een zekere zwierigheid die gepast is bij het krijgen van geschenken. Ze staan onuitgepakt te pronken op een tafel waarlangs invités schuifelend passeren. In hun ogen de egards die zij in acht nemen. Op hun lippen brandt de vraag: “Wie is die man, die vreemde gans, die debutant op ‘t grote boekenbal?”
Wel, aanschouwt, dit lijf en leden, ruikt aan mijn kleren, betast mijn haren en mijn huid, net zo lang tot gij met recht en rede unaniem besluiten zult: ’t is een kleine ziel , uit mensenhout gesneden, die het hof betreedt als schuchter wezen. Voor zich uit draagt hij een urne, broos en breekbaar, gevuld met tekens, kapitalen en minuskels. Hij is de voerder van een zachte werveling aan woorden. De smid van in vuur geslagen zinnen. De alchemist van het verhaal waaraan wij zogen. Allen, graag en veel. Omdat wij mensenkinderen zijn.
Welnu, kijkt toe hoe ik ‘Woesten’, de jubelsage van vanavond, ontdoe van lauwerkransen en hoog ten hemel steek, als ware het een pasgeboren kind dat net zijn naam verkreeg.
Die sage ademt levens van zielen zoals u en ik, door het lot van her naar der geworpen, immer hunkerend naar woorden als: kom zie mij graag, hou mij vast en doe mij gauw de tijd vergeten. Dat houdt hen staande en laat hun bestaan balanceren op het strak gespannen touw van angst en gruwel om hen heen.
Deze historie leert ons niet bang te zijn. Versla die vrees voor vreemde buren, die huiver voor het onbekende, die rilling voor slechte maren vanop nieuwerwetse podia op u losgelaten, die verwarring voor sloganeske kreten uit de monden van uw leiders. Laat u voeren door de kracht die schuilt tussen de lijnen die gij leest. Laat u vervoeren door een lied van verzen. Laat u ontvoeren.

Het boek overwint. Komt mede zege vieren. Springt en jubelt, danst met mij.
Dat grote feest vat aan vanavond. Dat bal waarop ik graag uw dienaar ben.

Waar ben ik?

Je ziet het archief van december, 2014 om VrijdagBlog.