Kila van der Starre over ALTIJD EEN RAAM van Sylvie Marie

12 juni 2014 § Een reactie plaatsen

Acht jaar geleden deden Sylvie en ik mee aan dezelfde poetry slam. Het was de Vrouwenslam in Amersfoort, die Slamersfoort één maal per jaar organiseerde op Internationale Vrouwendag, 8 maart. In café Borra verzamelden uitsluitend vrouwelijke dichters, juryleden, muzikanten en een presentatrice. Mannen mochten luisteren. Babette, met wie ik het dichtersduo Kila&Babsie vorm, en ik, kwamen samen met Sylvie en Hanneke van Eijken in de finale terecht. Hanneke won en Sylvie en wij waren de tevreden verliezers. Het moet op die avond zijn geweest dat ik voor het eerst Sylvie’s gedicht hoorde dat een grote indruk op mij maakte en dat ik na al die jaren nog steeds het meest met Sylvie en haar werk associeer. Het gaat als volgt:

onze blikken.
ze kruisen. ergens tussen
voordeur en tuinhek. specifieker:
tussen suikerpot en magnetron
ter hoogte van een pruttelende koffiezet
of net iets hoger. ze kruisen boven
borden, noodlottig tegelijk
en met keiharde terugwerkende kracht.

in dit huis gaat het genadeloos.

Dit gedicht maakte zoveel indruk op mij, dat ik enkele jaren later een gedicht schreef met in het achterhoofd het beeld van een punt in een ruimte dat gedefinieerd wordt door zijn relatie tot objecten in die ruimte. Toen ik het liet lezen aan Babsie zei ze, en dat is één van de voordelen van een dichtersduo, ‘Kila, dit kan niet, dit lijkt echt te veel op dat ene gedicht van Sylvie Marie’, waardoor ik me realiseerde dat ik niet de enige was op wie het gedicht een blijvende indruk had gemaakt.

Het gedicht is de eerste uit de cyclus ‘moedermomenten’, dat eind die maand, maart 2008, werd opgenomen in het literair tijdschrift Het Liegend Konijn. Het is díe cyclus, die ervoor zorgde dat Arjan Peters zich een maand later in De Volkskrant uitriep tot ‘ontdekker van Sylvie Marie’, wat er dan uiteindelijk voor zorgde dat Sylvie een uitgever vond, de kersverse uitgeverij Vrijdag in samenwerking met Podium, en haar debuut Zonder verscheen in februari 2009.

Maar, dit wist ik allemaal niet. Sterker nog, dit wist ik allemaal niet tot afgelopen zondag, toen ik Sylvie contacteerde met een vage beschrijving van een gedicht van haar over een magnetron en een koffiepot. Het gedicht dat het begin betekende van Sylvie’s professionele schrijverschap, was zonder dat ik het wist al die jaren hetzelfde gedicht dat aan het begin stond van mijn kennismaking met Sylvie en haar schrijverschap.

De laatste regel van dit vroege gedicht zou niet misstaan in Sylvie’s nieuwste bundel, die vanavond wordt gepresenteerd: ‘in dit huis gaat het genadeloos.’ Want in Altijd een raam staat het huis cen-traal. Specifieker: niet het huis zelf, maar de ruimte binnen en buiten het huis, zoals de titels van de twee delen van de bundel duidelijk maken: ‘binnenskamers’ en ‘buitenshuis’. En meer nog: het kijken naar het één vanuit het ander. Door een raam, een kader, dat alles in perspectief plaatst. Er wordt bij ramen gestaan, er worden ramen geopend, er wordt voor het raam dag in dag uit thee gedronken, maar vooral wordt er door ramen gekeken. Sylvie doet ons met haar kenmerkende ijzersterke beelden, net zoals haar personages, stilstaan bij een raam. Eerst van binnen naar buiten kijkend.

Wat betekent het om lange tijd door een raam te staren, zoals wij ons hele leven lang de dingen aanschouwen door een bepaald frame? Sylvie schrijft: ‘als hij nu eens zo hard door een raam had gekeken, / zo hard en zo veel dat het raam / zich het brandpunt van zijn blik nog herinnert, / zijn pupillen die krompen of groeiden, // zodat er later, als het pand verlaten is en slechts stilte / er nog kraakt, silhouetten op het glas verschijnen / van wie op hem het meeste indruk maakten’.

Sylvie laat het raam tot leven komen: het ziet ons kijken, het onthoudt ons en onze blik. Levenloze dingen komen in beweging, zoals Sylvie de taal in constante beweging houdt. Ze doet dit op subtiele wijze, bijvoorbeeld door zelfstandig naamwoorden en werkwoordsvormen van hetzelfde woord te combineren. Zoals in het gedicht over schaamte, waar wordt gespeeld met de woordduo’s stapelt en stapel, rookt en rook, schamen en schaamte, huist en huis.

Of in de prachtige chiastische regel: ‘omdat je het vocht uit je ogen al altijd uit je ogen vocht’. Echt een geweldige zin. Niet alleen door de twee betekenissen van ‘vocht’, maar ook door de ambiguïteit: is het vechten van het vocht uit je ogen juist wel of niet huilen? Is huilen een vorm van vechten? Of is vechten tegen het huilen juist het gevecht? ‘omdat je het vocht uit je ogen al altijd uit je ogen vocht’ Het is denk ik mijn lievelingsregel; uit Altijd een raam, samen met: ‘ik ontdekte bij een zelfscan dat ik een pacemaker heb’, wat ik de meest atypische regel in de bundel vind en eigenlijk ook in Sylvie’s oeuvre. En juist daarom, omdat hij toch bovenaan een gedicht prijkt, midden in de bundel, pontificaal omringd door twee witregels, raakt die zin mij. Het is een verhaal, een plot, een heel literair universum, vervat in tien woorden: ‘ik ontdekte bij een zelfscan dat ik een pacemaker heb’. Beangstigend is het ook en dat laat Sylvie ons vaker voelen. Zoals gezegd: ‘in dit huis gaat het genadeloos.’ Des temeer als we ons buitenshuis begeven.

We lezen: ‘ik zou meer / van de wereld moeten weten / meedoen, vloeken, naar buiten’. Maar meer van de wereld te weten komen blijkt lastig. Misschien lastiger dan gedacht. Want: vanuit welk kader moeten we de dingen begrijpen? Wat is letterlijk en wat is figuurlijk? Slechte berichten zijn als gewaden en goede berichten als sokken. We kunnen ze aantrekken, uittrekken, rond laten slingeren. ‘je zoekt een metafoor’, zoals in één van de gedichten staat, maar is er wel altijd een metafoor? We lezen: ‘heb je verbetenheid als een capuchon over je hoofd getrokken’. Is dit, net als de gewaden en de sokken, een metafoor? Maar de regendruppels in de voorafgaande regel doen de capuchon als metafoor wankelen. Het regent en we zijn buiten: de capuchon wordt echt. Maar verbetenheid speelt de hoofdrol: de capuchon verdwijnt. Weer zijn we in beweging en wordt het dynamische van taal in poëzie vervat.

Enkele pagina’s verder rent een man keihard tegen het glas van een bushalte op, ‘zodat midden in mijn beeld van de stad een uitdijende ster ontstaat’. Maar dan staat de man doodnormaal aandachtig de bustijden te bekijken. Er wordt heen en weer geschoten tussen twee werelden. Het figuurlijke en het letterlijke. Maar wat is nou wat?

Op de tegenovergestelde pagina wordt het nóg beangstigender. De eerste regel van dat gedicht luidt: ‘mijn moeder hing gisterochtend de hond op.’ Vervreemdend, ‘disturbing’ zou ik haast zeggen. Maar de tweede regel beweegt ons weer naar het figuurlijke toe: ‘ik zie haar in gedachten de strop rond de nek leggen, / het dier naar boven hijsen.’ Aha, in gedachten dus! En in de tweede strofe geeft de ik toe dat hij of zij dingen verzint. Maar de angst blijft, die is echt: ‘nu denk ik dat ik bang ben omdat ik ook wel eens jank, / en blaf, en bijt.’

Wat ‘echt’ is en wat niet, blijft onuitgesproken. Misschien wel omdat we diep van binnen weten hoe de verhoudingen zijn. Zoals we de gaten in regels ook vanzelf aanvullen. Bijvoorbeeld de woorden: ‘we wisten / wat aan alles komt’. Een eind. Of toch iets anders? Zo blijven de vragen opduiken. Zoals de vraag die in het laatste gedicht van de bundel wordt gevonden in de tuin, het grensgebied tussen binnen en buiten. We stellen een vraag, nee, stellen een vraag uit, nee, we stallen hem uit. En zo breekt Sylvie de taal open, als ‘rinkelend porselein’.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Wat is dit?

Je leest nu Kila van der Starre over ALTIJD EEN RAAM van Sylvie Marie voor VrijdagBlog.

Meta

%d bloggers liken dit: