Carl De Strycker over ONBALANS van Bart Van der Straeten

12 juni 2014 § Een reactie plaatsen

Dames en heren,

Ik wil u op mijn beurt van harte welkom heten hier op Poëziecentrum voor de presentatie van de bundel onbalans van Bart Van der Straeten, een uitgave van Vrijdag.
Omdat een boekvoorstelling altijd een soort feestje is, is het vaak een goeie strategie voor de inleider om een smakelijke anekdote te vertellen of althans een luchtig verhaal. Bart, ik kan jou alvast gerust stellen: ik heb geen grappige of gênante anekdote in petto, en geacht publiek, ik moet u waarschijnlijk teleur stellen, want ook een sappig of grappig verhaal kan u van mij niet verwachten bij een boek als onbalans. Luchtigheid is immers niet de beste toon om te spreken over dit debuut. Ik wil het integendeel hebben over de gevaren van onbalans. Ik detecteerde er vier; ik overloop die graag even met u.

Eerste gevaar
Bart Van der Straeten is een naam als een klok in het wereldje van de poëzie. Bart is een van onze beste poëzierecensenten, een groot kenner en een scherpzinnig criticus. Het is een publiek geheim dat bijna iedereen die een bewonderaar van gedichten is ook zelf wel eens een gedicht pleegt. Iedereen wil dichter zijn – ik bespaar u de cijfers van de ongevraagde inzendingen die hier per e-mail en snailmail dagelijks toekomen. En natuurlijk kent u de clichévoorstelling dat elke literaire criticus een gesjeesde schrijver is die uit frustratie dan maar andermans werk gaat bekritiseren. Nog erger wordt het natuurlijk als de criticus meent zelf met werk naar buiten te moeten komen en een boekje maakt. Er zijn immers helaas maar weinig critici die ook écht goeie dichters zijn. Het risico bestaat dus dat verzen van zo iemand helemaal geen goeie verzen zijn. Bovendien worden de gedichten van mensen die zelf voortdurend commentaar leveren bij de poëzie van anderen ook nog eens met een loep bekeken, niet het minst door de mensen over wie de debuterende dichter in zijn hoedanigheid van criticus ooit streng oordeelde. Het gevaar voor afrekeningen – van andere dichter-critici bijvoorbeeld – bestaat. Het moet dus beslist niet makkelijk zijn om als bekend en gerespecteerd poëziecriticus te debuteren met een eigen bundel. Niettemin: Bart Van der Straeten heeft het lef om dat toch te doen. Dat verdient op z’n minst respect.

Tweede gevaar
Debuteren als dichter terwijl je bekend bent als poëziecriticus mag dan al een heikele zaak zijn, nog veel gevaarlijker is het te debuteren met een totaal witte bundel. Ik leg dat even uit. Toen ik hier aan het hoofd van Poëziecentrum kwam te staan en ik dus ook uitgever werd van poëziebundels, werd mij gauw duidelijk gemaakt dat je twee dingen niet mag doen: een totaal zwart boek maken of een volledig wit. En dat terwijl ik de auteur ben van een boek dat zo goed als helemaal wit is en mijn eerste beslissing als uitgever was om een geheel zwarte bundel te laten drukken. Gejammer en geweeklaag bij mijn medewerkster, gesakker en geduvel van de vormgeefster werd mijn deel en, nog erger, regelrecht gevloek moest ik ondergaan van de hulp die de boeken voor ons inpakt. Zwarte boeken raken namelijk snel beduimeld, witte zijn meteen vuil. Het is dan ook de nachtmerrie van elke uitgever – ik zou zelfs durven beweren: een heus bedrijfsrisico – om een volledig zwart of wit boek te produceren. Niettemin: Bart Van der Straeten heeft de guts om met een haast totaal witte bundel te debuteren, en uitgeverij Vrijdag neemt dat risico zonder blikken of blozen. U was er zich tot nu toe niet van bewust, dames en heren, maar dat verdient uw grootste respect.

Derde gevaar
Wie de poëziescene een beetje volgt, zal het met mij eens zijn dat er de laatste jaren een hype bestaat rond wat ik graag enigszins denigrerend noem ‘dichters met absurde verhaaltjes’. Zij leveren koddige beschouwingen over hun persoonlijke kleine beslommeringen, of doen op een prettig gestoorde manier verslag van hun rusteloze bestaan in deze vreemde wereld. Ze schrijven over Finse meisjes, over een kamerplant die erin slaagt om hun hele wereldbeeld onderuit te halen of over de paus die hen wil kussen. Dat levert grappige gedichten op die scoren met een slimme pointe en het vaak zeer goed doen op een podium. Dat alles heeft onbalans niet. Daarmee is dit totaal geen voor de hand liggende poëziebundel, laat staan dat het een risicoloos debuut is. Bart Van der Straeten speelt stilistisch gevaarlijk spel doordat zijn poëzie zo radicaal anders is dan wat heden ten dage verschijnt.
Onbalans bevat geen parlando, maar bewust uitgebeende taal. Onbalans is niet ironisch, maar doodserieus en je mag geloof ik zelfs zeggen: ronduit zwaar op de hand. Onbalans is poëzie in plaats van cabaret. Daarmee is dit een klassieke bundel, klassiek in de positieve zin van het woord: het is poëzie die er zich niet voor schaamt poëzie te zijn, en het is poëzie met een grote aforistische kracht. Eindelijk iemand die dat nog eens durft. Ik som een paar van die kernachtige krachtige regels op uit de bundel waaraan ik bleef hangen en die ik graag van buiten zou leren: ‘je moet alles / op de helling zetten’, ‘wat gezegd moet worden / kan juist gezegd worden’, ‘er is een kind dat schreeuwt van vreugde / het is het slotakkoord van iets’, ‘een woord is een bed als een ander’, ‘geloof niet in de draagkracht / er zijn te veel dingen die vallen’. Stijlfiguur bij uitstek in deze bundel is de imperatief. Als lezer word je toegesproken, opgeroepen en aangemaand. Dat heeft iets bijzonder dwingends, maar ook iets erg overtuigends – alsof je als lezer voortdurend gewaarschuwd wordt voor de gevaren die hier beschreven worden, en die zijn talloos. Het ultieme gevaar van onbalans schuilt namelijk in zijn thematiek.

Vierde gevaar
Alleen al de titel doet je op je hoede zijn. Je verwacht niet meteen gezapigheid, laat staan dat je gelooft dat het hier om klein geluk gaat. In onbalans staat veel meer op het spel, dit is existentiële poëzie waarin het gaat over evenwicht zoeken en al dan niet vinden, wat overigens prachtig verbeeld in de vormgeving van de hand van Jan Peeters die telkens de linker pagina wit laat en enkel op de rechter bladzijde een gedicht plaatst. Op die manier wordt een evenwichtige bladspiegel vermeden en kantelt de bundel als het ware naar rechts. Onbalans bevat gedichten waarin het heftigste geluk wordt nagestreefd en niet gevonden, en over de liefde die gevonden wordt, maar ook weer verloren. Tekenend is het titelgedicht, het derde uit de reeks ‘drie hellingen’:

met de borst opgetrokken
de kin vooruit
op het einde
van de wip gaan staan
en springen
onbalans

Wat hier zo mooi is, is de dubbelzinnigheid van die slotregel: wordt er gesprongen omdat er een gevoel van onevenwichtigheid is (uiteraard is dat er, als je aan het ene uiteinde van de wip gaat staan), of ontstaat het onevenwicht net door het springen? Allebei natuurlijk, waardoor het springen – duidelijk een geconnoteerd woord – eigenlijk niets aan de situatie verandert.
Een ander gedicht dat ik er even wil uitlichten, is ‘sprak 1’:

sprak tegen de folteraar
de gefolterde
weet u wat het is
werkelijk alleen te zijn
en ze keken elkaar aan
folteraar
gefolterde
en ze wachtten samen op de lach

Een intriest gedicht: twee tegenpolen, op hun eigen manier eenzaam, vinden elkaar precies in die eenzaamheid. Het werkelijk alleen zijn verbindt hen, wat uitgedrukt wordt in het samen wachten op de lach. Ze lachen niet samen – dat zou alweer te veel gemeenschap zijn – ze zijn stil en wachten, allebei alleen en op die manier samen in hun eenzaamheid. Zelden las ik een gedicht dat de fundamentele existentiële eenzaamheid zo eenvoudig en tegelijk zo krachtig uitdrukt. En daarbij aansluitend: nooit las ik een gedicht dat beter de existentiële angst tracht te bezweren dan ‘proberen’:

wees niet bang
het is iets dat voorbijgaat
in fasen
er zijn er die blijven proberen
uiteindelijk
gaat het voorbij

Die laatste strofe: ‘uiteindelijk / gaat het voorbij’. Wat? De angst? Of het leven, en daarmee dus ook de angst? En dat onder de titel ‘proberen’, dat hier een synoniem is voor ‘leven’. Een beklemmend gedicht.
Dit is een bundel die balanceert op een slap koord: er staat veel op het spel, zowel inhoudelijk als stilistisch, zowel voor de dichter als voor zijn uitgever, maar ook voor de lezer. Die krijgt telkens opnieuw ingepeperd dat het gevaarlijke leven het enige is dat de moeite waard is. Ik verwijs graag naar het openingsgedicht van onbalans:

je moet alles
op de helling zetten
tot het begint
te schuiven
en dan weer zachtjes
kantelen

Hier wordt de lezer aangespoord om telkens alles ter discussie te stellen en altijd opnieuw de zekerheden te verlaten. Dat heeft als gevolg dat het ‘begint / te schuiven’ – er gebeurt iets, het wordt spannend, er komt leven in de zaak. En als dat gebeurt, dan moet je niet ‘doorschuiven’, maar de boel kantelen, zodat alles opnieuw kan beginnen. Een gedicht dat het perpetuum mobile van het gevaarlijke leven beschrijft, het is een nietzscheaans oproep om je veilige, maar vastgeroeste bestaan te verlaten. Ik citeer tot slot graag de filosoof met de hamer uit zijn Fröhliche Wissenschaft: ‘Denn glaubt es mir! – das Geheimnis, um die grösste Fruchbarkeit und den grössten Genuss vom Dasein einzuernten, heisst: gefährlich leben!’. Wie dat alvast goed begrepen heeft, is de Bart Van der Straeten. En strakjes met hem de lezers van onbalans, een gevaarlijk, een gevaarlijk goed debuut.

Carl De Strycker

Kila van der Starre over ALTIJD EEN RAAM van Sylvie Marie

12 juni 2014 § Een reactie plaatsen

Acht jaar geleden deden Sylvie en ik mee aan dezelfde poetry slam. Het was de Vrouwenslam in Amersfoort, die Slamersfoort één maal per jaar organiseerde op Internationale Vrouwendag, 8 maart. In café Borra verzamelden uitsluitend vrouwelijke dichters, juryleden, muzikanten en een presentatrice. Mannen mochten luisteren. Babette, met wie ik het dichtersduo Kila&Babsie vorm, en ik, kwamen samen met Sylvie en Hanneke van Eijken in de finale terecht. Hanneke won en Sylvie en wij waren de tevreden verliezers. Het moet op die avond zijn geweest dat ik voor het eerst Sylvie’s gedicht hoorde dat een grote indruk op mij maakte en dat ik na al die jaren nog steeds het meest met Sylvie en haar werk associeer. Het gaat als volgt:

onze blikken.
ze kruisen. ergens tussen
voordeur en tuinhek. specifieker:
tussen suikerpot en magnetron
ter hoogte van een pruttelende koffiezet
of net iets hoger. ze kruisen boven
borden, noodlottig tegelijk
en met keiharde terugwerkende kracht.

in dit huis gaat het genadeloos.

Dit gedicht maakte zoveel indruk op mij, dat ik enkele jaren later een gedicht schreef met in het achterhoofd het beeld van een punt in een ruimte dat gedefinieerd wordt door zijn relatie tot objecten in die ruimte. Toen ik het liet lezen aan Babsie zei ze, en dat is één van de voordelen van een dichtersduo, ‘Kila, dit kan niet, dit lijkt echt te veel op dat ene gedicht van Sylvie Marie’, waardoor ik me realiseerde dat ik niet de enige was op wie het gedicht een blijvende indruk had gemaakt.

Het gedicht is de eerste uit de cyclus ‘moedermomenten’, dat eind die maand, maart 2008, werd opgenomen in het literair tijdschrift Het Liegend Konijn. Het is díe cyclus, die ervoor zorgde dat Arjan Peters zich een maand later in De Volkskrant uitriep tot ‘ontdekker van Sylvie Marie’, wat er dan uiteindelijk voor zorgde dat Sylvie een uitgever vond, de kersverse uitgeverij Vrijdag in samenwerking met Podium, en haar debuut Zonder verscheen in februari 2009.

Maar, dit wist ik allemaal niet. Sterker nog, dit wist ik allemaal niet tot afgelopen zondag, toen ik Sylvie contacteerde met een vage beschrijving van een gedicht van haar over een magnetron en een koffiepot. Het gedicht dat het begin betekende van Sylvie’s professionele schrijverschap, was zonder dat ik het wist al die jaren hetzelfde gedicht dat aan het begin stond van mijn kennismaking met Sylvie en haar schrijverschap.

De laatste regel van dit vroege gedicht zou niet misstaan in Sylvie’s nieuwste bundel, die vanavond wordt gepresenteerd: ‘in dit huis gaat het genadeloos.’ Want in Altijd een raam staat het huis cen-traal. Specifieker: niet het huis zelf, maar de ruimte binnen en buiten het huis, zoals de titels van de twee delen van de bundel duidelijk maken: ‘binnenskamers’ en ‘buitenshuis’. En meer nog: het kijken naar het één vanuit het ander. Door een raam, een kader, dat alles in perspectief plaatst. Er wordt bij ramen gestaan, er worden ramen geopend, er wordt voor het raam dag in dag uit thee gedronken, maar vooral wordt er door ramen gekeken. Sylvie doet ons met haar kenmerkende ijzersterke beelden, net zoals haar personages, stilstaan bij een raam. Eerst van binnen naar buiten kijkend.

Wat betekent het om lange tijd door een raam te staren, zoals wij ons hele leven lang de dingen aanschouwen door een bepaald frame? Sylvie schrijft: ‘als hij nu eens zo hard door een raam had gekeken, / zo hard en zo veel dat het raam / zich het brandpunt van zijn blik nog herinnert, / zijn pupillen die krompen of groeiden, // zodat er later, als het pand verlaten is en slechts stilte / er nog kraakt, silhouetten op het glas verschijnen / van wie op hem het meeste indruk maakten’.

Sylvie laat het raam tot leven komen: het ziet ons kijken, het onthoudt ons en onze blik. Levenloze dingen komen in beweging, zoals Sylvie de taal in constante beweging houdt. Ze doet dit op subtiele wijze, bijvoorbeeld door zelfstandig naamwoorden en werkwoordsvormen van hetzelfde woord te combineren. Zoals in het gedicht over schaamte, waar wordt gespeeld met de woordduo’s stapelt en stapel, rookt en rook, schamen en schaamte, huist en huis.

Of in de prachtige chiastische regel: ‘omdat je het vocht uit je ogen al altijd uit je ogen vocht’. Echt een geweldige zin. Niet alleen door de twee betekenissen van ‘vocht’, maar ook door de ambiguïteit: is het vechten van het vocht uit je ogen juist wel of niet huilen? Is huilen een vorm van vechten? Of is vechten tegen het huilen juist het gevecht? ‘omdat je het vocht uit je ogen al altijd uit je ogen vocht’ Het is denk ik mijn lievelingsregel; uit Altijd een raam, samen met: ‘ik ontdekte bij een zelfscan dat ik een pacemaker heb’, wat ik de meest atypische regel in de bundel vind en eigenlijk ook in Sylvie’s oeuvre. En juist daarom, omdat hij toch bovenaan een gedicht prijkt, midden in de bundel, pontificaal omringd door twee witregels, raakt die zin mij. Het is een verhaal, een plot, een heel literair universum, vervat in tien woorden: ‘ik ontdekte bij een zelfscan dat ik een pacemaker heb’. Beangstigend is het ook en dat laat Sylvie ons vaker voelen. Zoals gezegd: ‘in dit huis gaat het genadeloos.’ Des temeer als we ons buitenshuis begeven.

We lezen: ‘ik zou meer / van de wereld moeten weten / meedoen, vloeken, naar buiten’. Maar meer van de wereld te weten komen blijkt lastig. Misschien lastiger dan gedacht. Want: vanuit welk kader moeten we de dingen begrijpen? Wat is letterlijk en wat is figuurlijk? Slechte berichten zijn als gewaden en goede berichten als sokken. We kunnen ze aantrekken, uittrekken, rond laten slingeren. ‘je zoekt een metafoor’, zoals in één van de gedichten staat, maar is er wel altijd een metafoor? We lezen: ‘heb je verbetenheid als een capuchon over je hoofd getrokken’. Is dit, net als de gewaden en de sokken, een metafoor? Maar de regendruppels in de voorafgaande regel doen de capuchon als metafoor wankelen. Het regent en we zijn buiten: de capuchon wordt echt. Maar verbetenheid speelt de hoofdrol: de capuchon verdwijnt. Weer zijn we in beweging en wordt het dynamische van taal in poëzie vervat.

Enkele pagina’s verder rent een man keihard tegen het glas van een bushalte op, ‘zodat midden in mijn beeld van de stad een uitdijende ster ontstaat’. Maar dan staat de man doodnormaal aandachtig de bustijden te bekijken. Er wordt heen en weer geschoten tussen twee werelden. Het figuurlijke en het letterlijke. Maar wat is nou wat?

Op de tegenovergestelde pagina wordt het nóg beangstigender. De eerste regel van dat gedicht luidt: ‘mijn moeder hing gisterochtend de hond op.’ Vervreemdend, ‘disturbing’ zou ik haast zeggen. Maar de tweede regel beweegt ons weer naar het figuurlijke toe: ‘ik zie haar in gedachten de strop rond de nek leggen, / het dier naar boven hijsen.’ Aha, in gedachten dus! En in de tweede strofe geeft de ik toe dat hij of zij dingen verzint. Maar de angst blijft, die is echt: ‘nu denk ik dat ik bang ben omdat ik ook wel eens jank, / en blaf, en bijt.’

Wat ‘echt’ is en wat niet, blijft onuitgesproken. Misschien wel omdat we diep van binnen weten hoe de verhoudingen zijn. Zoals we de gaten in regels ook vanzelf aanvullen. Bijvoorbeeld de woorden: ‘we wisten / wat aan alles komt’. Een eind. Of toch iets anders? Zo blijven de vragen opduiken. Zoals de vraag die in het laatste gedicht van de bundel wordt gevonden in de tuin, het grensgebied tussen binnen en buiten. We stellen een vraag, nee, stellen een vraag uit, nee, we stallen hem uit. En zo breekt Sylvie de taal open, als ‘rinkelend porselein’.

Waar ben ik?

Je ziet het archief van juni, 2014 om VrijdagBlog.