Pas uit: ‘Sneltrein China’ van Bart Pennewaert – inleiding

11 juni 2012 § Een reactie plaatsen

Het was een van de vele beelden die op me afkwamen die eerste weken in China. En het bleef om de een of andere reden hangen: de lancering van de Maangodin 1. Ik zag het op de staatszender en telde mee af. Een slanke raket steeg op om de eerste Chinese ruimtesonde in een baan om de maan te brengen. ‘De sonde zal 3D-beelden maken van het maanoppervlak,
en dat in de scherpste resolutie ooit,’ orakelde de omroeper om er niet zonder twinkeling in de ogen aan toe te voegen: ‘Onderweg zal ze ook patriottische liederen spelen.’
Dat was 2007. Het begin van vier wonderjaren. Tijdens die jaren zou China zijn Grote Sprong Voorwaarts eindelijk waarmaken. En hoe. Het gaf aartsrivaal Japan het nakijken als tweede wereldeconomie. Het bouwde de grootste deviezenreserves in de geschiedenis op. Het nam zijn eerste vliegdekschip in gebruik. En het kaapte het meeste goud weg op de Olympische Spelen die het met verve had georganiseerd. Op het eind van die vier jaar was China niet langer zomaar een opkomend land, het kon zich een aanstormende wereldmacht noemen. Met aspiraties die tot in de hemel reikten. Wat me bij het beeld brengt waar ik in 2011 mijn Chinese jaren mee zou afsluiten. Dat van het Hemels Paleis 1 dat door een machtige jetstraal de hoogte in werd gestuwd. Het Hemels Paleis was een proefstation waar ruimtecapsules aan konden worden gekoppeld. Eerst op afstand. Daarna eigenhandig door twee of drie taikonauten. Er was iets opvallends aan het Chinese ruimtevaartprogramma, iets waar ik pas aan het eind van mijn verblijf de vinger op kon leggen. Het gebeurde stap voor stap. Als de
testen met het Hemels Paleis slaagden, zouden nog twee Paleizen in een baan om de aarde worden gebracht. Pas dan zou worden overgegaan tot de ultieme stap: een bemand ruimtestation. Die methodische aanpak hield steek. In de ruimte worden fouten genadeloos afgestraft, en bovendien kan iedereen ze zien. Zo kwam het dat China zijn ruimtestation
pas tegen 2020 plande. Dat was nog steeds behoorlijk snel, maar het was niet de rotvaart waarmee het op de begane grond van leer trok. Het was niet de Chinése snelheid
waarmee ik na vier jaar geïntoxiceerd was geraakt. Chinese snelheid kun je herkennen doordat ze een loopje neemt met de tijd. Ze ontsluit nieuwe dimensies. Wat in het tijdsbestek van een eeuw hoort te gebeuren, voltrekt zich in jaren. De 50.000 wolkenkrabbers bijvoorbeeld die het land wil neerpoten tussen 2000 en 2025. Geloof het of niet, maar het zit daarvoor op schema. Dat komt omdat het elk jaar opnieuw de vloeroppervlakte van een land als pakweg Canada neerzet, zijnde de helft van alle nieuwbouw ter wereld. Dankzij Chinese snelheid kunnen jaren krimpen tot maanden. Het tempo waarin het elektriciteitsnet wordt uitgebreid, is daar een voorbeeld van. China voegt de productiecapaciteit
van België (de eenentwintigste economie ter wereld) toe in tweeënhalve maand en die van Nederland (zestiende economie) in minder dan vier maand. Af en toe vindt nog iets monumentalers plaats. Dan klapt de tijd in elkaar tot wat in de fysica een singulariteit heet, een punt waarbij de wetten van het mogelijke en zelfs het denkbare ophouden te bestaan. De expansie van het Chinese hogesnelheidsnet is zo’n singulariteit. Begin 2007 had China geen kilometer hogesnelheidsspoor. In 2011 had het met 13.000 kilometer het meest uitgebreide netwerk ter wereld. Nog eens vier jaar later zal het, als de planning wordt gerespecteerd, meer spoor hebben dan de rest van de wereld samen. Dit boek handelt over Chinese snelheid. Wat betekent het te groeien aan zo’n snelheid. Hoe wordt ze aan de gang gehouden? Wie moet haar verduren? Kan zoiets verduren eigenlijk wel?
Als dat verhaal een beginpunt moet hebben, laat het dan in Beijing zijn. Daar is de transformatie van stad tot wereldstad in volle gang. Het oude kraakt er onder het nieuwe. Het is een ongelijke strijd. Wat niet belet dat allerlei verzetshaardjes triomfantelijk standhouden. Ik beschrijf dat proces met op de achtergrond het grote canvas dat ons zo bevreemdend blijft. De Chinese taal. De gedachtewereld. Hoe anders die wereld in elkaar zit, al is dat na zoveel groei misschien wel steeds minder.
In tegenstelling tot wat de cijfers laten vermoeden, is Chinese groei bevattelijk uit te leggen. Ze is het resultaat van hard werk en van wat de bewindslui ‘wetenschappelijke ontwikkeling’ noemen. Al komt er ook een aardige portie geschiedenis bij kijken. De huidige generatie heeft uit haar rijke erfenis – en dat was heus niet alleen een communistische – een geloof geput waarmee ze zich aan haar Grote Sprong kon wagen. Een onwrikbaar geloof in maakbaarheid, en in zijn overtreff ende trap: snelheid. Terugkijkend op die vier jaar, is mijn aanvoelen dat dat geloof zijn houdbaarheidsdatum heeft bereikt. Dat is wat ik onthoud uit tal van gesprekken met jonge mensen. Ze zijn enorm gedreven. Ze moeten wel, want onophoudelijke verandering en weinig (sociale) zekerheid eisen van hen het uiterste. Terwijl ze haast allemaal tobben over geld, zijn velen zich vragen gaan stellen over wat ze echt willen in het leven. Ze zijn op zoek. Doorheen het boek volg ik twee jonge vrouwen die hun eigen pad bewandelen. Het is een pad dat bezaaid is met twijfels, dat kronkelt tussen traditie en moderniteit. Mijn
punt zal zijn dat – ja, ook in China – er iets fundamenteels is veranderd nu mensen mobieler, beter geïnformeerd en opgeleid worden. Ze denken voor zichzelf. Ze wensen niet noodzakelijk nog voetsoldaat te spelen voor een wereldbeeld dat hen wordt opgelegd van hogerhand.

Snelheid heeft de Chinezen verblind. Enkele weken voor ik het land verliet, in de zomer van 2011, gebeurde iets dat hen met verbijstering sloeg. Het ultieme beeld dat de Chinese snelheid veruitwendigde, spatte uit elkaar. Nabij Shanghai reden twee hogesnelheidstreinen op elkaar in, waarop er een van een brug stortte en de dieperik in viel. De menselijke tol – 39 doden, 200 gewonden – was zwaar. De smet op het nationale blazoen evenzeer, vooral omdat het ongeval was voorafgegaan door allerhande pannes en malversaties. Beelden zijn belangrijk. De hogesnelheidstrein was het product van een economisch model dat onwaarschijnlijk succesvol is geweest. Voor de politici was het een veelgebruikte metafoor: de Communistische Partij als de machinist van een welvaartstrein die voor niets of niemand uit de weg ging, en zeker niet voor dissidenten, de ‘kiezelstenen’ in het jargon.
Er was geen tijd. Het spoor lag vast. Net als het beeld zal nu ook de werkelijkheid erachter moeten worden herbekeken. De Volksrepubliek is in recordtempo een machtig maar ook meerstemmig en volwassen land geworden. Dat is, met veel voorsprong, het grootste verhaal van onze tijd. De uitdaging van de generatie leiders die eind 2012 de fakkel overneemt, de ‘zogenaamde vijfde generatie’ na Mao Zedong, Deng Xiaoping, Jiang Zemin en Hu Jintao, bestaat erin om zich daar eindelijk mee te verzoenen.

Advertenties

Waar ben ik?

Je ziet het archief van juni, 2012 om VrijdagBlog.