Kleine poëticale inleiding op ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’ van Sylvie Marie — door Roel Weerheijm

11 juli 2011 § 1 reactie

De poëzie van Sylvie is op haar best in de cyclus. Van Zonder is, zonder twijfel, de cyclus ‘Moedermomenten’ het hoogtepunt. Tien gedichten met tien schrijnende anekdotes over moeder en kinderen: ze maken herrie aan tafel om het zwijgen te verbergen, hun blikken vinden elkaar niet (de vraag is: zoeken die blikken elkaar, of doen ze hun best elkaar te ontwijken?), moeder en kinderen zoeken samen tevergeefs naar een oplosmiddel. De moeder richt zich steeds meer op het aanrecht en de tv (wellicht daardoor minder op de kinderen?). En als de kinderen een cadeautje kopen voor moeder, stelt zij het opmerken ervan, en daarna het uitpakken, uit tot het niet meer kan – maar dan hebben blijdschap en verrassing al plaatsgemaakt voor teleurstelling.

Hoogtepunt van Toen je me ten huwelijk vroeg is, wat mij betreft, de cyclus ‘Jij, de stilte’. ‘Jij, de stilte’ gaat over een overleden naaste. Zoals ‘Moedermomenten’ vanuit een reeks anekdotes een beeld geeft van een complexe relatie tussen moeder en kinderen, zo probeert de verteller in ‘Jij, de stilte’ op verschillende manieren invulling aan de ontstane stilte te geven. Geen anekdotes, maar een thematische verkenning van de stilte. Terwijl in ‘Moedermomenten’ de naaste (moeder) er wel is, maar het contact tussen moeder en kinderen complex is, is het in ‘Jij, de stilte’ omgekeerd: wel een goed, liefdevol contact tussen twee naasten, maar een ervan is verdwenen, overleden. Hoe groot en veelzijdig is de dreun die de stilte geeft, en blijft geven? Het wordt een monster, in de nacht hoort de verteller de naaste in de stilte, maar de stilte wordt even later ook een comfortabel kussen. De ik probeert de stilte te bezweren door net te doen alsof de naaste er weer is. Natuurlijk mislukt deze poging tot communicatie. En ook een latere poging strandt als de ik andermaal woorden wil zeggen tegen de overledene. Ze belanden op papier (stilte!) maar de brief zou nooit op de juiste bestemming aan kunnen komen. We eindigen bij de (graf)steen (ook stilte) waar andermaal de wind de stem van de overledene lijkt te zijn. Het beest, het monster, zwijgt. En, tegelijk berustend én dreigend, weten we: gesloten ogen waken ook. ‘Jij, de stilte’ is een volwassen literaire verkenning van de verschillende aspecten van een thema in een, van onderhuids ongemak doordrenkte taal. De poëzie is uitnodigend, verleidend en indringend.

In Toen je me ten huwelijk vroeg is ‘liefde’ het centrale thema. Maar ook in Zonder lazen we al gedichten over de liefde. In die gedichten toont de verteller zich erg onzeker. Er schuilt een drama in alle gedichten, een drama dat niet uitgesproken wordt, maar die in elke letter voelbaar is. De verteller is uitermate kwetsbaar, wat de lezer uit zijn stabiliteit trekt. Ik heb de gedichten gelezen als de van angst en nieuwsgierigheid vervulde verkenningstocht van een onervaren persoon in de liefde, relaties, seks.

De verteller van de liefdesgedichten in Toen je me ten huwelijk vroeg is rustiger en zelfs op de donkerste momenten veel meer beschouwend. De onrustige, ietwat bange, onzekere verteller van Zonder is ouder en wijzer geworden. Werd in Zonder een heftig drama gesuggereerd, in Toen je me ten huwelijk vroeg is het alsof de verteller enig boeddhisme tot zich genomen heeft. Het drama dat ook hier in een deel van de gedichten terugkeert, is haast net zo intens, maar de verteller lijkt er beter tegen bestand dan die van Zonder. De bezwering van het drama achter de gedichten schuilt niet alleen in de inhoud, maar ook in de woordkeuze. In de ‘Moedermomenten’ kwamen nog woorden voor met een duidelijk emotionele, of dramatische lading. Het drama gaat in Toen je me ten huwelijk vroeg schuil in kleine woorden, die op zichzelf nauwelijks een drama behelzen. Op spaarzame momenten, zoals het monster in ‘Jij, de stilte’, of in de cyclus ‘’s Nachts’, keren dramatische woorden terug in het vocabulaire, maar meestal heerst er ogenschijnlijke rust. Het drama wordt daarmee niet benoemd en zeer treffend gesuggereerd.

‘Posities van perfect geluk’ is daar nog het beste voorbeeld van. Er is een aparte ruimte, waar twee geliefden samen zijn. De ruimte is afgesloten van de buitenwereld. Hier staat de lichtste poëzie van de bundel, die langzaam danst, deint, zweeft, rust, wit is van kleur en een oase beschrijft. Maar is het wel zo’n oase, is het paradijselijk? Geen enkel woord beduidt het donkere, het grimmige, of nare gevoelens. Men kan angstig zijn in de liefde, men kan zich juist eenzamer voelen, men kan de nare eigenschappen van de partner benadrukken. Maar niets daarvan in de woorden van ‘Posities van perfect geluk’. Niet eens zómaar geluk, nee, perféct geluk. Hoe kan dit? Is het huwelijk de staat van perfecte liefde, perfect geluk? En wat doet het met je, om samen met je geliefde in een afgesloten ruimte te verkeren? Ik proef een verstopt drama, een verborgen angst, juist omdat die er níét staat.

De anekdotiek in Toen je me ten huwelijk vroeg is soms heel klein en ontroerend. Een vader die zijn dochter fietsen leert, een man die de liefde van de verteller voor zich wint door over zijn veters te struikelen, twee geliefden met een ander dagritme. Maar Toen je me ten huwelijk vroeg bevat aanmerkelijk minder anekdotiek, en meer thematisch uitgewerkte cycli dan Zonder. De tweede bundel van Sylvie is minder vertellend en meer filosofisch van karakter dan haar eerste bundel.

De bundel kon natuurlijk niet tot stand komen als Sylvie en David Troch elkaar niet waren getrouwd. Ik vermijd bewust het ‘autobiografische’ in de poëzie. We kennen de verlovingsfoto’s van Sylvie en David, met daartussen één foto van de geliefden die, hand in hand, van een hooibaal af sprongen. Over die foto schreef ik het volgende gedicht:

Er zijn geen donkere schaduwen om op te trappen, geen

harde grond om tot scherven op te vallen.

We grijpen elkaars handen om vleugels

 

voor elkaar te zijn. We maken vallen

 

zweven

 

en daarna

samen leven.

Waar ben ik?

Je ziet het archief van juli, 2011 om VrijdagBlog.