Van rode haringen en opgeblazen argumenten – Stefan van den Broeck

31 maart 2011 § Een reactie plaatsen

In mijn roman Ongeduld hield ik een pleidooi voor zindelijk denken, ook in zaken die emotioneel heel gevoelig liggen, zoals pedofilie. Geen overbodig pleidooi. Op 26 januari publiceerde professor Buekens van de universiteit van Leuven een onsamenhangend opiniestuk in De Morgen (DM) (Alzo sprak de professor in 1979), waarin hij een column van Etienne Vermeersch uit 1979 citeerde. Daarin had Vermeersch opgeroepen tot een minder hysterische omgang met pedofilie. Buekens scheen  vooral te willen scoren met de suggestie dat de hardnekkigheid waarmee nu de pedofilie in de kerk werd aangepakt een uiting van anticlericalisme is. Verdedigers van pedofilie als Vermeersch worden ongemoeid gelaten en Vermeersch is hypocriet: hij heeft immers recent zijn afkeuring laten blijken voor misbruikende priesters, volgens Buekens in scherp contrast met zijn genuanceerde mening uit 1979. Het waren andere tijden, besluit Buekens, daarmee aangevend dat er toen kennelijk een grotere tolerantie bestond tegenover pedofilie.

Vermeersch legde in zijn reactie in DM van 28 januari (Alzo sprak ik in 1979) helder uit waarom Buekens’ kritiek kant noch wal raakt. Vermeersch’ veroordeling van misbruikende priesters stoelt op de discrepantie tussen de strenge seksuele moraal van de kerk en het gewetenloze gedrag van sommige van zijn bedienaars. De column zelf was een poging tot aanzet voor een maatschappelijk debat over pedofilie, vertrekkend van wat toen geweten was.

Vermeersch pleitte (en pleit nog) voor een rationele, wetenschappelijke benadering en beoordeling van pedofilie en stelt dat niemand verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn geaardheid, enkel voor de manier waarop hij/zij die geaardheid beleeft. Nergens heeft Vermeersch pedofiele handelingen gepromoot of er zich schuldig aan gemaakt. Dit in tegenstelling tot de priesters die hij veroordeelt.

Zijn als filosofisch debat (hedonistisch utilisme!) vermomde betoog kan niet verhullen dat Buekens Vermeersch’ pleidooi plompverloren op één lijn zet met de manier waarop de kerk kindermisbruik probeerde goed te praten. Buekens doet aan intellectuele chantage: als we misbruikende priesters veroordelen moeten we ook Vermeersch (en bij uitbreiding de vrijzinnige gemeenschap) veroordelen, en als we weigeren Vermeersch te veroordelen, hebben we ook niet het recht om de priesters te veroordelen. Docenten in de argumentatieleer vinden hier een schoolvoorbeeld van een combinatie van drogredenen. Het vertekenen van Vermeersch’ standpunt inzake pedofilie staat bekend als een ‘stroman’, die Buekens in staat moet stellen om een valse vergelijking (‘false analogy’) te maken tussen Vermeersch en misbruikende priesters, die dan weer neerkomt op een persoonlijke aanval (argumentum ad hominem) van de ‘tu quoque’- variant (iemands kritiek als onterecht bestempelen omdat hij zelf niet zonder zonde is), bedoeld om de aandacht af te leiden van de wandaden van clerici (van onderwerp veranderen om niet op kritiek te moeten ingaan heet in de argumentatietechniek een ‘red herring’). Ofwel denkt Buekens dat hij wel zal wegkomen met deze sofismen, omdat de publieke opinie vandaag niet uitblinkt in nuance, ofwel is het al zover gekomen dat dit onzindelijk denken tot in de academische wereld is doorgedrongen. Ook Buekens’ collega emeritus professor Herman de Dijn gebruikte in een opiniestuk van 1 februari 2010 in DM (De betwistbare moraal van Etienne Vermeersch) een soortgelijke stroman. Vermeersch diende hem de volgende dag gevat van repliek (de onbestaande moraal van Herman de Dijn lezersbrief DM 2 februari 2011).

In DM van 3 februari 2011 (Wat zegt de vrijzinnige beweging over pedofilie?) stelde professor Kurt Martens van de Catholic University of America in Washington DC de vraag of de parlementaire commissie inzake seksueel misbruik niet moet nagaan of meningen als die van Vermeersch in het verleden de tolerantie tegenover pedofilie niet hebben bevorderd. Ook in zijn kofferwoord ‘pedofilie’ ging alle nuance uit Vermeersch’ stuk (moedwillig?) verloren. In essentie kwam Martens’ betoog neer op dezelfde combinatie van sofismen als bij Buekens. De stroman van Martens valt minder op door de heersende spraakverwarring over het woord pedofilie dat tegenwoordig alleen nog ‘misbruik van kinderen’ betekent, maar in 1979 nog gewoon ‘een erotische voorkeur voor kinderen’ betekende. Waar Vermeersch in zijn stuk net voor pleitte was om de pedofielen van de kinderverkrachters te scheiden aan de hand van de schade die ze aanrichten. Vermeersch ‘verdedigde’ hooguit de ‘brave’ pedofielen, die maatschappelijk aanvaardbare uitlaatkleppen voor hun geaardheid hanteren (voyeurisme, blote spelletjes, betasten met wederzijdse toestemming…). Hij stelde zich enkel de vraag hoe we konden bepalen of en vanaf welke leeftijd kinderen toestemming kunnen geven, wat maatschappelijk aanvaardbaar is, wat dus schade aanricht en wat niet. In geval van regelrechte verkrachting (zoals in vele gevallen van seksueel misbruik in de kerk) bestond daar ook toen geen twijfel over.

Martens stelt een pedofiel die met een argeloos kind in bad gaat gelijk aan een verkrachter, geholpen door de betekenisverenging van het woord ‘pedofiel’. Spelen met de verschillende betekenissen van een woord heet een ambiguïteitsdrogreden. Martens speelt ook nog een perfide spel met de controverse tussen Vermeersch en Buekens. Vermeersch’ ontmaskering van Buekens’ stroman ziet hij als een bewijs dat Vermeersch’ tekst kennelijk moeilijk correct te begrijpen valt (als een professor het al niet kan…). Hij achtte het dus waarschijnlijk dat in 1979 ook de vrijzinnige goegemeente Vermeersch’ boodschap verkeerd heeft geïnterpreteerd en al te tolerant is geworden tegenover pedofilie. Pedofilie was dus volgens hem wellicht ook een probleem van de verlichte, vrijzinnige elite met libertaire neigingen. Hoe dit scenario, zelfs als het zou kloppen, het misbruik in de kerk vrijpleit, is niet helemaal duidelijk. Het ruikt alweer naar een tu quoque-redenering om critici de mond te snoeren (een red herring, dus).

Dit onzindelijk denken is overigens niet beperkt tot de academische wereld. Het doordesemt stilaan onze hele maatschappij: het maakt mogelijk dat een naïeve wereldverbeteraar als Luc Versteylen zich plots op één hoop gegooid vindt met mensen als Dutroux. Versteylens vrijmoedige seksuele opvoedingsmodel zal wel eens een jongere in zijn centrum hebben geschokt en ongetwijfeld heeft hij in zijn bekeringsijver soms persoonlijke grenzen overschreden. Maar laten we ook vaststellen dat geen van zijn aanklagers beweren door hem te zijn verkracht. Een van hen liet optekenen dat hij Versteylen wel had aangegeven omdat die ooit met z’n hand in z’n broek had gezeten, maar dat hij hem nog altijd doodgraag zag. Deze man heeft duidelijk geen trauma overgehouden aan de betasting, die naar eigen zeggen ook onmiddellijk werd beëindigd toen hij daarom vroeg. Toch vond hij het kennelijk nodig om zijn geliefde mentor aan te geven bij het gerecht. Als je iemand vaak genoeg zegt dat hij een slachtoffer is, gaat hij het uiteindelijk wel geloven. In de geneeskunde zijn dit de ‘iatrogene aandoeningen’.

Maar de goegemeente vindt dit ‘gemuggenzift’: Versteylen is een pedofiel (verkrachter, dus) en wee degene die zijn verdediging  op zich neemt. Rik Torfs waarschuwde in een column over Versteylen in De Standaard (10 januari 2011, De schijnzekerheid van het preutse bestaan) tegen het puritanisme dat de kop opsteekt in het zog van de kindermisbruikschandalen. Conservatieve krachten zien in de ontsporing van priesters en andere gezagsfiguren een kans om de vrijheid inzake seksualiteit in onze maatschappij in te perken. Zelfs de verzekering dat het gerecht de aantijgingen tegen Versteylen moet uitvissen kon Torfs niet baten. Hugo Camps reageerde giftig (Martelaarschap: DM 20 januari 2011). Versteylens beroemde verbloemende seksvocabularium werd nog maar eens belachelijk gemaakt en voorgesteld als een poging om perversiteit te camoufleren. Zijn entourage (onder wie Torfs) werd net niet (of net wel: met Hugo weet je het nooit zeker) van medeplichtigheid beschuldigd.

Dit zijn de hoogdagen van de ‘waar rook is, is vuur’-redenering, in de argumentatieleer beter bekend als het ‘opblazen van een verzwegen argument’. Die drogreden duikt overal op waar mensen kanttekeningen plaatsen bij het heersende discours. Een mogelijk (veelal oneervol) motief voor een mening, uitspraak, voorkeur wordt zonder enig bewijs geponeerd als het enig mogelijke. ‘Wie de indruk geeft dat hij de opvoedingsmethode van Versteylen verdedigt, geilt op kinderen.’ Dat zo iemand het welzijn van de maatschappij op het oog heeft, omdat een ontspannen seksuele opvoeding veel psychiatrische klachten voorkomt en het leven ook gewoon leuker maakt, wordt al bij voorbaat ondenkbaar geacht.

Deze denktrant maakt de regeringsvorming onmogelijk (Wie kritiek heeft op de N-VA is een slechte Vlaming!),  heeft ook gezorgd voor de veroordeling van Els Clottemans (Wie zo’n anonieme brief stuurt heeft moordplannen.), wordt misbruikt om Julian Assange in een slecht daglicht te stellen (Als die meisjes zeggen dat ze verkracht zijn, is dat zo.) en geeft een gek een excuus om een congreslid neer te kogelen. (Wie het niet eens is met Sarah Palin is een vuile communist!). En dan maar schelden wanneer moslims satire beantwoorden met geweld.

Perceptie stoelt vandaag op denkfouten. ‘De perceptie regeert’ betekent ‘de denkfout regeert’. Dat leidt tot gedachtecensuur. Maar wie maalt er om in een door emoties gedreven maatschappij? Laat ik, gezien het hierboven geschetste klimaat, dus maar heel duidelijk zijn: het leed dat kinderverkrachters aanrichten staat buiten dit betoog. Natuurlijk moet dat beteugeld en indien mogelijk voorkomen worden! Maar in zijn ijver om deze misdadigers te bestrijden verliest deze maatschappij alle gevoel voor nuance en zindelijk denken en zet zichzelf vast in een louter repressieve zwart-witlogica en ondoordacht, zelfs contraproductief puritanisme.

Zo is bij ons kinderporno terecht verboden om kinderen te beschermen tegen het misbruik dat met het maken ervan gepaard gaat. Maar het verbod omvat ook virtuele kinderporno, die zelfs in een puriteins land als de Verenigde Staten legaal is. Het blijkt immers dat de beschikbaarheid van (virtuele) kinderporno het aantal kinderverkrachtingen significant doet dalen. Het vaak gehoorde argument dat het kijken ernaar zou aanzetten tot actief misbruik (de ‘stepping stone-theorie’) wordt door de beschikbare data eerder tegengesproken dan bevestigd. Het ongenuanceerde discours over pedofilie creëert ook onnodige, zelfs pathologische angst, stond op 29 januari 2011 te lezen in een lang artikel (De schrik zit er steeds dieper in) in DM. Daarin werd uiteengezet hoe de heersende pedofiliehysterie de relatie tussen ouders en kinderen dreigt te verzieken. Ouders durven hun kind niet meer te knuffelen, wassen, helpen op het toilet… Er dreigt een afstand en kilte te groeien, waar kinderen vooral geborgenheid en affectie nodig hebben om evenwichtige volwassenen te worden. Kinderen worden door het voortdurende bombardement met misbruiknieuws overdreven bang en wantrouwig tegenover volwassenen. Overigens publiceerde dezelfde krant op dezelfde dag een twee keer zo lang verhaal over een pedofiele missionaris. Het volk heeft recht op informatie, nietwaar?

Stijn Meuris over ‘Machteloos’ van Steven Crombez

10 maart 2011 § Een reactie plaatsen

Kijk mensen, ik ga hier eerlijk in zijn: ik heb dit boek gelezen. Van voor tot achter. Ja, je kan zeggen, lezen is niks; het is het schrijven van een boek dat echt moeilijk is. Maar daar kan ik slechts ten dele mee akkoord gaan. Ik heb nog wel andere dingen te doen dan een boek te lezen, en bovendien geef toe; zo’n titel als ‘Machteloos’, daar begin je niet met volle goesting aan. Voor hetzelfde geld slaat zo’n titel op de innerlijke strijd die de auteur al na anderhalf hoofdstuk ervoer met betrekking tot het effectieve schrijven van zijn eigen boek, en dat werkt niet erg wervend. Noch op de schrijver zelf, laat staan op de lezer. ‘Machteloos’ is wat dat betreft een gevaarlijke titel. Het is slechtst de allergrootsten gegeven om daar ook daadwerkelijk een machtig boek op te laten volgen.

Maar goed, ik heb het dus helemaal uitgelezen. Volgt dan nu de recensie. Die kan ik kort houden: dit is een goed boek. Wat zeg ik: het is een heel goed boek. Ik kan het weten, want ik heb al vele malen mindere goeie boeken gelezen, en zo’n voorkennis is altijd handig als je bezig bent aan een goed boek. Je kent dan meteen de ijkpunten, en afgemeten aan die ijkpunten scoorde ‘Machteloos’ buitengewoon goed.

Ten eerste speelt het boek zich af in Italië, wat altijd een pluspunt is. Het weer valt daar doorgaans mee, het eten en drinken is er prima, en Italianen vormen steeds weer een bron van inspiratie, zo blijkt uit de literatuurgeschiedenis. Bovendien had de schrijver zijn boek evenzeer in tal van andere landen kunnen situeren, maar dat zou toch niet hetzelfde effect geressorteerd hebben.

Stel nu dat zijn boek zich zou hebben afgespeeld in Libië. Daar is het weer ook vaak goed, al ben ik van de culinaire gewoontes in Libië niet voldoende op de hoogte om te beoordelen of het eten daar ook lekker is. Maar goed, Libië dus. Dat het dus zou gaan over een oude man die zich op een klein eiland voor de Libische kust vastklampt aan z’n vergane macht en aldus z’n eigen machteloosheid zou tegenkomen. Dat zou een heel ander verhaal geworden zijn, waarbij het gevaar ontstond dat het boek al snel achterhaald zou worden door de actua. En een goed boek, zo weten we allemaal, is tijdloos.

Bovendien spreekt Steven Crombez aanzienlijk beter Italiaans dan Libisch, of hoe dat daar ook moge heten.

Ik ken Steven al enkele jaren, en ik moet toegeven: altijd al heb ik geweten dat ie ooit een goed boek zou gaan schrijven. Je ziet dat wel vaker bij mensen die niet veel zeggen, en die vooral weten wanneer ze helemaal niks moeten zeggen en wanneer ze beter zouden zwijgen. Dat is meteen de reden waarom IK bijvoorbeeld nooit een goed boek zal schrijven. Ik heb namelijk alles al gezegd wat er te zeggen viel, en dan is het een beetje onnozel om dat nog eens te herhalen in een boek. Een boek kost ook al gauw zestien tot twintig euro, terwijl als je een half uurtje tegenover mij komt staan, dan krijg je het hele verhaal gratis. Desgevraagd bezorg ik je zelfs nog de samenvatting van dat half uur er bij, in een extra aanvullende monoloog van een paar minuten.

Zoniet bij Steven. Hij is een waarnemer waarbij alles wat waargenomen wordt op zijn interne harde schijf wordt opgeslagen, klaar om ingezet te worden in een goed verhaal. Dat zijn de echte schrijvers. En geloof me, op die interne harde schijf van Steven Crombez, daarop staat nog veel meer. Ik hoop dan ook van harte dat de mensen van uitgeverij Vrijdag voldoende gewapend zijn tegen wat er nog komen gaat. Het is natuurlijk nog eventjes, maar ik zou toch alvast een extra gangpad bestellen voor op de komende Boekenbeurs, want Steven kennende is hij nu pas echt begonnen. ‘Machteloos’ was slechts een vingeroefening, een kleine opwarming. Het was de weliswaar al zeer geslaagde aanloop naar iets wat men gemeenzaam een oeuvre pleegt te noemen. Voorzie deze man van pen en papier, laat hem enkele maanden met rust, betaal eventueel zonder morren zijn ingediende onkostennota’s vanuit Italië, en bereid u voor op een – geheel in de Scandinavische traditie – ‘Machteloos II’ en een ‘Machteloos III’, eventueel afgesloten met een avondvullende film.

Maar voor het zover is, en zonder enige vorm van understatement: laaf u voorlopig alvast aan ‘Machteloos I’. De enige machteloosheid die u als lezer zal ervaren, is de machteloosheid die vervat zit in het onvermijdelijke besef: shit, dit had ik nooit gekund. Dit is dan ook een heel goed boek.

Dankuwel.

Stijn Meuris



Waar ben ik?

Je ziet het archief van maart, 2011 om VrijdagBlog.