Over ‘Achterwerk’ – Geert Stadeus

18 januari 2011 § 1 reactie

Het rode boekje van An Olaerts en Klaas Verplancke. Het mag gezien zijn, het moet gelezen worden. Ik zal u kort uitleggen waarom. De columns komen uit Vacature, een blad dat elke week zeer gul is met up-to-date informatie over carrières, bonussen, jobtrends en hoe je als manager best onder de mensen komt. Dus moest het boek een hoofdkussenboekje worden. Als u bij het woord ‘hoofdkussen’ denkt aan rust, kalmte en sereniteit… een wijs en troostend woord voor het slapengaan, dan kent u An Olaerts niet goed.

Het is dan ook een boek dat je met de nodige omzichtigheid een plaats geeft op je nachtkastje. Managers met een al te groot ego steken het zelfs best in de nachtkastlade, want voor je het weet heeft je bedgenote of bedgenoot het te pakken en ligt die je in je eigen lakens uit te lachen. An zet ze graag te kakken, de ‘dikke heren’ al dan niet van stand. Achterwerk valt op door zijn lieflijke vormgeving en de tot de verbeelding sprekende titel. Schattig! Maar vergis u niet. Het is de gremlin onder de hoofdkussenboekjes. Het is de tijdbom op uw nachtkastje. En niet eens een tikkende tijdbom, die fatsoenlijk het tijdsverloop aangeeft, de dreiging in de verf zet en je nog een kans geeft. Neen, het is een achterbaks boek dat stil ligt op het nachtkastje, tot het op een goede nacht uw haar in brand steekt. Dat komt omdat de ene column de andere niet is. Want je kunt columns schrijven als katten die ’s avonds op je schoot komen spinnen. Daar doet An niet aan. An Olaerts schrijft colums als nijdige jonge hondjes die in je kuiten bijten. An werkt, An schrijft over werk, An schrijft over alles wat van ver of dicht met werk te maken heeft. Dat van haar, dat van u. Je steekt er dus ook wat van op. Ik heb zo veel bijgeleerd over solliciteren dat het me speet dat ik al werk had. Maar: is het allemaal wel waar? Neen. Het is allemaal gelogen, verdraaid of verzonnen. Hier en daar staat iets dat waar is. Dat is An dan vergeten. Het geeft niks. Dat neemt niet weg, An, dat 500 euro vragen voor uw kapotgetypte laptop er inderdaad echt wel serieus over is.

Ik wil u hier vooral waarschuwen. Een gewaarschuwd man is er twee waard, en om An Olaerts weerwerk te bieden is dat echt wel het absolute minimum. Haar foto moet worden verspreid en goed zichtbaar aangebracht in treinwagons, wachtzalen en praatcafés. Want weet dat, als u An ergens ziet, dat zij u zeker en vast al minstens een kwartier eerder in de smiezen had. En vraag u niet af of u in die tijd misschien iets zou hebben gezegd of gedaan waardoor u wel eens het mikpunt van spot zou kunnen worden, ooit. Wees gerust: dat deed u. Ze fileert u, ze haalt u onderuit en ze zet u in uw hemd. En gelukkig maar. Dat alles doet zij in haar geheel eigen onnavolgbare stijl. Ze zet de taal de ene keer naar haar hand, en de andere keer een hak. Ze gebruikt woorden van nu, woorden van vroeger, woorden van hier en ginder en zelfs stomverbaasde woorden die nog niet eens weten dat het woorden zijn.

Het antwoord op de vraag ‘Wilt ge voor ons eens een column schrijven’ is bij An immers nooit gewoon ja. De ene keer is het een column pur sang. De andere keer is het poëzie die zich in proza heeft vermomd. Dan weer is het een sprookjesachtig verhaal waar allerlei creaturen in voorkomen, die je in ieder geval niet op elke werkvloer verwacht. De lieveheersbeestjes die bedreven zijn in consultancy, de kleurrijke artiesten die de dienst uitmaken bij Circus Zakdoek, en hier en daar een worm die niet voldoet aan de verwachtingen… Nu zullen ze het daar bij Vacature wel al gewoon zijn, maar ik kan me zo de situatie op de eindredactie voorstellen na pakweg zeven of negen columns. De vers aangeleverde tekst wordt geforward en gedeeld, koppen worden bij elkaar gestoken, twijfels uitgesproken, vragen gesteld. Is dat hier niet meer een sprookje dan een column? Is het niet een beetje raar? En dan de durvers: “Zouden we haar eens bellen?” Ze heeft dat niet graag, maar toch. Gelukkig maar hebben ze het daar bij Vacature op tijd doorgekregen, dat je An maar beter haar zin kunt laten doen. Het heeft allemaal wel een reden, allemaal wel een doel, en terwijl je wacht tot je het snapt, is het op zijn minst al mooi om lezen.

Ik weet waarover ik spreek. Ik heb ook geprobeerd om An te briefen. Dat is altijd een heel aparte ervaring. An instructies geven, dat kan, maar het is en blijft een heikele kwestie. Je vertelt haar dan waarover het stuk moet gaan, welke foto’s er bij komen, welke invalshoek interessant lijkt, welk soort artikel het best zou worden, tout court. Telkens maakt An ijverig notities, knikt ze afwisselend instemmend en beleefd, en zegt ze dat ze op tijd zal proberen te zijn. Een paar dagen voor de deadline mailt ze dan dat het erg druk is en dat ze waarschijnlijk te laat zal zijn, maar dat is maar om er de spanning in te houden. Want op de afgesproken dag zit dan keurig op tijd het artikel in de mailbox. En dan lees je het, als steeds, met stijgend genoegen, om dan te besluiten dat An haar notities alleen maar uit vriendelijkheid mee naar huis had genomen. Dat het absoluut niet het stuk is geworden dat je hebt gevraagd, maar wél 100% het stuk dat je wilde krijgen.

Met dit boekje is het precies zo gelopen, denk ik. Eigenlijk is het geen bundel colums, maar een pittige en geestige urban novel waarin we allemaal een rol of een bijrol krijgen. Of zeg maar graphic novel, want het wordt stilaan tijd dat ik Klaas Verplancke bij de werkzaamheden betrek. Ik ken Klaas niet zo goed maar ik weet dat hij een fijn mens is. Misschien ligt het aan de goedheid die zijn naam al doet vermoeden. Telkens als Klaas mailt of belt, voel ik de neiging om een schoen met een wortel bij de schoorsteen te zetten van pure dankbaarheid. Ik denk dat ik er ook wat potloden in zou steken, want de gedachte dat Klaas ooit zonder tekengerief zou komen te zitten is te erg voor woorden. Net als An geeft hij hier vorm aan een merkwaardige mengeling van liefde en leedvermaak, humor en ontroering. Het is, dames en heren, een bijzonder leuk boek geworden. Het maakt een beter mens van elk van u. En als u dat niet gelooft, dan maakt An u wel iets anders wijs. Alleen daarom al, zou ik het toch maar eens proberen.

An Olaerts, met illustraties van Klaas Verplancke, Achterwerk. Stukjes scherp voor ijverige mensen, Vrijdag, 2010 (bestel hier)

Geert Stadeus, hoofdredacteur Snoecks, sprak deze laudatio uit op de boekvoorstelling van Achterwerk in de bibliotheek van Genk op vrijdag 14 januari 2011.

Advertenties

De speelgoedzaaiers – Kris Peeters

17 januari 2011 § 1 reactie

Ze staan er weer, de files naar de Heizel omdat daar het Autosalon plaatsvindt. Officieel gaat het om een editie die alleen bedrijfswagens en vrijetijdswagens in de schijnwerpers zet. Maar zoals de website Autofans opmerkte “zijn er weinig merken die niet present tekenen”. Logisch, want de grens tussen werk-tuigen en speel-tuigen vervaagt gestaag. Ze worden dan ook zonder onderscheid aan de man gebracht als speelgoed voor volwassenen, in plaats van als de ‘levensnoodzakelijke gebruiksvoorwerpen’ die doorgaans in mobiliteitsdebatten worden opgevoerd.

De salonslogan sluit daar naadloos op aan: ‘Drive your dream’. De organisatoren roepen op om “weer te dromen”. Ze motiveren dat als volgt: “De automobielsector staat de laatste jaren zwaar onder druk door internationale milieunormen en –wetgevingen. Een positieve en noodzakelijke evolutie voor de wereld van vandaag en morgen. Maar nu de economische en financiële crisis een beetje geluwd is en de meeste merken de nieuwe milieunormen een plaatsje hebben gegeven in hun assortiment, wil de organisator van het Salon de sector terug in een positief daglicht plaatsen.”

Zo leren we nog eens wat. Het milieu staat niet onder druk van de auto. Het is de autosector die zucht onder het juk van het milieu. Voorwaar een Copernicaanse revolutie die we nog niet kenden. En was er ooit reden tot aanpassing, dan is het nu blijkbaar genoeg geweest: we worden uitgenodigd ons te komen vergapen aan ruime monovolumes, robuuste 4×4’s en de vele pk’s van de luxewagens. Geen woord over compacte, lichte voertuigen met een aan de echte behoeften aangepast vermogen. Niet verwonderlijk natuurlijk: naar dit soort voertuigen is het zoeken met een vergrootglas. In realiteit zijn de meeste modellen nog steeds overgemotoriseerd en oversized. Ze lijden dus aan overgewicht, wat letterlijk weegt op de energie- en milieuprestaties. In 1980 zette een in Europa verkochte auto gemiddeld 944 kg op de weegschaal. In 2009 was dat 1337 kg. Van alle fabrikanten met in 2009 meer dan 10.000 ingeschreven voertuigen in de Europese Unie slaagde welgeteld één fabrikant erin volledig te voldoen aan het Europese streefcijfer van 110g CO2/km voor 2015: Marutti.

Ik heb het nagekeken, Marutti staat niet op het Salon.

Het is waar: in één droompaleis kan je (mee)rijden met elektrische auto’s. Het gaat dan om modellen die in de meeste gevallen nog niet te koop zijn. Vandaag dienen ze dus vooral als gewetensussend glijmiddel voor de klassieke modellen met verbrandingsmotor. Over enkele jaren zullen deze laatste door de sector zelf als vervuilend en onverantwoord worden afgeschreven (en aldus een argument zijn om een nieuwe wagen te kopen), maar voorlopig heten ze nog groen en milieuvriendelijk. Niet omdat ze dat werkelijk zijn, maar omdat overheid en autosector dat zo met elkaar hebben afgesproken. In het beste geval zijn ze een beetje minder schadelijk voor milieu en gezondheid dan gemiddeld. En dan nog. Intussen is genoegzaam bekend dat er een kloof gaapt tussen theorie en praktijk. Bovendien zijn de normen niet tot stand gekomen op basis van wat ons klimaat en ons milieu kunnen dragen, maar na intensief gelobby van de sector. Vooral de Duitse autobouwers, traditioneel aanbieders van grotere en zwaardere wagens, lieten zich daarbij niet onbetuigd. Het resultaat is navenant. Mede door een groeiend wagenpark en toenemend wagengebruik, is de CO2-uitstoot van de transportsector in vergelijking met twintig jaar geleden toegenomen, niet afgenomen. Al bij al is het dus nog wat vroeg om ‘back to business as usual’ te gaan.

Nu ja, de autosector is nooit een toonbeeld van maatschappelijk verantwoord ondernemen geweest. Dan heb ik het niet alleen over het arrogante gemak waarmee hij zijn personeel bij het groot huisvuil zet wanneer de winsten onder druk komen. Er is ook het historische feit dat alle betekenisvolle innovaties op het vlak van veiligheid en milieu er kwamen omdat ze werden afgedwongen door consumenten- en milieuorganisaties en, later, overheden. Van de autoconstructeurs moeten we dus niets anders verwachten. Maar dat de federale overheid zich in naam van het milieu en met belastingsgeld medeplichtig maakt aan de grote restauratie-operatie van de sector, doet de wenkbrauwen fronsen.

Wie vandaag een auto koopt die, althans in een laboratorium, minder dan 115g/CO2 per kilometer uitstoot, wordt daarvoor beloond met een fikse overheidspremie. De gevolgen van die regeling zijn velerlei en pervers. Om te beginnen zijn de betrokken modellen zowat de enige waarvoor de sector de wetgeving respecteert inzake de affichering van de milieugegevens. Voor alle andere kunnen de lettertjes niet klein genoeg zijn. Dat is mogelijk, want een systematische controle op de al uit 2001 daterende wet ontbreekt. Ten tweede wordt de milieuschadelijkheid verengd tot CO2. Zo vallen alle andere emissies buiten beeld. Een verdere verdieseling van ons wagenpark is het gevolg, zodat we kunnen spreken van door de overheid gesubsidieerd fijn stof. Het moet zijn dat één en ander bewust gebeurt. Ons land beschikt immers al enkele jaren over een veel betere (zij het evenmin perfecte) maatstaf voor milieuschadelijkheid: de ecoscore, die rekening houdt met veel meer parameters. Ten derde gaan de federale premies compleet voorbij aan het gegeven dat elke nieuwe wagen al verantwoordelijk is voor een pak energie- en milieuverbruik nog voor hij ook maar één kilometer heeft gereden. Deze ‘embodied energy’, de energie die nodig was voor de productie en die dus door de auto ‘belichaamd’ wordt, weegt natuurlijk minder zwaar door naarmate die auto langer wordt gebruikt. Bijgevolg is het allesbehalve vanzelfsprekend dat de vervanging van oude wagens door nieuwe een zegen is voor het milieu.

Zou het kunnen dat wat ons gepresenteerd wordt als milieubeleid eigenlijk vooral economisch steunbeleid is aan een sector die decennialang alleen zichzelf als norm aanvaardde? Een waarachtig milieubeleid zou premies geven voor het niet-bezitten van een auto, voor de aankoop van een fiets of voor de uitrusting van het bestaande wagenpark met Intelligente SnelheidsAanpassing (ISA). Dat laatste zou niet alleen winst opleveren voor het milieu, maar ook voor de leefkwaliteit en de verkeersveiligheid.

Overigens hebben we het dan nog niet gehad over het meest perverse effect van de premies: de gesubsidieerde verkoop van auto’s met ‘lage’ CO2-uitstoot zorgt ervoor dat het gemiddelde van alle verkochte wagens van elke constructeur daalt. Daardoor kunnen ze hun dure, zware, snelle, meer winstgevende en meer vervuilende topmodellen blijven aanbieden zonder het risico op boetes van Europa.

Het heeft er dan ook alle schijn van dat de dromen waarmee men ons vandaag wil laten rijden, de nachtmerries van morgen zullen zijn.

Kris Peeters, auteur van De file voorbij. Afscheid van het automobilisme, Vrijdag, 2010 (bestel hier)

Deze bijdrage verscheen in De Standaard, 15 januari 2011.

Brief aan W.H. Auden – Stefan van den Broeck

14 januari 2011 § Een reactie plaatsen

Geachte W.H. Auden,

Weet dat u zich in ons landje aan de Noordzee plotseling in een bescheiden revival mag verheugen. Niet dat uw gedichten plots meer literatuurliefhebbers zijn gaan bereiken, nee, de bevolkingsgroep die u onlangs heeft herondekt is die van de popzangers.

Nou ja, als ik zeg dat u werd herontdekt, bedoel ik vooral één gedicht van u: ‘Funeral Blues’, een klassieker op menig begrafenis. Uw collega-dichter Marc Tritsmans gebruikte de laatste strofe eruit als motto voor zijn dichtbundel Oog van de tijd als hommage aan uw andere, toen pas overleden collega, Herman De Coninck. En het werd ook voorgedragen in de Hugh Grant-film Four Weddings and a Funeral. Maar popmuziek, dat is nieuw. Welnu, recent joeg Radio 1 met een zekere regelmaat de nieuwste hit van Admiral Freebee – Look at what love has done – de ether in. Daarin komen twee verzen uit ‘Funeral Blues’ voor:

‘The stars are not needed now, turn out everyone

Pack up the moon and shoot out the sun’.

U zal onmiddellijk opmerken dat het hier om een vrij citaat gaat. Bij u luidt het eerste vers: ‘The stars are not wanted now, put out every one’, en het tweede: ‘Pack up the moon and dismantle the sun.’ Of de Admiral hier losjes uit het hoofd citeerde of copyrightperikelen wilde vermijden, doet niets af aan het feit dat hij hier toch maar gratis reclame maakt voor u.

Ook de minder bekende punkgroep Eat Lions citeert in hun nummer Ancient Future hetzelfde gedicht, zei het minder begrijpelijk gezongen. En gezien hun minder melodieuze variant van popmuziek kan men zich in dit geval afvragen of u wel geflatteerd zou zijn door hun ‘hommage’. Maar met het talrijke publiek dat popmuziek geniet, zou deze belangstelling voor uw werk van twee artiesten wel eens voor een groot aantal van uw dichtbundels onder de kerstboom kunnen zorgen. You wish.

Want ziet u: niemand heeft iets gemerkt. Admiral Freebee zelf gaat er kennelijk vanuit dat je als rechtgeaarde popzanger niet zomaar aan iedereen kan vertellen dat je een dichter hebt geciteerd: je staat zo snel bekend als een snob. De fans hebben het alvast niet door. Welgeteld één fan op de Facebookpagina van Admiral Freebee en één op You Tube hebben de verwijzing opgemerkt. Maar geen enkele dj of radiomens heeft Look at what love has done ooit ingeleid met een verwijzing naar u. Dan doet een popmuzikant eens moeite om zijn fans op te voeden, dan wordt dit nobel streven gesaboteerd door de Beotiërs die in dit land de media bevolken. Nochtans, toen de groep Absynthe Minded een gedicht van uw Vlaamse collega Hugo Claus vertaalde en op muziek zette, was dat wel groot nieuws. Gat in hun cultuur? Eigen dichters eerst? Desinteresse? Onderschatting van het publiek (Auden kennen ze toch niet!)? Ik weet niet welke verklaring ik het ergst zou vinden. En u?

Stefan van den Broeck, auteur van Ongeduld, Vrijdag, 2010 (bestel hier).

Waar ben ik?

Je ziet het archief van januari, 2011 om VrijdagBlog.