Het rood keert altijd terug – Johan Swinnen

26 maart 2018 § Een reactie plaatsen

Enkele reflecties na de eerste BRUZZ-TV-episode: ‘De Innovation: complot of complottheorie?’, over de waarachtigheid van een sleutelroman door de auteur Johan Swinnen van ‘Happening. De aanslag in de Inno.’ (Uitgeverij. Vrijdag).

 

1.

Ik besef sinds de docu-reeks online is (dinsdag 20 februari) door de steunende, kritische maar massale reacties dat mijn verantwoordelijkheid als auteur van een sleutelroman over de aanslag op de Inno 22 mei 1976 groot is. Ik wilde nooit een vrijblijvende roman schirjven, maar toch: ik ben verwonderd door de vele reacties.

Het schrijfproces en mijn wetenschappelijke aanpak van het Vrij Onderzoek (40 jaar VUB-expertise!) met historische kritiek en een wetenschappelijke methodologie als uitgangspunt in mijn twintig jaar lang INNO-onderzoek van alle raadpleegbare

(inter-)nationale archieven en talrijke interviews vormden de basis voor mijn vorig jaar in mei verschenen roman ‘Happening’. De breedaangenomen grenzen tussen goed en kwaad deden me kiezen voor het concept van een roman omdat het meer mogelijkheden gaf om het complexe extreem-linkse klimaat anno 1967 aanschouwelijker aan te tonen, alsook mijn eigen ervaringen als dertienjarige en de daaropvolgende linkse jaren bij AMADA. Dat gaf ook ruimte aan rebelse personages in mijn boek als Delphine en Gaston: zij zitten vol ambiguïteit, kleinmenselijke ambities en zijn gevoed door ideologische motieven om zich zo nodig tot de dood te verzetten tegen het USA-imperialisme.

De mooiste complementen krijg ik van lezers (van alle generaties) dat de waarachtigheid van de sfeerbeschrijving zo sterk aanwezig is wat de waarheid van de aanslag plausibel maakt. De mails die ik ontvang met de getuigenissen hoe ze hoofdstuk per hoofdstuk meestappen in het verhaal – dat ik door historisch onderzoek gecreëerd heb – troost me dat ik na vijftig jaar toch de moed gehad heb om me kwetsbaar en openhartig te tonen via een literair werk. Vanmorgen nog deze mail van R. V. in mijn mailbox: Happening is een ware pageturner. Vanaf de eerste pagina’s neemt het verhaal je bij de lurven en laat het me als lezer niet meer los. Van het idyllische dorpsleven tot de laaiende stedelijkheid, van de kleinste anekdote tot de hoogst gestemde reflectie: deze roman vlecht zich in het inlevingsvermogen van de lezer die een vermetel avontuur aanschouwt en zich afvraagt in hoeverre werkelijkheid fictie overtreft of vice-versa. Daarom is de visualisering op BRUZZ-TV zo pakkend en uitnodigend om de roman een tweede lezing te geven.’

De roman is ook met veel warmte en romantiek geschreven als een gelardeerde kroniek die veelgelaagd is, spannend en daardoor een bijna hypnotiserende whodunit. Het is alsof Bergman en Hitchcock zich aan Happening zouden wagen, het wordt een uitdaging de komende jaren voor EyeWorks om er een speelfilm in Vlaanderen van te maken! Dat kan niet anders dan visueel spektakel opleveren, zeker in de handen van de zo gereputeerde Nele Meirhaeghe als scenariste.

 

2.

Ik had me voorgenomen om mijn gezin en vrienden niet te veel te belasten met het onderzoek en het schrijfproces. Daarom doceerde ik veertig jaar lang kunstwetenschappen en communicatiewetenschappen en vermeed ik het onderwerp in mijn omgeving, maar vanaf de eerste dag na mijn emeritaat drie jaar geleden hanteerde ik de pen. Tijdens de periode van het schrijfproces werd ik echter geconfronteerd met de actualiteit van de terreuraanslagen in Frankrijk en Brussel en zat ik plots met een déjà-vu op de genese van het extremisme en het ontkiemen van politieke terreur van 1967, waar ik toen over aan het schrijven was, tot het heden wat op een sprong van de Nieuwstraat gebeurde in Metro Maalbeek en in de luchthaven Zaventem.

Daarom probeerde ik door de inkijk in de extreem-linkse Commune Ché een relevante analyse van een geïnfecteerde Zeitgeist te beschrijven. De onderlinge spanningen binnen de commune dient als een microkosmos voor de linkse beweging van weleer. Opmerkelijk was dat alle sociale klassen aan bod komen: arme ‘linksen’, bourgeois-‘linksen’, doorsnee-studenten, artiesten, vaklui, arbeidersmeisjes en dat allemaal onder de leiding van hun voorzitter, de aristocratische rode baron. Het schrijven van dit magistrale verhaal is een enorme uitdaging geweest, niet alleen omwille van zijn historische relevantie, maar minstens evenzeer omwille van zijn actuele weerklank.

 

3.

Er is natuurlijk altijd het spanningsveld tussen objectiviteit en subjectiviteit en de manipulatie die van elk medium uitgaat: boeken, tv-journaals en films, maar ook in mijn historische roman bestaat dé waarheid niet. Ook al zijn bijna alle details gebaseerd op feiten, het boek is een allegorie, als een spiegel voor een tijdsgewricht. De personages zijn gebaseerd op leden van de Commune Ché die ik doorheen de voorbije decennia ontmoette en verbeelden zo de reële Brusselse gemeenschap anno 1967 én illustreren het psychosociale klimaat van toen. Ik kon beroep doen door hun voortschrijdend inzicht in hun dagboeken, persoonlijke documenten en wetenschappelijke literatuur uit Duitsland, Frankrijk en ons land die op getuigenissen is gebaseerd. De roman gaat over de tijdsgeest en het doorgronden van politieke en persoonlijke processen die tot politieke terreur geleid hebben. Het belangt ons allen aan omdat geweld van alle tijden is. ‘Happening’ is de dramatische en niet de idyllische afbeelding van de werkelijkheid. Als auteur denk ik na over de maatschappij waar ik in leef en die doordrongen is van geweld. Ik beschrijf het omdat ik er bang van ben en ik wil dat we erover nadenken. Ik ben echter geen moralist of politicus, ik daag uit met het boek om na te denken. Geweld is nooit vrijblijvend. En ik ben een hopeloos naïeve vooruitgangsdenker gebleven, mijn opleiding aan St-Lukas Brussel en de VUB speelt daar zeker een rol in. Ik beweer niet dat kunst de wereld kan redden, maar ik ben er zeker van dat de wereld slechter af is zonder kunst.

 

4.

‘Happening’ is de titel van mijn roman. Wikipedia geeft volgende definitie aan Happening: Een happening is een spectaculaire openbare, spontaan lijkende maar vooraf bedachte gebeurtenis, bedoeld om de openbare orde op een ludieke manier te verstoren, zodoende te choqueren, en daarmee als star en ouderwets ervaren denkbeelden belachelijk te maken.’.

Volledig akkoord met deze definitie, maar helaas waren er in 1967 Communeleden uit Brussel en Berlijn die na het inferno schreven in een gezamenlijk publiek pamflet dat ze uitdeelden aan de universteiten: ‘Happening! Onze Belgische kameraden hebben eindelijk ontdekt hoe ze de bevolking echt deel kunnen laten nemen aan het vrolijke gebeuren in Vietnam: ze steken een warenhuis in brand en driehonderd verzadigde burgers beëindigen hun opwindende leven en Brussel wordt Hanoi.’

In een van de internationale academische handboeken ‘History of Terrorism’ (ja, terrorisme is ‘een discipline’ geworden aan de Europese universiteiten) wordt het letterlijk als volgt beschreven: Two days after a devastating fire sweeps through a Brussels department store, members of Kommune I, a radical commune, pass out a leaflet at Berlin’s Free University which jokingly suggests that a good way to bring the Marxist Revolution home is to deliberately burn down department stores. Kommune I members Fritz Teufel and Rainer Langhans were arrested and charged with inciting arson.’

Recent onderzoek dat ik de voorbije maanden kon doen in het archief van de ‘Polizeihistorischen Sammlung Berlin’ leerde me dat op 9 augustus 1967 ‘einem Happening für die Freilassung von Fritz Teufel’ georganiseerd werd in Berlijn. Teufel had het Brussels voorbeeld opgevolgd met een poging tot brandstichting van een Berlijns warenhuis, hij werd echter snel betrapt en gearresteerd en in de gevangenis ondergebracht. Ook de Communeleden en sympathisanten die manifesteerden tijdens deze Happening op 9 augustus 1967 werden voor ondervraging naar het politiekantoor meegenomen en gefotografeerd in ‘Fotostudio der Polizei’.

Toen ik de Berlijnse archiefmap opende zag ik 24 portretten van de actievoerders en hallucinant was mijn verbazing toen ik aan de zijde van Andreas Baader en Rainer Langhans niemand minder dan ‘onze’ Vlaamse Ludo Martens in de camera zag staren. Deze stichtend voorzitter en bezieler van AMADA (nu PVDA), met de onvermijdelijke kennis van de aanslag in de Inno in Brussel op 22 mei 1967 met 323 doden en tientallen gewonden, deed (opnieuw) mee aan een ‘Happening’ georganiseerd door zijn kameraden van Kommune I in Berlijn om hun leider (Teufel) vrij te krijgen die een brandstichting op dat moment in een warenhuis aangericht had. Commune Ché Brussel & Kommune I Berlijn, dus één strijd?

Het rood komt altijd terug. Martens was al vroeger gesignaleerd als contactpersoon (tot in pamfletten toe) tussen de twee Communes onder de schuilnaam ‘Leopold L.’. Over zijn rol in het juridisch dossier over de aanslag in de INNO is zowel in Brussel als in Berlijn heel wat schokkende informatie terug te vinden. Ook weet ik door academisch overleg met universitaire collega’s historici en onderzoeksjournalisten dat de Brusselse Commune een pioniers- en voorbeeldrol vervulde in de geweldadige Europese extreem-linkse milieus anno 1967.

Voor de overlevers en de slachtoffers brandt de Inno ook na vijftig jaar nog iedere dag, dit militant citaat uit een lang pamflet krijgen we toch maar niet uit ons geheugen gewist. We hebben moeten leren leven dat er in ons land mensen, nu 70-ers, vrijuit leven:  de daders van de aanslag, die zich tot vandaag niet schuldig vinden, enkel verantwoordelijk, want ze waren ‘vrijheidstrijders tegen het Amerikaans imperialisme en het doel heiligde de middelen’.

‘Soldaten voeren een bevel uit’, vertelde me een ancien van de Commune Ché, ‘we waren dat verplicht aan onze ideoloog Comandante Che Guevara die in een ver land in Zuid-America zijn strijd voerde.

 

5.

De zes episodes bij BRUZZ TV onder regie van historicus Frank Hoornaert zijn een zinnebeeldige voorstelling van 1967 tot vandaag. Hopelijk opent de docu-serie de historische ogen van de vooringenomen blinden die naïef (of te kwader trouw) het gemanipuleerd verhaal van de doofpotoperatie, georchestreerd door de machtshebbers, blijven verdedigen. Ik ben blij een kritische ziener te zijn in het werkveld van de hedendaagse geschiedschrijving die zich baseert op tekst, beeld en getuigenissen – voortdurend het scalpeermes hanterend – door een alles op de operatietafel leggende analyse van de Zetgeist en daarna pas de conclusies te trekken.

Mijn archief over de aanslag in de Inno is oneindig in filosofische zin en kiest zo partij voor een hallucinante beeldwoekering van een inferno. Mijn totale archief is een mystieke vorm van hyperrealiteit. Het is een puzzel die vanuit methodologieën een werkelijkheid ensceneert die naar zichzelf verwijst, naar de kern van geweld, naar de drie geradicaliseerde jongeren Marie, Bernard en Suzanne die ieder met een bom in hun hand hun daad deden op die maandagmiddag 22 mei. De coördinatrice Delphine zette hun af aan de hoek van de Koolstraat en de Nieuwstraat en pufte bevrijd weg met haar Austin Mini naar haar mentor de Rode Baron. Op het middaguur bedreven ze de liefde in een hotel dicht bij de fabrieken te Vilvoorde. Diezelfde middag werd ik op een heuvel in het Hageland volwassen in alle betekenissen van het woord. Het heilig vuur, weet je wel.

Daarom bevat deze roman alle elementen die garant staan voor een actueel en troostend verhaal: een onuitwisbare historische gebeurtenis, diepsnijdende menselijke verhalen en doorwrochte personages wier leven door het noodlot met elkaar werden verbonden. Door de BRUZZ-TV-reeks is het woord nu beeld geworden en heiligt zoals eertijds opnieuw het bestaan. In de TV-reeks vinden we ons verleden terug zoals het ooit helemaal is geweest, we krijgen een extatisch werkelijkheidsbeleven. De roman en de docu-reeks kan vandaag de schromelijke onrechtvaardigheid in het Belgische collectieve geheugen ongedaan maken. Ik wilde een roman schrijven die ertoe doet!

 

Johan Swinnen, 23 februari 2018

Advertenties

Tom Decock over ‘Andromeda’ van Jef Schokkaert

28 november 2017 § Een reactie plaatsen

HAL 5, Kessel-Lo, 20.10.2017

Dames, heren, goeie vrienden,

Er zijn maar drie gelegenheden in het leven om echt iederéén die je lief is verzameld te krijgen onder één dak, en dat zijn je trouwfeest, je begrafenis en je eerste boekvoorstelling. Echt machtig om te zien met hoeveel we vanavond zijn samengekomen om Andromeda boven de doopvont te houden. Een intrigerend, modern verhaal dat pivoteert rond een terreuraanslag op een tuinfeest vol prominente genodigden, die op de een of andere manier verbonden blijken met elkaar. Een aanslag die de toekomst voorgoed zal veranderen. Dit is het eerste publieke geesteskind van Jef Schokkaert: familielid of vriend van elk van ons, en binnenkort ook literair idool.

En dat laatste meen ik. Ik heb nog ergens een vergeeld diploma Germaanse Talen liggen, dus ik ben officieel gekwalificeerd om te zeggen dat we hier in het gezelschap zijn van een zeldzaam talent. Met internationale allures zelfs. Maar omdat ik thuis altijd geleerd heb dat je een man met oranje haar nooit op zijn woord mag geloven, stoffeer ik die bewering graag met wat voorgeschiedenis.

Ik ken Jef niet heel goed, maar al wel heel lang. En als ik één ding over hem geleerd heb in al die jaren, is het dat hij zijn passies altijd totaal beleeft. Vriendschappen, relaties, engagementen, een gesprek over het leven, een pint drinken: hij doet iets ofwel met volle overgave, ofwel doet hij het niet. Hij leeft al zolang ik hem ken als een kunstenaar, een bohémien soms zelfs, die erin slaagt in zijn geheel eigen stijl de waan van de dag te overstijgen. Jef zal nooit ofte nimmer zomaar deelnemen aan wat goedkope smalltalk. Als ik zou zeggen: “Amai, de prijzen van de diepvriespizza van Dr. Oetker zijn weer gestegen, dat is eigenlijk echt een schande,” dan is de kans groot dat hij, turend in de verte en na een trek van zijn gerolde sigaret, zou zeggen: “Nee, Tom. Dat is geen schande, als je erover nadenkt. En ik zal je uitleggen waarom.” Elk van ons heeft op die manier wellicht al meer dan één lange, boeiende avond bij meer dan één fles wijn met Jef doorgebracht.

Scherpzinnige wereldcriticus. Trouwe vriend. Spectaculaire gesprekspartner. Maar de passie die Jef altijd het meest allesverzengend beleefd heeft, is schrijven. Ik mag het woord obsessie hier wellicht met zijn permissie in de mond nemen. Andromeda is niet Jef zijn eerste boek. Het is het eerste dat wij mogen lezen. Het is het eerste dat hij zelf goed genoeg vindt. Maar eigenlijk bestaat er al een oeuvre van honderden en honderden bladzijden, waar de voorbije jaren nachtenlang een gezwoegd werd. Schrijven is voor Jef arbeid, een proces dat volledige concentratie vereist, waar eten en drinken en omgeving bij inschieten. Absorptie. En dat in de grootste geheimhouding. Niemand van ons wist waar hij al die jaren met volle overgave aan zat te werken. Pas in een laat stadium mocht een select clubje van proeflezers input geven. Om het met Sinatra te zeggen: Jef deed het op zijn eigen manier.

Met zo’n vriend die jarenlang aan de cafétoog zégt dat hij een boek aan het schrijven is, maar nooit iets laat lezen, kan het twee kanten uit. Ofwel blijft ie dat decennialang beweren, en komt er in het beste geval een ietwat provincialistisch novelletje in eigen beheer uit, dat je uit beleefdheid koopt om cadeau te doen aan je baas of schoonmoeder. Ofwel blijkt er al die tijd een waar literair genie voor je neus gezeten te hebben.

En laat dat laatste nu – gelukkig maar, het zou hier anders gênant worden – hier het geval zijn. Ik laat Andromeda voor zich spreken. Een echt zo goed als willekeurige passage.

PASSAGE: SERENDIPITEIT

Toeval heeft hier inderdaad weinig mee te maken, vrienden. Er spat métier van elke bladzijde, van elke zin zelfs. En akkoord, het is links en rechts nog wat zoeken, nog wat doseren, maar tegelijk ook al meteen duimen en vingers aflikken bij zoveel passie voor taal. De zwierige, rijk versierde zinnen, die vaak uitnodigen tot twee of drie keer herlezen zodat je alle lagen begrijpt. Het oog voor detail, zowel in situaties en decors als in mensen. De personages die je leert kennen zijn zo levensecht dat ze hier in ons midden zouden kunnen zijn. Met hun grote en vooral veel kleine kanten. De emoties die ze doorspartelen zijn bijna tastbaar. Alsof de auteur ze stuk voor stuk zelf heeft gevoeld.

En de verhaallijnen waarin die vierdimensionale mannen en vrouwen elkaar vinden zijn ambitieus. Het verhaal van ‘Andromeda’ laat zich niet zomaar samenvatten, zo groots is het van opzet. De research die aan de basis ligt is van het type “Ofwel heeft hij hier echt héél goed onderzoek naar gedaan, ofwel kan hij verdomd goed doen alsof.” Je gelooft elk woord. Ook de vorm van Jefs debuut is uniek. Het is een flow van hoofdstukken en scrapbook-gewijs verzameld materiaal dat een halve eeuw overspant, in een strakke en aantrekkelijke verpakking.

En dat allemaal, dames en heren, resulteert in een boek dat meer op een uitstekend vertaalde Angelsaksische bestseller lijkt dan op een Vlaams debuut. Als deze niet verfilmd wordt, dan zeker zijn volgende. Wie de hoofdrol mag spelen vraag ik ‘m zelf, uw applaus voor AUTEUR Jef Schokkaert.

Tom Decock

IN HET MUSEUM wint ‘beste debuut’ Zeeuwse Boekenprijs 2017

14 november 2017 § Een reactie plaatsen

Uit het juryrapport van de Zeeuwse Boekenprijs 2017:

In het museum van Joost van Driel. Antwerpen, Uitgeverij Vrijdag, 2017 Neerlandicus
Joost van Driel heeft reeds diverse wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. Met In het Museum debuteert hij als romanschrijver. Deze solide vertelling speelt in het recente verleden. David Schijndels, zes jaar oud, reist met zijn vader – een verkoper van luxe overhemden – maandelijks vanuit het Zeeuwse provinciestadje waar ze wonen naar Brussel. De reisjes moeten geheim blijven voor Davids labiele moeder. In Brussel wordt David gedropt in het natuurwetenschappelijk museum onder de hoede van Sarah, zijn ‘museumoppas’, die een belangrijke sturende rol heeft in Davids ontdekking van het leven. Terwijl zijn vader met een paarse Borsalino op zijn hoofd een dubbelleven leidt en in de stad de bloemetjes buiten zet, zwerft David door het museum en ontdekt de fascinerende wereld van de dinosauriërs. David beschrijft deze uitstapjes vanuit zijn fantasierijke kinderwereld.

Joost van Driel leidt de lezer in een fijnzinnig uitgesponnen verhaal, met mooie, beklijvende zinnen, naar een onverwacht en surrealistisch einde. De kinderlijke verbeeldingskracht en loyaliteit van David leiden je door de complexiteit van de menselijke relaties, waarbij alles mogelijk is en blijkt te zijn. In het museum is het verhaal van het verborgen leven in dode fossielen, van de liefde tussen vader en zoon en tenslotte over de onvermijdelijke ondergang van een huwelijk en het verraad van volwassenen.

De gedachte dringt zich na lezen automatisch op: dit is een schrijver van wie we meer willen horen. Reden voor de jury om In het museum de Accolade Beste Debuut toe te kennen.

Erik Vlaminck over DE LAATSTE RONDE van Louis van Dievel

22 oktober 2017 § Een reactie plaatsen

[tijdens de boekvoorstelling van de nieuwe roman DE LAATSTE RONDE van Louis van Dievel op 21 oktober onthulde Erik Vlaminck enkele coulissengeheimen van de jury van de LIBRIS LITERATUURPRIJS 2006 en doet een aanbeveling voor die van 2018]

Dames en heren,

Hier staat op mijn papier dat ik niet mag vergeten om u iets te vertellen over Kleefkak. U hoort het goed: Kleefkak. Ik hou dat voor straks. Eerst over Louis van Dievel. Met een omweg.

In 2006 werd mij gevraagd om in de jury voor de Librisprijs te zetelen. Ik heb ja gezegd. En nu, hier en vandaag, meer dan tien jaar na datum wil ik voor het eerst -en dat kan omdat we hier met een zeer beperkt gezelschap zijn- uit de biecht klappen.

De Librisprijs, dus. Veel van mijn collega-schrijvers wantrouwen jurycenakels. Om de een of de andere reden denken ze dat het daar bulkt van vriendjes- en belangenpolitiek. Ik wilde dus wel eens weten of dat allemaal klopte. Onder andere daarom heb ik ja gezegd op de vraag of ik jurylid wilde worden.

De Librisprijs is overigens de enige literaire Nederlandstalige prijs waar er volgens reglement altijd een schrijver in de jury zit. Ik vermeld dat omdat ik het vreemd vind dat bij de andere literaire prijzen zelden schrijvers aan de jurytafel zitten. Kunt u zich een architectuurwedstrijd voorstellen waar geen architect in de jury zit? Kunt u zich een Koningin Elisabethwedstrijd voorstellen waar geen musicus in de jury zit? Maar schrijvers, die laten zich altijd en overal beoordelen door mensen die zelf de stiel niet beheersen…

Enfin, 2006 en de Librisprijs. Een jurylid wordt geacht om alle Nederlandstalige romans die in het juryjaar verschijnen, te lezen. In 2006 werden er 212 romans ingestuurd. Ik heb die allemaal gelezen. Ge hebt er geen gedacht van, wat een miserie dat was.

Toen het jaar voorbij was en alle juryleden met schemervlekken voor de ogen rond de vergadertafel zaten, rees de vraag of nu echt alle Nederlandstalige boeken gelezen waren. Ik heb toen mijn hand opgestoken en gezegd: De Pruimelaarstraat van Louis van Dievel, dat hebben we niet gekregen.

Ik had dat boek, van die op dat moment voor mij totaal onbekende auteur, toevallig in Antwerpen bij de Groene Waterman op de tafel zien liggen.

Maar ik had het niet tussen mijn 212 verplicht te lezen romans aangetroffen.

Blijkbaar was de toenmalige uitgever van De Pruimelaarstraat vergeten om het boek in te sturen.

De Librisprijs heeft een reglement voor alles. Ook voor niet ingestuurde boeken. Een jurylid mag niet ingestuurde boeken aan de leeslijst toevoegen, maar mag daar dan zelf in eerste instantie geen oordeel over geven. Pas wanneer dat boek de longlist haalt, mag hij of zij er toch zijn of haar gedacht over zeggen. Toen de longlist van die bewuste Librisprijs bepaald werd, bleek dat mijn collega-juryleden unaniem vonden dat De Pruimelaarsstraat zonder pardon op de longlist moest staan. En toen vroegen ze ook aan mij wat ik van dat boek vond. Ik had De Pruimelaarstraat nog niet gelezen.

Dit alles om duidelijk te maken dat De Pruimelaarstraat zonder vriendjes- of belangenpolitiek op de longlist van de Librisprijs is beland. Net zoals alle andere boeken die toen op de longlist zijn beland.

Tijdens de treinreis na de juryvergadering, op de terugweg van Amsterdam naar Antwerpen, heb ik dan mijn 213e boek van dat jaar gelezen. Het was  een steengoed boek. Met personages van vlees en bloed. Gewone mensen trouwens, die personages. U moet weten: ik vind boeken waarin personages rondlopen die geen intellectueel of kunstenaar zijn altijd een verademing. De Pruimelaarstraat is ook stilistisch een straf werk. Het is uitzonderlijk in de Nederlandstalige literatuur dat spreektaal ook echt spreektaal is. Ik mag dat zeggen want ik heb ooit op één jaar tijd 213 Nederlandstalige romans gelezen.

Bovendien: zonder geconstrueerd te lijken werd De Pruimelaarstraat geënt op een coherent geconstrueerd verhaal. Het is een boek dat niet ophoudt bij de laatste pagina. De Vampier van Muizen blijft nog lang na lezing in de lezershoofden spoken. De Pruimelaarstraat is literatuur met grote L. De L. van Louis van Dievel.

Televisie heeft de voorbije week de Pruimelaarstraat weer even actueel gemaakt. De tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde Staf Van Eycken liet vanop het televisiescherm weten dat hij liefst voorgoed vergeten wil worden.

Ik heb het altijd al gedacht: het beste wat mensen die liefst voorgoed vergeten willen worden kunnen doen is op televisie komen.

Louis van Dievel reageerde op de heisa met een onopvallend opvallend opiniestukje op de website van de VRT. Het is eEcccccccccccn serene beschouwing over de mens die in zijn roman hoofdpersonage werd.  Een doordenker. Ook dat is Louis van Dievel. Lees het even na op VRT NU.

Misschien wil u ook weten hoe het verder verlopen is met die Librisprijs van tien jaar geleden en met de lotgevallen van De Pruimelaarstraat daarin. Het boek haalde zonder enige discussie na de longlist ook de shortlist. Het zat dus bij de laatste zes kanshebbers; zes prachtige romans die het allemaal verdienden om bekroond te worden. Op de laatste juryvergadering, daar waar de winnaar uit de bus moest komen, is het zo gegaan: alle juryleden hebben tegelijkertijd een briefje op tafel gelegd waarop ze hun persoonlijke voorkeurvolgorde met betrekking tot de zes kanshebbers hadden genoteerd. De Pruimelaarstraat heeft de prijs niet gekregen. De prijs ging dat jaar naar Tirza van Arnon Grunberg. Dat boek stond bij niemand op één. Maar het stond ook bij niemand op zes. Zo gaat dat bij literaire prijzen.

 En zal ik het dan nu over Kleefkak hebben? Louis van Dievel, die sneller schrijft dan zijn schaduw, heeft tussendoor ook nog een theatertekst geschreven.

Kleefkak heet dat stuk. En het wordt op 30 november en op 1 december, in het Volkshuis in Kalmthout opgevoerd. Het decor van Kleefkak is Braken. Wie de streek hier een beetje kent weet uiteraard dat Braken geen synoniem is voor spugen, overgeven of spouwen. Braken is een eerbaar gehucht van de eerbare gemeente Wuustwezel. Toen ik kind was werd mij altijd gezegd: ‘Voorbij Wuustwezel, daar houdt de wereld op en daar is alles afgespannen met gazettenpapier.’ Het was een leugen. Want net voorbij Wuustwezel ligt Braken.

En pas dan houdt de wereld op en pas dan is alles afgespannen met gazettenpapier.

Enfin, Braken is het decor voor het toneelstuk Kleefkak. Het stuk zal gespeeld worden door Willy De Greef. U kan hem niet thuisbrengen? U kent hem nochtans. Van op school. Hij kwam in de jaren 70 en 80 met theaterwerkgroep Tentakel bij jullie in de turnzaal zeggen dat de wereld naar de kloten aan het gaan was. Geef toe dat hij er niet ver naast zat.

Mij was eigenlijk gevraagd om hier vanavond wat te komen vertellen over de nieuwe roman van Louis van Dievel. De Laatste Ronde heet dat boek. Ik ga daar niet veel woorden aan vuil maken.

Net zoals De Pruimelaarstraat heb ik ook De Laatste Ronde op de trein gelezen.

Tussen Lyon en Brussel. Ik heb geconstateerd dat het, verdomme, een steengoed boek is. Met personages van vlees en bloed. Gewone mensen trouwens, die personages. U moet weten: ik vind boeken waarin personages rondlopen die geen intellectueel of kunstenaar zijn altijd een verademing. De Laatste Ronde is ook stilistisch een straf werk. Het is uitzonderlijk in de Nederlandstalige literatuur dat spreektaal ook echt spreektaal is. Ik mag dat zeggen want ik heb ooit op één jaar tijd 213 Nederlandstalige romans gelezen.

Bovendien: zonder geconstrueerd te lijken werd De Laatste Ronde geënt op een coherent geconstrueerd verhaal. Het is een boek dat niet ophoudt bij de laatste pagina. In vele lezershoofden zal facteur Ludo zijn laatste ronde nog vele malen rijden. De Laatste Ronde is literatuur met grote L. De L. van Louis van Dievel.

Ik wil mij tot slot, en om malheuren te voorkomen, nog even richten tot Rudy Vanschoonbeek, de uitgever van Louis van Dievel en ook mijn uitgever.

Beste Rudy, vergeet alstublieft niet om De Laatste Ronde in te zenden voor de Librisprijs. Ik denk dat het een kanshebber is, minstens voor de shortlist.

Erik Vlaminck, 21 oktober 2017

 

Richard Foqué over ‘De dagen zijn beschadigd’

25 september 2017 § Een reactie plaatsen

Kunstencentrum WARP, St. Niklaas, 22.09.2017

Beste poëzievrienden,

Toen ik geheel onverwachts de vraag kreeg van uitgeverij Vrijdag om de nieuwe dichtbundel van Bart Plouvier te willen inleiden, was ik niet alleen aangenaam verrast maar heb ik die uitnodiging ook meteen graag aanvaard.

Ruim een jaar geleden had ik een bespreking gemaakt voor De Auteur, het ledenblad van de Vereniging van Vlaamse letterkundigen, van Bart’s vorige bundel “Zekerheden” en was toen reeds erg enthousiast over zijn poëzie.

Bart Plouvier neemt een aparte plaats in in de Nederlandstalige letterkunde. Hij heeft niet alleen heel wat watertjes doorvaren, zowel letterlijk als figuurlijk, maar ontwikkelde tezelfdertijd zijn schrijverschap. Het resulteerde in een omvangrijk oeuvre dat gaandeweg hem ook een gewaardeerde positie verschafte in het letterenlandschap.

Hij debuteerde als romanschrijver in 1987 met De maquette maar publiceerde in 1998 pas zijn eerste dichtbundel Zaailingen. Tussendoor schreef hij romans, verhalen, theaterstukken en kinderboeken. Hij werd daarenboven voor zijn schrijverschap meermaals bekroond.

De bundel, waarvan ik de eer heb hem vandaag aan jullie voor te stellen, moet als ik me niet vergis zijn negende zijn.

Voor mij is deze bundel een natuurlijk vervolg op zijn vorige “Zekerheden” en heeft meer nog dan de vorige als onderliggend thema “de twijfel”: Twijfels over de zekerheden.

De dichter realiseert zich dat hij zich in zijn laatste levensfase bevindt. De voortschrijdende tijd, die niemand spaart, is in deze bundel alom tegenwoordig. Voor de dichter is het de enige zekerheid dat ook die afloopt. Vanuit dat standpunt stelt hij vragen over het verleden, naar de zin van dat wat voorbij is en hoe dat nog betekenis kan hebben voor wat nog komen zal.

wij zagen slechts wat was geweest

en hoopten op wat komen zou

daartussen lag muisstil het nu

gespleten weer in zij en ik

Plouvier zoekt zijn inspiratie vlakbij en in zijn eigen wereld: reisimpressies, kleinkinderen, de geliefde, huwelijk, dood van een vader en een moeder, jeugdherinneringen, kortom het lief en het leed. Hij observeert en reflecteert, blikt terug op een tijd, waarvan de dichter beseft dat die voorbij is maar die blijft nawoelen in het heden. Zekerheden worden onderuit gehaald en telkens weer wordt de lezer op het verkeerde been geplaatst. Ook hij/zij wordt al lezende onderuit gehaald.

De dood, dat enige vaststaande feit, is alom tegenwoordig. De winter, waar de natuur tot stilstand komt is voor de dichter de metafoor en wordt in deze bundel als het ware een dramatis persona. Voor Plouvier is dood verlies maar ook weer niet. Er is de liefde als reddingsboei, maar ook die ontglipt de zwemmer, die wil blijven drijven: want de dagen zijn beschadigd. Het resulteert in de prachtige openingsverzen van het eerste gedicht “De nacht komt”.

De dagen zijn beschadigd

stotterlopen langs zichzelf

………..

onvermijdelijk komt de nacht

zwarter nog dan zuiver angst

een raaf die mij mijn hart benijdt

een lynx met stalen klauwen

 

ik sla mijn benen om mijn liefste

hou mij aan haar haren vast

druk mijn buik tegen haar heup

tot zij zegt laat nu maar los

zonder haar zou ik nooit slapen.

Het is een prelude tot de bundel en construeert meteen het kader waarin alle volgende gedichten zich plaatsen. Het houdt ook de waarschuwing in zich dat niets is wat het lijkt te willen zijn en wat de titels van de gedichten voorspellen.

Want ook in zijn titels zaait Plouvier twijfels. Wanneer je afgaat op de inhoudstafel en dus enkel geconfronteerd wordt met de titels van de gedichten is de eerste reactie er één van “moet dit echt”. Ze lezen bijna als een catalogus van huis- tuin- en keukenadvies. Maar je leest dan de gedichten en ontdekt de geraffineerde bedrieglijkheid ervan.

Hier is een dichter aan het woord, die er in slaagt om simpele alledaagse taferelen en waarnemingen te plaatsen in een universele context, te transcenderen tot een metafysische overdenking. Bijvoorbeeld het gedicht Ontbijt in Madrid:

Wij lopen weg uit de volgestouwde nacht

voorbij nu en zat van stoute verwachtingen

langs een cafeteria de gevel ingekleurd

met sinaasappel broodbruin en Manchego

 

een vroege drinker slurpt café con anís

en wij de handen rond een cappuccino

de dwergen van Velásquez onder tafel

ruiken donkere verf en verse croissants

Maar nooit wordt de dichter bombastisch of hermetisch. Plouvier is een vakman, die de taal virtuoos beheerst en naar zijn pen kan zetten om precies dat uit te drukken wat hij zeggen wil. Geen woord teveel maar elk vers is afgemeten, juist genoeg en toch ontzettend beeldend. Hij hanteert daarbij een breed stilistisch palet. Zo gebruikt hij zeer doelmatig neologismen en plaatst alledaagse woorden in nieuwe contexten. De dichotomie ook als middel tot het zoeken naar evenwicht.

Hij bedient zich graag van de paradox als stijlfiguur, waardoor hij het evidente bevreemdend maakt en het vreemde weer toegankelijk.

Hij doet dit zonder dat het storend of artificieel overkomt, integendeel ze ondersteunen de poëtische zegging, verrijken zijn beeldtaal en stimuleren de verbeelding van de lezer. Ritme en klank zijn daarbij de dragende elementen.

In deze nieuwe bundel is Plouvier ook directer. Minder omfloerst klinkt hij bijwijlen ook harder. Een zekere fataliteit wordt gelaten gedragen maar tezelfdertijd opstandig bestreden. Maar alom is daar steeds het besef dat ouderdom wijsheid brengt en begrip voor wat ooit onbegrepen was.

De dichter beseft dat je het verleden niet ongedaan kan maken, dat dat wat verloren is nooit zal terug gevonden worden, maar dat het ook loutert en dat de geliefde en de liefde het enige houvast biedt. Helaas loopt ook die af in de onafwendbare dood.

Ik citeer enige verzen geplukt uit diverse gedichten:

De Liefde zoekt wie

zij vroeger reeds verliet

of

ze sliep al

hoe de liefde

het leven even met

de dood verbond.

of

Hoe moet dat later dan

zo zonder ons

alle woorden

opgebruikt

alles behalve

de herinneringen

 

gedaan met draaien

en keren

zo moet dat dan

als alles

in liefdes weerwil

blijkt af te lopen.

De bundel wordt afgesloten met een soort “testament” dat start met het gedicht “Aan het einde van de reis” en zijn bekroning vindt in “Aantekeningen van een parkwachter”. De parkwachter, de dichter zelf, is een buitenstaander geworden, die observeert en vast stelt dat de winter komt, maar die ook weet dat na de winter er nieuw leven zal open bloeien. Bijvoorbeeld uit deel 3, De vissen:

zij dromen van

de laatste overstroming

de Grote Vloed

en hun verlossing.

Het laatste gedicht “Wie zonder invloed is werpe de eerste steen” is dan de epiloog. De dichter blikt hier terug op zijn eigen werk:

Er wonen duizend dichters in mijn hoofd

soms is het moeilijk aan hen te ontkomen

ze plakken hun beelden tot in mijn dromen

……

ik heb mijn lezers eigenzinnigheid beloofd

straks is er niemand die mij nog gelooft

maar weet geen dichtwerk is volkomen

Beste poëzievrienden,

Voor wie van toegankelijke poëzie houdt zonder franje maar van een uitzonderlijke dichterlijke zegging moet deze bundel zeker lezen. Plouvier zaait twijfel en zekerheid tezelfdertijd.

Zijn boodschap is duidelijk: ieder van ons moet leren leven in zijn beschadigde dagen.

Deze nieuwe bundel van Bart Plouvier is een eerlijke bundel van een ware dichter. Een verademing in een tijd waarin al te vaak bij de jonge dichtersgilde poëzie verzandt in oeverloos prozaïsch getater, waaraan niemand een boodschap heeft.

Met deze bundel zet Bart Plouvier opnieuw de bakens uit voor wat poëzie echt dient te zijn: de kunst om op basis van het medium taal de werkelijkheid zo te herscheppen, de betekenissen ervan in vraag te stellen dat ze transformerend werkt op de lezer.

Pablo Neruda, in zijn toespraak bij het ontvangen van de Nobelprijs, formuleerde het als volgt “Poëzie is een daad, waarbij eenzaamheid en solidariteit, emotie en ratio, de nabijheid van zichzelf en van de gehele mensheid en de geheimen van de natuurkrachten als gelijke partners bij betrokken zijn. Plouvier tracht zich met deze bundel hierin in te schrijven.

Richard Foqué

Ivo Vandekerckhove over ‘Happening’

26 mei 2017 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 21 mei 2017, Loksbergen

Beste Johan, beste aanwezigen,

Ik sta hier een beetje onwennig. Toen Johan mij een tijdje geleden vroeg of ik zijn boek wilde inleiden, heb ik eigenlijk meteen ja gezegd zonder me af te vragen waarom hij dat nu precies aan mij vroeg.

Ik heb het hem overigens nog altijd niet gevraagd. Ogenschijnlijk heb ik met het onderwerp niet veel te maken. We hebben onze leeftijd gemeen, dat klopt. Allebei geboren in 1954.

Allebei zijn we in ongeveer dezelfde periode in Bokrijk naar school geweest. Een zeer progressieve school die ongetwijfeld sporen heeft achtergelaten in de persoonlijkheidsvorming van menig jongeman. Ook in die van Johan en in die van mezelf.

Ik heb gisteravond de tv-uitzending op Nederland 1  gezien waarin Johan vertelt over zijn boek. Het viel op dat de voorpagina van de krant waarvoor ik vandaag nog altijd werk in zijn uitgave van 25 mei 1977 – drie dagen na de feiten – een fysiek bewijs vormde voor het onmetelijk drama dat Johan als manneke van 13 jaar heeft moeten meemaken.

Van de ene dag op de andere werd hij samen met zijn broer en zus weeskind. Al 50 jaar draagt hij dat onverwerkt trauma met zich mee. Hoe lang hebben die verscheurende en onbeantwoorde vragen door zijn hoofd gegalmd? : wat is er in Godsnaam met mijn vader en mijn moeder gebeurd? Hoe is het gebeurd en vooral waarom zijn zij gestorven?

Vooraan in het boek getuigt hij hoe de Leica, het fototoestel dat hij voor zijn twaalfde verjaardag kreeg, hem op weg zette naar de wereld van de fotografie, een wereld waarin hij zich kon uitleven en die hem tegelijk de ruimte bood om te ontwikkelen, om op te groeien, of om zich terug te trekken telkens dat onderweg nodig was. “Lijfsbehoud,” zegt Johan daarover. De wereld van de fotografie leerde hem ook hoe hij moest observeren. Hij heeft zich hierin meesterlijk ontwikkeld.

Johan heeft gezocht naar antwoorden. Bij toeval heeft een stuk van de puzzel zijn weg gekruist. Onthutsend toeval. Een vreselijke confrontatie moet dat geweest zijn, Tegelijk een aansporing om op zoek te gaan naar de volledige waarheid.

Zonder op te geven, is hij blijven zoeken. Stukje voor stukje werden de feiten, “zijn bewijzen” bij elkaar geraapt. De herhaalde confrontatie met de groep achter de aanslag, met hen die ook vandaag nog overtuigd zijn dat de brand in de Innovation een goed doel diende, namelijk het verzet tegen het boosaardige Amerika dat in Vietnam een smerige oorlog uitvocht, die confrontatie met de zichzelf vergoelijkende moordenaars van zijn vader en moeder is verschrikkelijk.

Toch slaagt Johan erin om ook in hun huid te kruipen, en zich een stuk in te leven.

Na de jarenlange intense zoektocht naar de waarheid, naar de context en naar de exacte feiten is de drang om te schrijven, te publiceren groter dan de angst om te spreken. Uiteindelijk moest hij zich aan het schrijven zetten. Hij gebruikt de sleutelroman met gefingeerde namen als middel om zijn boodschap te brengen. Een boodschap die exact 50 jaar na de feiten eindelijk de waarheid aan het licht moet brengen. De namen van personen mogen dan fictief zijn, de aanwijzingen naar de werkelijkheid zullen voor de meeste lezers wel duidelijk zijn.

“Ik heb de bewijzen,” zegt Johan.  “Ik heb de bekentenissen op band.” Toch besluit hij de namen niet te noemen in het boek.

De voorbije dagen konden we in sommige commentaren op zijn boek al lezen dat precies die smoking gun ontbreekt, dat hij onomstotelijk bewijs in zijn schuif heeft laten liggen.

Misschien wil Johan hier seffens zelf op in gaan. Ik kan alvast veel begrip opbrengen voor de wijze waarop Johan het heeft aangepakt, voor de sluier die hij over identiteiten heeft gelegd.

In een van de interviews deze week zegt hij dat het aan onderzoeksjournalisten is om feiten en identiteiten te onthullen. Hij heeft zijn werk gedaan.

Striemend is zijn getuigenis over de Belgische justitie. Bij elk bezoek aan het justitiepaleis in Brussel blijkt het strafdossier over de brand in omvang af te nemen. “Justitie blijft een schandvlek voor onze democratie,” schrijft Johan in zijn inleiding.

In elk geval mogen we de kern van de boodschap van dit boek niet uit het oog verliezen. Namelijk dat jonge idealisten in een ideologie kunnen opgezweept worden naar absolute waanzin. Dat zij kunnen worden aangezet om barbaarse dingen te doen. In dat opzicht zijn de parallellen met de aanslagen van vandaag in Parijs, Brussel of elders treffend. Ook vandaag 50 jaar later worden aanslagen gepleegd in naam van het grote gelijk, in naam van de oorlog tegen onrecht, in naam van de strijd voor een betere wereld. Bij die aanslagen komen telkens vele onschuldige mensen om het leven.

Valse voorwendsels zijn van alle tijden. Licht beïnvloedbare jongeren op sleeptouw nemen is een herkenbaar gebruik van raddraaiers.

De slachtoffers zijn even onschuldig als de vader en de moeder van Johan.

Johan, jouw boek is onthullend, verklarend, zeer leerrijk en meeslepend. Resultaat van niet opgeven, van heel veel en hard werk.

Van mijnentwege, een welgemeende en ferme dankjewel en een dikke proficiat.

Ivo Vandekerckhove

Loksbergen, 21 mei 2017

Jules-time, quality time.

13 maart 2017 § Een reactie plaatsen

Na een lange aanloop is het eindelijk Jules-time: op donderdag worden we ruim op tijd in ons hotel opgehaald en naar het buitengoed Weltevreden Waenhuis gebracht, zo’n tien kilometer buiten Stellenbosch, waar de opvoeringen plaats zullen vinden. Van het Waenhuis wordt een mens vanzelf weltevreden: het is een paradijselijke gelegen complex met een restaurant, feestzalen, speeltuintjes en bijgebouwen die verstrooid liggen op glooiende grasvelden. De zon schijnt, een briesje blaast ons koelte toe, twee pauwen stappen hooghartig over de paden. Eén van de bijgebouwen is als een stemmig theatertje ingericht. Bijgestaan door een technicus die het vuur behulpzaam uit zijn sloffen loopt, verrijst op het podium het vertrouwde Jules-decor: de stoel, een stoffig tapijtje en een kleine poef, die we van de rekwisietenzolder hebben gehaald. Het gordijn met de stang waaraan het opgehangen is, is in ‘pièces détachées’ meegekomen. Als de technicus met de belichting experimenteert tot we sneeuw zien, is alles zoals het hoort te zijn. We zijn er klaar voor en we zijn er ook en beetje stil van. Kurt trekt zich terug in de backstage – de tuin- om zich te concentreren. Vol verwachting klopt ons hart. 

Het publiek komt, naar Zuid-Afrikaanse gewoonte zeer last minute, vaak opgehouden door de files die ook hier welig tieren. Als ze aangekomen zijn, gaan ze eerst nog op het gemakje een koffietje halen in het café. Als stiptheidsmaniak – ik moet na lezingen vaak de laatste trein halen en hou ervan op tijd te beginnen – moet ik me even aan het treuzelgedrag aanpassen. Maar dan gaan de deuren dicht, hou ik mijn welkomsttoespraak en komt Jules tot leven. Het ontroert me dat hier, aan het andere eind van de wereld, dezelfde intimiteit van de monoloog uitgaat als bij ons. Dat niemand hoest, schuifelt of wiebelt, alsof of men collectief de adem inhoudt. De helft van het publiek is Zuid-Afrikaans, maar de diepe stilte maakt duidelijk dat wie de tekst niet helemaal met zijn/haar hoofd begrijpt, met het hart luistert. Bij de volgende voorstelling, een dag later en nu in de namiddag, zijn al wat Afrikaanse woorden in de tekst geslopen. Er wordt baie  bedankt en de keuken van Alice in een kombuis veranderd.         

Tussen twee Jules in, op vrijdagmorgen, heb ik een lezing voor een leesclub. Mijn vertaalster Christine Bakhuyzen-Le Roux, die als schrijfster een druk programma heeft op het Woordfees,  zal me interviewen voor een twintigtal vrouwen die Die Buitenkant van Meneer Jules gelezen hebben. In een prachtig landhuis in de heuvels worden we hartelijk verwelkomd door gastvrouw Petrusa, die ons een glas wijn (om half tien ’s morgens) en een gebakje aanbiedt. Een heerlijke ochtend wordt het, geen haar verschillend van een lezing voor een leesclub in Deurne-Noord of Sint-Amandsberg. Vind je dat je geheimen voor elkaar mag hebben in een relatie, zoals Jules voor Alice? is één van de vragen. We hebben het er uitgebreid over, er worden wijze woorden gesproken door wijze oudere vrouwen. Bij de hapjes achteraf worden geheimen onthuld en zitten we op den duur te fluisteren als een geheim genootschap. Christine en ik moeten ons haasten voor de volgende opvoering van Jules, we hebben de tijd compleet vergeten.

En nu – zaterdag – is het inpakken en bijna wegwezen. Morgen is de laatste opvoering van Jules, voor een zondags publiek. Daarna zullen we onze zomerkleren omruilen voor een winterse outfit en rijden we naar Capetown Airport voor de terugvlucht van 10.000 kilometer, een beetje weemoedig. Ik vertrek met Zuid-Afrika onder mijn huid, en met Jules in mijn hart.