Jules-time, quality time.

13 maart 2017 § Een reactie plaatsen

Na een lange aanloop is het eindelijk Jules-time: op donderdag worden we ruim op tijd in ons hotel opgehaald en naar het buitengoed Weltevreden Waenhuis gebracht, zo’n tien kilometer buiten Stellenbosch, waar de opvoeringen plaats zullen vinden. Van het Waenhuis wordt een mens vanzelf weltevreden: het is een paradijselijke gelegen complex met een restaurant, feestzalen, speeltuintjes en bijgebouwen die verstrooid liggen op glooiende grasvelden. De zon schijnt, een briesje blaast ons koelte toe, twee pauwen stappen hooghartig over de paden. Eén van de bijgebouwen is als een stemmig theatertje ingericht. Bijgestaan door een technicus die het vuur behulpzaam uit zijn sloffen loopt, verrijst op het podium het vertrouwde Jules-decor: de stoel, een stoffig tapijtje en een kleine poef, die we van de rekwisietenzolder hebben gehaald. Het gordijn met de stang waaraan het opgehangen is, is in ‘pièces détachées’ meegekomen. Als de technicus met de belichting experimenteert tot we sneeuw zien, is alles zoals het hoort te zijn. We zijn er klaar voor en we zijn er ook en beetje stil van. Kurt trekt zich terug in de backstage – de tuin- om zich te concentreren. Vol verwachting klopt ons hart. 

Het publiek komt, naar Zuid-Afrikaanse gewoonte zeer last minute, vaak opgehouden door de files die ook hier welig tieren. Als ze aangekomen zijn, gaan ze eerst nog op het gemakje een koffietje halen in het café. Als stiptheidsmaniak – ik moet na lezingen vaak de laatste trein halen en hou ervan op tijd te beginnen – moet ik me even aan het treuzelgedrag aanpassen. Maar dan gaan de deuren dicht, hou ik mijn welkomsttoespraak en komt Jules tot leven. Het ontroert me dat hier, aan het andere eind van de wereld, dezelfde intimiteit van de monoloog uitgaat als bij ons. Dat niemand hoest, schuifelt of wiebelt, alsof of men collectief de adem inhoudt. De helft van het publiek is Zuid-Afrikaans, maar de diepe stilte maakt duidelijk dat wie de tekst niet helemaal met zijn/haar hoofd begrijpt, met het hart luistert. Bij de volgende voorstelling, een dag later en nu in de namiddag, zijn al wat Afrikaanse woorden in de tekst geslopen. Er wordt baie  bedankt en de keuken van Alice in een kombuis veranderd.         

Tussen twee Jules in, op vrijdagmorgen, heb ik een lezing voor een leesclub. Mijn vertaalster Christine Bakhuyzen-Le Roux, die als schrijfster een druk programma heeft op het Woordfees,  zal me interviewen voor een twintigtal vrouwen die Die Buitenkant van Meneer Jules gelezen hebben. In een prachtig landhuis in de heuvels worden we hartelijk verwelkomd door gastvrouw Petrusa, die ons een glas wijn (om half tien ’s morgens) en een gebakje aanbiedt. Een heerlijke ochtend wordt het, geen haar verschillend van een lezing voor een leesclub in Deurne-Noord of Sint-Amandsberg. Vind je dat je geheimen voor elkaar mag hebben in een relatie, zoals Jules voor Alice? is één van de vragen. We hebben het er uitgebreid over, er worden wijze woorden gesproken door wijze oudere vrouwen. Bij de hapjes achteraf worden geheimen onthuld en zitten we op den duur te fluisteren als een geheim genootschap. Christine en ik moeten ons haasten voor de volgende opvoering van Jules, we hebben de tijd compleet vergeten.

En nu – zaterdag – is het inpakken en bijna wegwezen. Morgen is de laatste opvoering van Jules, voor een zondags publiek. Daarna zullen we onze zomerkleren omruilen voor een winterse outfit en rijden we naar Capetown Airport voor de terugvlucht van 10.000 kilometer, een beetje weemoedig. Ik vertrek met Zuid-Afrika onder mijn huid, en met Jules in mijn hart.    

 

 

 

 

 

Wonderlijke avonturen

9 maart 2017 § 1 reactie

De dagen vliegen als een schaduw voorbij. Vanavond om 18 uur is de eerste opvoering van de monoloog De Buitenkant van Meneer Jules, en de zenuwen slaan lichtjes toe. Kurt Defrancq wil het echter geen zenuwen noemen. Het is eerder wat spanning en een beetje onzekerheid over hoe het Zuid-Afrikaans publiek zal reageren op de intieme inkijk in het leven van Jules en Alice. Of ze de tekst tot in de finesses zullen vatten ook. Afrikaans en Nederlands mogen dan wel op elkaar lijken, er zijn ook wezenlijke verschillen.

Geraldine Reymenants, vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering, die ons voor een lunch uitnodigde, vertelde ons dat het Zuid-Afrikaanse publiek vaak al tijdens het applaus de zaal verlaat. Dat willen we voorkomen omdat we graag met de mensen in dialoog willen gaan na de voorstelling. Er moet dus een inleider komen die een en ander duidt en die mens uitnodigt nog even na te blijven. Het liefst in het Afrikaans. Het is één van de duizend praktische dingen die geregeld moeten worden. Er wordt dagelijks in alle richtingen gemaild, gebeld, ge-sms’t en ge-appt. De frivole roze fauteuil van Meneer Jules hebben we overigens vervangen door een klassiek, bruinlederen exemplaar van de rekwisietenzolder. Dat past een dode oude man beter. De locatie voor de opvoering, het Weltevreden Waenhuis is een tiental kilometer buiten Stellenbosch gelegen, tussen de glooiende wijngaarden.

Na de lunch met Géraldine Reymenants gisteren, spoedde ik me naar het museumcafé Die Plataan waar mijn vertaalster Christine Bakhuyzen-Le Roux op me wachtte. We bereidden er onze lezing van vrijdag voor, voor een leesclub. Daarna beluisterden in een tent verderop een lezing/interview met collega Peter Verhelst. Het Woordfees is een twaalf dagen durende explosie van literatuur, theater, muziek, performances allerlei, een kruising tussen het helaas ter ziele Antwerpse Zuiderzinnen en de Gentse Feesten. Wie zich mee laat drijven met de stroom, beleeft de wonderlijkste avonturen. Zo nam Rik Ghesquière, een dirigent/trompettist uit Lier, ons gisteravond op sleeptouw naar een wonderschoon pianoconcert van Rachmaninov in het Conservatorium van Stellenbosch. Op weg erheen liepen we door de halfduistere Botanische Tuin, die tijdens het Woordfees uitzonderlijk ’s avonds is opengesteld. Er is een unieke collectie bonsaiboompjes te zien, maar het meest magische waren de waterlelies met bladeren als wagenwielen zo groot en bloemen die zich langzaam openden in de tropische avond.

Als we het halen vanavond na onze eigen Jules, willen we een optreden van deze Rik bijwonen, die een koor dirigeert dat is samengesteld uit kinderen van drie verschillende townships. Zou kunst de wereld dan toch een beetje kunnen redden?

 

Naar Stellenbosch!

7 maart 2017 § Een reactie plaatsen

Na twee dagen in het bruisende Kaapstad waar we volop de toerist hebben uitgehangen, van Tafelberg naar Kaap de Goede Hoop, is het tijd om stilaan op werkmodus over te schakelen. Vandaag, op mijn 71e verjaardag, vertrekken we naar Stellenbosch, nadat Kurt Defrancq, zijn vrouw Nele en de mooie ontbijtdame Thamara me hebben toegezongen.

Eureka Barnard haalt ons op in het Kaapse hotel. Ze is de goedlachse, doortastende coördinator van Sasnev, het Zuid-Afrikaanse Centrum voor Nederland en Vlaanderen, waar zij de Vlaamse deelnemers aan het Woordfees begeleidt. We hebben tientallen mails met elkaar gewisseld en kennen elkaar al een beetje. Nu zien we haar dus voor het eerst ‘in het echt’. Praten lijkt in het Afrikaans op zingen, er zit een beetje Antwerps en een tikkeltje Gents in. Geen taalprobleem dus. Haar bijzondere voornaam heeft Eureka aan haar moeder te danken. Die wilde voor haar eerste kind een naam die haar blijvend zou herinneren aan de grote ontdekking die het moederschap voor haar was. Eureka! En Barnard… jawel, ze is familie van. ‘Ongelukkiglijk wel,’ zegt ze mysterieus. Onderweg, net buiten Kaapstad, wijst ze ons het Groote Schuur-ziekenhuis aan waar Christian Barnard, een neef van haar vader, in 1967 de eerste harttransplantatie ooit uitvoerde. 

Vlakbij dat ziekenhuis zien we verkeersborden met ‘Buitenkant’ er op. Als dat geen goed voorteken is! We stoppen en ik maak snel een foto, waarbij als toemaatje het verkeerslicht net op groen springt als ik afdruk! Buiten de stad strekken zich langs de weg de zogenaamde khayelitsha uit, langgerekte townships of dorpen waar de arme zwarte bevolking in belabberde omstandigheden overleeft en waar gevaarlijke gangs wonen. Aan de overkant, op een troosteloze kale zandweg, is de gedoogzone voor prostituees. Op een man met een plastic vuilniszak na, is er geen levend wezen te zien. Het is dan ook pas elf uur in de ochtend en de zon schijnt ongenadig.

Na Kaapstad is Stellenbosch een vriendelijke kleine stad met winkeltjes, terrassen, restaurantjes en een slenterend, genietend publiek. We installeren ons in het oudste hotel van de stad waar we acht dagen zullen blijven. ’s Avonds begeven we ons naar een receptie/borrel voor de Belgische en Nederlandse Woordfees-deelnemers en aanverwanten. Ter plekke besluiten we een van de roze fauteuils waarin Eureka Barnard (l) , ik (r) en Kurt Defrancq hier poseren, de stoel van Meneer Jules zal worden. In een land waar de zon altijd schijnt en de mensen ongewoon vriendelijk zijn, mag het wat meer zijn. En wat kleuriger. Een paar van mijn illustere collega-schrijvers, waaronder Tom Lanoye, zijn ook aanwezig op de party. Het wordt me plots helemaal duidelijk waarom mensen mij altijd ‘een toegankelijke schrijfster’ noemen!   

Diane, Kurt & Meneer Jules in Zuid-Afrika

2 maart 2017 § Een reactie plaatsen

‘De vakantie begint NU,’ zei mijn vader op het moment dat we in de auto stapten op weg naar verre, vreemde oorden -Heist-aan-Zee, Trier, Luxemburg- en net voor we begonnen te zeuren of we er al bijna waren. Ik deed hetzelfde met mijn kinderen.

Op 1 maart, Aswoensdag, begint voor Kurt Defrancq en mezelf het grote avontuur op Schiphol. We hebben twaalf vlieguren voor de boeg voor we in Kaapstad zullen landen. Een goede mix van trots, dankbaarheid, ongeloof en de zenuwen raast door onze respectievelijke lijven, want we zijn nu toch echt wel een beetje ‘on world-tour’ met De Buitenkant van meneer Jules. Kurt heeft met zo’n 500 voorstellingen van de monoloog op zowat alle Vlaamse podia gestaan, in theaters, bibliotheken, cultuurcentra, crematoria en uitvaartcentra zelfs. Hij speelde een paar keer op Amsterdamse podia, vele malen in het Nederlandse Theater-in-de-Kamer-project, in Parijs en Bratislava. Maar uitgenodigd worden om deel te nemen aan het wereldberoemde Woordfees-festival in Stellenbosch, dat is andere koek. Daar heeft de Afrikaanse en meest recente van de 15 Jules-vertalingen mee te maken, maar ook de gedrevenheid van acteur Kurt Defrancq die hier al jaren van droomt en er op de hem bekende wijze de tanden in heeft gezet.

Pikant detail: in de monoloog zit de geest van Meneer Jules met de rug naar het publiek in een doorleefde fauteuil, al ruim vijfhonderd keren dus. Maar omdat die stoel, zelfs gedemonteerd, niet mee kan in het vliegtuig, zal onze eerste besogne zijn om in de Kaapse Meubelboulevard of Kringloopwinkel op zoek te gaan naar een zetel die Meneer Jules waardig is. De rest van het decor nemen we mee, alsook de geweldige licht- en geluidstechnicus Nele, Kurts vrouw.

Via deze blog zal ik u regelmatig op de hoogte houden van onze avonturen op en naast het podium.

Maar nu eerst: boarding-time! En als extra kers op de taart: na een alcohol-loze Tournée Minérale-maand landen tussen de wijngaarden van de voortreffelijke Chardonnaywijnen… dat kan geen toeval zijn.

D.B.

diane-en-kurt

Johanna Spaey over ‘Residentie van Artevelde’

24 februari 2017 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 23 Februari 2017, De Groene Waterman Antwerpen

“Het verleden is niet achter ons, zoals men denkt, maar voor ons.
De schaduw van wat was werpt zich voor ons:
wat dood is bestaat nog en gaat voor ons uit.”

Met dit citaat van Henry Battaille (1872-1922) geeft Patrick Conrad nog voor hij zijn verhaal begint, al aan dat we de dood nooit mogen onderschatten, dat het verleden zich nooit laat afsluiten en dat oude overtuigingen soms nieuwe geheimen worden, maar altijd sporen zullen achterlaten. Tragische sporen.

Als ik dit zeg, denkt u waarschijnlijk: maar gaat niet elke roman over dat wat we onzegbaar vinden en toch nooit het zwijgen kunnen opleggen? De meeste wel. Zeker in misdaadromans draait alles rond de ontluistering en ontrafeling van oud zeer, lelijke gevoelens, schaamte en schuld. In ‘Residentie van Artevelde‘ is het niet anders. En toch ook weer niet.

“Terwijl ik, voor ik naakt onder de ventilator op mijn bed ging liggen, in de keuken een paar eieren met twee reepjes spek in een pannetje bakte, keek ik automatisch doorheen de latten van de voor het open raam neergelaten jalousie naar de lichtgele bakstenen gevel van Residentie van Artevelde, het stijlloze flatgebouw aan de overkant. Zoals gewoonlijk op dit uur brandde er al licht achter de gesloten gordijnen op het gelijkvloers links. In de vijf andere appartementen viel er nog geen teken van leven te bespeuren. En op de penthouse, waar een gepensioneerde politiecommissaris woonde die haast nooit buitenkwam, had ik geen zicht.”

Toch houdt galeriehouder Bernard de overkant dwangmatig in de gaten.

“(…) Ik twijfelde er niet aan dat de aarde niet de enige planeet in het universum was waarop zich een vorm van leven had ontwikkeld.  Al kon ook dit me bij nader inzien geen moer schelen.  Ik was meer geboeid door wat zich vlakbij, in de intrigerende appartementen van Residentie van Artevelde afspeelde dan door wat er miljoenen lichtjaren hier vandaan in de duisternis van onbekende zonnestelsels gebeurde.”

Terwijl je wordt meegezogen in een verhaal waarin je je afvraagt wat er zich nu allemaal afspeelt aan de overkant van de straat in ‘Residentie van Artevelde’ en wat de bewoners op hun kerfstok hebben, worden je voyeuristische neigingen al snel een halt toegeroepen. Geen pure Hitchcock, maar wel iets wat net zo goed is. Want de eerste dode die valt, is dan ook niet de man of vrouw die je verwacht.

Wat daarop volgt, lijkt misschien alweer op iets wat je al kent uit andere misdaadromans: er wordt namelijk een onderzoek ingesteld naar de moord en de dader. Maar ook daarin blijken de aanwijzingen en motieven misleidend. Al snel ontdek je dat je deze misdaadroman niet eens meer leest omdat je ‘Aha, ik wist het wel’ – of wat u ook meestal roept op het einde van een thriller – wilt roepen. Nee, je leest ‘Residentie van Artevelde’ omdat je wordt betoverd door de verbluffende taal van Patrick Conrad, omdat je in de ban bent van de veelzijdige en dwingende erotiek die mensen met elkaar verbindt en, dat geef ik graag toe, omdat je je ook graag verheugt in al dat zwak-menselijke. Het al te menselijke.

Af en toe word je ontroerd, af en toe ben je verbijsterd, en zeer zeker wil je af en toe ook luidop lachen.

Wat Patrick binnen de Vlaamse misdaadliteratuur zo zeldzaam maakt, is dat hij niet alleen een schrijver is die het genre van de ‘noir’ perfect onder de knie heeft, maar dat hij ook een fenomenaal goede schrijver is. Morbide, jawel. Verrassend, zeker. Onconventioneel absoluut. En poëtisch. Altijd opnieuw.

Als dichter, schrijver, essayist, scenarist, filmmaker en kunstenaar is Patrick Conrad van alle markten thuis. Maar dat klinkt, vind ik zelf, een beetje plat als je naar zijn extravagante oeuvre kijkt. Avant-garde is hij altijd geweest. Zelf leerde ik hem voor het eerst kennen als maker van ‘Mascara’, een film waarin hij, lang voor ‘Thuis’ de knuffeltransseksueel uitvond, een jongen met borsten of was het nu een meisje met een penis de hoofdrol liet spelen. Dat zag je in de jaren tachtig maar zelden in de cinema. En nu niets nog avant-garde is, keert Patrick schijnbaar terug in de tijd en geeft hij het klassieke genre van de ‘noir detective’ een aparte, nieuwe glans.

Dat Patrick in 2015 de Hercule Poirotprijs won met Moço had zeker te maken met de eigenzinnige manier waarop hij misdaadromans schrijft. ‘Residentie van Artevelde’ is opnieuw zo’n On-Vlaamse thriller, omdat de schrijver geen zin heeft in een strikte plot, zichzelf een meta-blik op zijn eigen verhaal gunt, en rammelt met de grenzen van gender en fatsoen.

De allerlaatste zinnen van ‘Residentie van Artevelde’ wil ik u toch al verklappen:

“In de liefde is het zoals in de kunst. Niets is wat het lijkt en je ziet alleen wat je wil zien.”

En zo is het maar net.

Johanna Spaey

 

Patrick Van Gompel over ‘Landlopersblues’

20 oktober 2016 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 27 augustus 2016, Merksplas

Goeiemiddag vrienden en andersdenkenden,
Goeiemiddag trouwe lezers van Louis Van Dievel
Goeiemiddag  toekomstige lezers van Landlopersblues,

Ik ken Louis al 40 jaar. Wij zijn goed bevriend.

40 jaar geleden hebben Louis en ik in Brussel deelgenomen aan een examen van het Humanistisch Verbond. We wisten toen al dat we van een ander gedacht waren. Bij het Humanistisch Verbond zochten ze een persmedewerker, of zoiets.

Ik was met de fiets van Weelde naar het station van Turnhout gereden en van daaruit ging ik met  de trein naar Brussel.

Na het examen zijn we aan de praat geraakt. Ik was straatarm en hij was met de auto. Hij wilde mij wel afzetten aan het station in Antwerpen. Het werd een bijzonder aangename rit in een rood R-4ke, als ik mij dat nog goed herinner.

Ik had snel door dat Louis een angstaanjagend verstandige man was. Van de vragen bij het Humanistisch Verbond weet ik niets meer, maar ik weet nog wel dat hij precies wist wie Pino Cerami was. Sindsdien weet ik dat ook.

Ik wist niet dat hij vertaler-tolk Italiaans-Engels was. Hij maakte indruk op me en in zijn buurt voel ik me nog altijd een beetje geestelijk verlamd.

Jullie weten hoe verlegen ik kan zijn.

De babbel onderweg was zo plezant dat Louis bij het naderen van Antwerpen besloot om me maar meteen aan het station in Turnhout uit te schudden. Vergis u niet, ook 40 jaar geleden was dat een flinke rit.

Het moet uit compassie geweest zijn.

Van het een kwam het ander. Losse contacten werden vaste contacten. Er volgde een gezamenlijk BRT-verleden en een gezamenlijk VTM-verleden.

En een gezamenlijk stripverleden.

We zaten samen in de jury van De Stripquiz en ik mag gerust stellen dat de juryleden het verder hebben geschopt dan de presentator van die quiz.

De heer Gie Luyten is geëindigd in de softporno. Wat een watje.

Afgaande op wat ik heden heb gelezen, mag Louis de categorie softporno onmiddellijk overslaan.

Jullie  kennen mijn gezegde:

Seks met een veer, een pluim, dat is erotiek.

Maar seks met een heel kieken, dat is porno.

Toen we in 1989 naar VTM overstapten belden de kranten. De Morgen vroeg mij waarom ik het huis van vertrouwen verliet. Ik heb de verslaggever van De Morgen  verteld dat Louis en ik van plan waren om te gaan samenwonen, maar dat hoefde niet meer omdat we  mekaar voortaan zouden zien in Vilvoorde.

De Heer Jan Merckx zaliger dacht dat hij twee homo’s had gekocht.

Om maar te zeggen. Het is een levenslange vriendschap. En dat betekent dat we veel tegen elkaar kunnen zeggen. Ik kan dus rechtuit tegen hem zeggen wat ik van zijn boeken vind. En dat kan ik ook vandaag.

Goede vriend, jij zou het mij kwalijk nemen als ik vandaag niet eerlijk zou zijn, ik zal het rechtuit zeggen, recht in je gezicht: Landlopersblues is een geweldig boek.

Ik ga  vrienden aanraden om het boek te kopen.

Of ze het boek ooit lezen, dat vernemen we later wel.

Het is écht een goed boek.

Er staat gelukkig weer een hoop vuile praat in, het gaat dus weer helemaal goed met je. Er zijn nog zekerheden.

Bij je vorige boek,  dacht ik nog, hij gaat toch niet literair beginnen te doen zeker.

Maar bij je boek voor Wablieft -vlotte boeken in duidelijke taal voor beginnende volwassen lezers- zag ik de eerste tekenen van geestelijk herstel.

Ook de titel van dat boek  “De onderbroek” was voor mij niet te hoog gegrepen.

Nee Louis, “Landlopersblues” is een heel interessant boek, het boek  gaat over iets en ik heb het helemaal gesnapt. Dat denk ik toch.

Louis Van Dievel kan heel goed vertellen. Hij weet wat hij moet zeggen, hij weet hoe lang zijn zinnen moeten zijn, hij schrijft de zinnen op zoals mensen ze uitspreken of bedenken.

Na een bezoek aan zijn weelderige villa op het eiland El Hiero weet ik hoe dat komt. Hij heeft dit boek geschreven met de hand en niet met een computer om de doodeenvoudige reden dat hij geen Word had op zijn Mac.

Een boek schrijven met de hand levert aardig wat voordelen op: het heeft een eigen ritme. De snelheid van het toetsenbord gaat niet aan de haal met een gedachte.

Een zin laat zich rustiger kneden. De zinnen kloppen op het ritme van je hart, nergens is er onrust bij het lezen, het verhaal is het verhaal, en dat verhaal laat zich zo makkelijk lezen als het geschreven is.  En het is knap geschreven.

Louis kan goed schrijven omdat hij goed kan luisteren. Ik ken vroegere  werkgevers van Louis die vinden  dat hij NOOIT  luisterde maar ik vind dat hij wél goed kan luisteren.

Hij kan zelfs goed afluisteren, of heeft u zijn boek over die mensen op de trein niet gelezen? Hoe heet die stationsroman ook alweer? “Het gewemel”. “Het gewemel” heeft hij niet zelf geschreven,  dat heeft hij gewoon afgeluisterd.

Ik heb de cassetjes zien liggen in zijn tweede badkamer in El Hiero.

Het boek gaat over een tiental landlopers die hier in Merksplas begraven liggen. Louis heeft uitgezocht wie die mensen waren, hoe ze heetten en wat voor een beroep ze deden.

En daar zit ferm volk tussen: een ex-havenarbeider, een dwerg met een ongelooflijk grote fluit, een wees, een ex-boerenknecht, een pooier, een dief, een kinderverkrachter.

Schoon volk waar ge ne ferme boek over kunt schrijven.

Nogal wat dingen kloppen. Maar nog meer dingen kloppen niet, die heeft Louis uit zijne grote duim gezogen. Het bekende machtsmisbruik van de schrijver. En dat Louis fantasie heeft, zal je wel merken. Trouwe lezers weten dat.

In de wereld van Louis Van Dievel wordt niet gejij- en gejoud. In zijn boeken praten mensen zoals nog veel mensen praten, niet zoals dé mensen praten maar zoals nog véél mensen praten.

En dat is straf, dat die landlopers zo praten want ge weet het nog nie maar al die landlopers in de Van Dievel zijne boek liggen onder de grond. Die zèn zo dood als ne pier. Het zijn sprekende lijken, bij wijze van spreken.

Louis Van Dievel kan vuile praat vertellen in schoon Vlaams. Bij hem geen jeukwoorden.

Zoals: “een draagvlak creëren”, “een concept uitrollen”, dat gezeik over ”uit je comfortzone stappen”, dat gelul over ”een wereld waarin de stakeholders een stukje commitment verdienen”, “out of the box denken”, “in the flow”, “de bottomline”.

Enfin, ik wil hier niemand aanjagen en  ik zou het geheel nog veel beter kunnen contextualiseren, maar ik wil vandaag vooral profiteren van de versheid van dit verhaal.

Louis, goede vriend, gij zijt geprezen, EINDELIJK gewoon Nederlands zonder daarop een vettige kleilaag die niemand nog begrijpt.

Louis, ge zijt geprezen want ik versta wat gij zegt. Gij praat over:

  • De paters fluitentrekkers
  • Een mens moet toch altijd iets van zijn leven ergens kunnen verstoppen in een hoekske van zijn kop
  • U laten pakken aan uw intieme delen
  • Jefke, wat ligt ge daar in uw eigen te moemelen?
  • Gij moet iets zeggen met uw fluitentrekkerij
  • Als ge maanden aan een stuk naar vuile praat hebt moeten luisteren, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, krijgt ge zelf ook goesting
  • De kolonie werd mijn thuis en het Statiekwartier in Antwerpen mijn buitenverblijf.
  • Hij kreeg ook nooit bezoek. Hij zag daar vanaf.
  • Brigitte gorgelde en krochte nog wat en ze spartelde met haar benen, maar veel leven zat er niet meer in.
  • Waart gij gelijk een kat die zich enkel laat strelen als ze er zelf goesting in heeft, of honger, of dorst?
  • En dan zijn er nog een paar dingen die ik niet durf voor te lezen. Ge kent mij.

Geachte genodigden en onderaardsen,

Waar gaat dit boek over?

  • We lopen maar wat rond op deze aardkloot. De gewone mens moet niet al te veel verwachten van het leven. Buiten wat plaatselijk geluk en een hoop miserie dat in elk leven te vinden is.
  • Het boek gaat over een stel sukkelaars die denken dat ze met elkaar vriendschap sluiten, het lijkt wel het televisiefeuilleton Carnavàle. Er trekt een stoet voorbij van verschoppelingen, wezen en gebrekkigen maar Louis kijkt er niet op neer. Louis zoekt naar de waardigheid in de mens.
  • Het boek gaat over grote familiegeheimen, over hoe mensen elkaar den duvel aan doen. Mysteries. Was de grootvader van Anita Kneepkens eigenlijk nen homo?
  • Het boek maakt een eind aan de romantiek van de landloperij, de Kempense poëtische voorstelling die we daarvan hebben, het was allemaal niet zo romantisch.
  • Het boek gaat over de doos met foto’s die in elk ouderlijk huis nog wel te vinden is. Al die familiegeschiedenissen, de details en de anekdotes passen in een groter geheel dat je uiteindelijk zelf samenstelt, wat misschien wel het leven voorstelt.
  • Het boek gaat over verlaten worden, alleen laten en alleen zijn.
  • Het boek gaat over: de wereld is allemaal niet zo proper. Het verleden laat u nooit los.
  • Het boek gaat over vriendschap, over iets voor mekaar over hebben.
  • Het boek gaat over dit, citaat: Ik was helemaal alleen toen ik stierf. Pijn had ik niet, met al die morfine. Maar bang dat ik was. Er was niemand op mijn begrafenis.
  • Oordeel niet te rap over de mensen.

Ach. Er moet op tijd gelachen worden met het leven, maar het is pas plezant als er iemand meelacht.

Ge moet Van Dievel ook tussen de lijnen lezen, de dingen die er niet staan maar wel gezegd worden.  Louis  Van Dievel is een chroniqueur van zijn tijd en zijn eigen leven.

Eigenzinnig en uitzonderlijk, volks en doodeerlijk, in doen en schrijven.

Het is fijn om zulke vrienden te hebben.

Louis lieve vriend, ik lees u graag.

Yves T’Sjoen over ‘Radeloos en betoverd’

20 oktober 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 27 september 2016, De Zondvloed

Beste genodigden, beste Pat,

De presentatie van een nieuwe dichtbundel mag door de uitgeverij dan wel worden aangekondigd als een feestelijke aangelegenheid, toch brengt zo een gebeurtenis ook onzekerheid en pleinvrees met zich mee. Elk nieuw boek betekent voor een schrijverschap een nieuwe geboorte. Onwetend over het leven dat de dichtbundel wacht, staat de schepper er altijd wat verweesd en zelfs beduusd bij. Het geesteskind wordt immers aan zijn greep en toeziend oog onttrokken. Voortaan moet het op eigen benen staan en manmoedig de capriolen van het literaire bestaan ondergaan. De boekpresentatie mag dan wel een geboortefeest zijn, met een modieus woord een babyborrel, het is ook een moment om los te laten en afscheid te nemen. Hoe feestelijk ook, een zekere melancholie of zelfs fantoompijn gaat gepaard met dergelijke publieke evenementen. Ik weet niet of ik mij, de metafoor van de geboorte indachtig, vanavond de vroedman van dienst, laat staan de verlosser mag noemen. De vraag is of ik me de rol moet aanmeten van gediplomeerd gynaecoloog die de keizersnede voor uw ogen voltrekt.

Die functie meet ik me vanavond niet aan. Al was het maar omdat ik een minieme rol mocht spelen in de conceptie van het kind. In deze kraamkliniek of zelfs verloskamer van het literaire boek neem ik u mee in de wandelgangen die leiden naar de bedstee waar de bevruchting plaatsvond. In tempore non suspecto, toen van een bevalling nog geen sprake was, ontspon zich een gesprek tussen lezer en schrijver. Aarzelend, misschien wat schroomvallig, vroeg de dichter of ik bereid was een versie van de nieuwe bundel Radeloos en betoverd te lezen en mijn commentaar te leveren. Vereerd met de vraag mocht ik zonder de plichtpleging van de literaire recensie, buiten het publieke forum dus, in alle ongedwongenheid mijn mening verkondigen. Niet als letterkundige poortwachter maar als bevoorrecht intimus van de schrijver. Mijn eerste indrukken lieten even op zich wachten nadat Pat mij begin februari de teksten had toegestuurd. Tekenend voor de acute koudwatervrees die de schepper toen ten dele viel, was het bericht waarin hij met de hem typerende hoffelijkheid informeerde naar en mij herinnerde aan die in het vooruitzicht gestelde impressies. Op 25 februari, zeven maanden voor Radeloos en betoverd vanavond het licht ziet, schreef ik in een paar uur drie berichten, losse notities met leesindrukken. Ik wil u als toeschouwers in de kraamafdeling van de poëzie met genoegen en zeer uitzonderlijk deelgenoot maken van de gevoerde correspondentie. Uitzonderlijk gezien de aanvankelijke vertrouwelijkheid van onze gedachtengang en gevoelsuitstortingen. Dit is een presentatie bij wijze van persoonlijke getuigenis.

Uiteraard behoeft de heer Donnez geen introductie. Dat zou beledigend zijn voor u en hem. Dat de radiomens vooral ook een schrijver is, hoeft evenmin een betoog. Ik vermeld hier even de twee bundels die Pat mij vorig jaar gul overhandigde, het debuut Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat), uitgegeven in 2007, en het jaar daarop Hotemetoten. Gedichten voor kinderen en andere grote mensen. Sindsdien verscheen proza, onder meer de roman Lichterlaaie, en nu eindelijk na lang wachten en veel polijsten de nieuwe bundel. Pat schrijft parlandistische poëzie, zoals u heeft kunnen merken op de schrijverswebsite en de filmpjes met uitverkoren regels uit het nieuwe dichtwerk die zijn ingesproken door onder anderen Johan Braeckman, Dirk de Wachter, Chantal Patyn en Bart Stouten. We hebben hier met een mediamens, een etherboy, te maken die zijn waar op een esthetische en enthousiasmerende wijze aan de man en de vrouw weet te brengen. Maar goed, ik wil het niet hebben over de publieke figuur Pat Donnez maar ook de dichtbundel, bij de gratie waarvan de dichter Pat Donnez bestaat. Ik presenteer met uw goedvinden een eigen getuigenis.

(1)

“Ik zit te genieten, beste Pat, en dat is niet om jou op deze grijze donderdagnamiddag gratuit of zelfs uit een vervelend schuldbewustzijn na het lange talmen te vleien of te paaien. Zonet las ik in een ruk de eerste afdeling ‘ex amore’ van je bundel-in-wording Radeloos en betoverd. Je schrijft poëzie die mij naar de keel grijpt, veelal over een niet nader genoemde ‘hij’ en een ‘zij’. Het is mooi hoe je in jouw nieuwe werk erin slaagt structuur en diepgang te creëren. Bijvoorbeeld door in de eerste afdeling drie appartementpassages in te lassen, met die stille en in metaforen lispelende vrouw en de taterende ‘hij’. De passages fungeren als kaderverhaal. Ik ben geraakt door de reflecterende dichtfragmenten over verkeerd begrijpen, of het onvermogen tot de ander door te dringen, gedichten over kwetsbaarheid. En dat allemaal in een parlandistische stijl die de humor en de speelse ironie allesbehalve schuwt. Ik zet me nu schrap voor de middenafdeling van de bundel, ‘ik wil mij weg toveren in taal’. Metaforen zeggen meestal meer dan wat de gewone omgangstaal te bieden heeft.”

Enkele uren later noteerde ik deze zinnen die ik voorlegde aan de dichter.

(2)

“Beste Pat, hoe anders en ook weer gelijkend op een bepaalde manier is de tweede afdeling. Je schrijft uitgesponnen gedichten, zoals dat fraaie ‘Patois’, je bent dan weer bijzonder speels en ironisch in ‘Poly-amoureus’. De gedichten handelen over jeugdherinneringen en hoe zelfs een verkaveling die Latijnse riedel “rosa rosae rosam” van de schooltijd niet uit ons wezen van vandaag kan bulldozeren. Ik lees de gedichten het liefst hardop. Hardop lezen laat je de taal beter voelen, biedt je een toegang tot de poëzie in haar muzikaliteit, in haar textuur. Bij dat voor mezelf voorlezen vallen het ritme van de taal en de cadans van je woorden des te meer op. Ik hou nogal van de ritmisch samengestelde en tot de verbeelding sprekende clusterwoorden in het gedicht ‘Patois’: “vogelbekbessen” (x3), “konijnenwittebrood, nederwiet/melktingel en bijtenetel”. Ik kan je nu al zeggen dat de variant op Claus’ ‘Ik schrijf je neer’ (in ‘ex amore’) ondertussen blijft nazinderen na afloop van mijn eerste lectuur.”

Toen las ik, de bundel van begin tot eind tot mij nemend en rustig – hardop pratend – savourerend, de derde en afsluitende afdeling ‘ars vivendi’. Ik liet Pat op die donderdag 25 februari het volgende weten:

(3)

“Je bent speels met woorden, beelden en ritmes, zei ik zonet, maar ook in het gebruik van interteksten. Ik ben blijven haperen aan die ene intratekst die echoot in het gedicht ‘Schuimende koppen’. Haperen, niet zozeer omdat het de afdelingstitel opleverde en op een manier dus een regel is die echoot, maar omdat het zo juist is wat je neerschrijft – zonder omhaal van woorden – in het gedicht ‘Ik wil geen woorden’:

Ik wil geen woorden
worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt
Ik wil mij weg toveren in taal.

 
Schrijven om te verdwijnen. De regels laten me denken aan het titelgedicht in Gerrit Kouwenaars vroege bundel het gebruik van woorden met de visser die uit het gezicht en het gedicht verdwijnt op het einde. Dank voor de woorden, Pat.

Beste vriend Pat, dankzij jouw woorden (gewikt & gewogen, kort & lang), de geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend & grappig & op het eind van de afdeling onthutsend, met terneerdrukkende vertellingen en verzuchtingen (zoals over de nationale bank en het dorpsgeroddel), heb ik deze namiddag met ‘ars vivendi’ mezelf horen lezen. Jouw woorden die ik op je vriendelijk verzoek stem en betekenissen mocht  geven. Radeloos en betoverd is een knappe, doorgecomponeerde bundel met drie afdelingen die toch wel een heel eigen gezicht laten zien maar onmiskenbaar samenhoren.”

Geachte dames en heren, tot hier mijn leesindrukken in gekapt stro, volgens de compositie van de bundel ingekleed. Uiteindelijk zal u zelf oordelen over het nieuwe geesteskind. Nu de geboorte een feit is en de fiere vader Pat Donnez hier als dichter opnieuw debuteert, zullen de teksten een eigen bestaan leiden. Ik ben dankbaar dat ik in de loop van het wordingsproces mocht toekijken en op vraag van de schrijver een particulier oordeel vellen. Vandaag lees ik de teksten in een fraai uitgegeven boek wellicht weer anders. Maar dat is voer voor een recensie.

Beste Pat, ik stel er prijs op jou van harte te feliciteren met het nieuwe dichtwerk. Samen met jou kijk ik toe hoe Radeloos en betoverd nu zijn eigen weg zoekt en straks een leven buiten jou en mij tegemoet snelt. Vader en kind, laat het jullie voor de wind gaan.