Speech Maarten Goethals bij presentatie DE FRAGMENTEN

21 november 2018 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie DE FRAGMENTEN 15 november 2018, Zinnema in Anderlecht.

Ik heb lange tijd nagedacht wat ik vanavond wilde zeggen. Zou ik van de gelegenheid gebruik maken, dacht ik, om een diepzinnig statement te maken? Over de republiek. Of over de monarchie misschien. Over de liefde (alsmaar de liefde), of het leven. Over de politiek. Over de journalistiek. Of over de jacht, waar naar verluidt toch een aantal onwaarheden en onduidelijkheden over bestaan, heb ik mij laten wijsmaken recent?

Ik dacht na wat ik wilde brengen. Moest ik iets zeggen over de stijl van het boek, die speculatief is, op het randje af sensationeel en goedkoop? Moet ik iets kwijt over de opmaak van de roman? Moet ik de titel uitleggen? Want waar slaat ‘De Fragmenten’ op -op een gefragmenteerd wereldbeeld na het sterven van de laatste koningin, het laatste Grote Verhaal, of op het feit dat ik sterk met aforismen werk en korte stukjes tekst, of slaat het op beide mogelijkheden, moet de vorm de inhoud in deze versterken? En waarom koos ik voor een pedant citaat van de Franse filosoof Gilles Deleuze om het verhaal mee te openen, en niet voor een gewone blurb van een bekende auteur die mijn boek aanprijst zonder het ooit echt te lezen -want zo gaat dat? Moet ik een leeswijzer meegeven, moet ik uitleggen wat de beginstreepjes telkens zijn bij elke nieuwe paragraaf, en waarom ik met voetnoten werk (noem het daardoor alsjeblieft geen postmodern, experimenteel werk -of ik krijg het aan de straatstenen niet meer verkocht)? Moet ik het concept uitleggen van de illustraties binnenin, die elke nieuwe dag in het dagboek aankondigen, maar die net als de monarchie brokje bij brokje afbreken, oplossen? Moet ik verklappen vanwaar mijn inspiratie kwam, moet ik de anekdote vertellen hoe ik vier jaar geleden op de trein zat, terugkomend van Frankfurt, omdat ik daar Evelyn, een vriendin van me, bezocht had, en hoe ik op die trein, nadat ik per ongeluk te lang in de blouse van een vrouw keek, uit gêne dan maar het eerste hoofdstuk begon te schrijven -over die gêne die ik toen voelde, en over de warme, laffe opwinding, en het warme, laffe weer dat mij stroopte als een zieke haas? Of moet ik, om alle onduidelijkheid te vermijden, nog eens het fundamentele verschil uitleggen tussen auteur en creatie, dat het hoofdpersonage niet noodzakelijk, voor de volle honderd procent samenvalt met de schrijver.

Wat dat betreft, de spontane neiging om dat wel te doen, om de ik-figuur in romans te vereenzelvigen met de naam van de auteur, wat dat betreft wil ik alvast aan een paar mensen waarschuwen en alvast mijn excuses aanbieden. Pro-actief. Mochten ze erop aangesproken worden, door mensen die het onderscheid niet maken. Ten eerste excuses voor mijn familie en mijn schoonfamilie. Hen raad ik aan om pagina 116 tot pagina 128, noteer maar, en pagina 136 tot 137 niet te lezen en meteen gewoon over te slaan: het ik-personage doet daar nogal bizarre dingen. Iets met aambeien, aaneengeplakte kranten, en ingekaderde portretten. En met de kerstfeesten en nieuwsjaarsvieringen in het vooruitzicht wil ik me niet de hele tijd generen en afvragen: hebben ze het gelezen, en denken ze werkelijk dat ik dat gedaan heb?

Dus mijn advies: skippen die pagina’s, en dan blijft het voor iedereen plezant, en fatsoenlijk.
En lieve moeder: als ze vragen waar het misliep in de opvoeding, zeg dat het allemaal aan de unief begon. Dat ge er dus niets aan kon doen.

Nu ik toch bezig ben met excuses -excuses aan Rudy Vanschoonbeek van Uitgeverij Vrijdag, en zijn team. Excuses voor de vele mails met vragen, en op het laatst nog de honderd kleine aanpassingen die ik doorgaf op de pdf die ge ieder moment naar de drukker wilde sturen. Ik ben, op dat vlak, wellicht het enige vlak toegegeven, een perfectionist. Elk woord moet goed zitten. Het ritme moet vlot lopen. Het geheel moet doordacht zijn. Daarop wil ik niet op toegeven. Vraag maar aan de eindredacteur, Marie-Lynn Herpoel, arm kind, vraag maar aan de eindredacteurs ook van De Standaard, die soms ellenlang moesten wachten op teksten van mij omdat ik nog bezig was alle passieve constructies om te zetten naar actieve. Omdat ik overal dat vreselijke woordje ‘er’ eruit wou. Eén keer werd het mezelf te gortig, en toen wist ik dat ik op dat vlak een probleem had, namelijk toen ik eens probeerde in een artikel voor de krant een acrostichon te smokkelen, waarbij elke eerste letter van een regel samen een apart woord vormde, die je dan verticaal kan lezen. Dat is me gelukt, maar pas tegen een uur of tien, ver voorbij de deadline.

Maar Rudy, als je denkt dat ik geen aanpassingen meer heb, details die ik wil doorvoeren: vergeet het. Bij een tweede druk (en daarom alleen al moet dit boek massaal verkocht worden) stuur ik je nog een paar dingetjes door.

Excuses dien ik ook te maken aan de monarchie. Als het Belgisch koningshuis denkt dat wat ik neerschreef een wensdroom is, een soort begin van een revolutie waartoe ik oproep, een staatsgreep, vanuit Zinnema georkestreerd (overigens, dank voor de faciliteiten; en blijkbaar is dit de eerste boekvoorstelling ooit) -dan is dat fout. Ik ben pro noch contra de monarchie. Ik vind het enkel een bijzonder interessant onderwerp, omdat het geen ander doel dient dan gezien te worden door het volk. En meer nog: in tijden van rationalisatie, efficiëntie, doelmatigheid, performantie en woorden als recurrent beleid, budgetten in evenwicht, en tering naar de nering zetten, in een tijdsgeest waarin alles openlijk en bloot gebeurt, en waarin de verantwoordelijkheid van het leven volledig op de frêle schouders van het individu komt te vallen, die reeds wankelt doordat overal elk element van zijn identiteit geproblematiseerd worden, dan wordt de monarchie als bijna vanzelf interessant. Het staat namelijk voor het tegendeel van dat alles: voor verspilling, voor verknochtheid, voor standvastigheid, voor verfijning en lichtzinnige vertwijfeling. Wat deze samenleving voorop stelt als stelregel, daarvan belichaamt het koningshuis het contraire tegendeel. Het laat zien dat deze tijd niet zaligmakend of tijdloos is. Soit, betere, en helderdere analyses staan in het boek.

Excuses moet ik ook aanbieden aan het meisje die hier piano speelde, Marie François, mijn lief, mijn vriendin, en al die uren die ik schreef: mijn stille, wachtende, zuchtende, zwoele, slapende, sussende, snikkende, smikkelende, soezende afwezigheid. Toen we elkaar leerden kennen, was ik volop in de schrijffase. En dat is eigenlijk altijd zo gebleven. Dat maakt dat ze het woord roman of novelle niet meer kan horen. Maar ook haar moet ik teleurstellen: als ze dacht dat het beter ging worden met de publicatie nu? Dat we meer tijd voor ons tweetjes gingen hebben? Vergeet het. Roman twee staat al in de steigers, meid.

Excuses ook aan alle vrienden die mijn gezaag en geklaag moesten aanhoren, excuses aan de mensen die het boek op fouten nalazen en daardoor veel van hun kostbare tijd verloren, excuses aan iedereen als ik ga beginnen mekkeren over de recensenten die het allemaal niet snappen en vinden dat ik mezelf forceerde, en in de val trap van alle beginnersfouten.

Tenslotte: excuses voor deze excuses. Want het klopt eigenlijk niet: ik hoef mij nergens voor te verontschuldigen. Want iets mooi proberen te maken, is nooit fout. Zeker in een wereld met zoveel platvloersheid, brutaliteit, ondoordachtheid, plompheid.
Schoonheid is een schaars goed, en dat komt met een prijs.

Geen excuses dus.
Want ik voel me vooral een gezegend man. Ik mag, zonder al te melig te willen klinken, maar het zal toch melig klinken -ik mag de lancering van De Fragmenten, op deze dag van de dynastie, namelijk met jullie vieren. Bijna, dag op dag, vier jaar na de lancering van Hees, mijn eerste dichtbundel, ook te koop vanavond, tussen haakjes.
Ik mag dit vieren met mijn oude en mijn nieuwe collega’s, met mensen van De Standaard, waaraan ik de fijnste herinneringen overhoud, en met de mensen van Hubertus Vereniging Vlaanderen, die mij snel in hun groep opnamen, hoewel ik niet eens het verschil tussen een ree en hert kende, of een kauw en kraai. Is daar eigenlijk een verschil, sorry, maar ik zie het niet.
Ik mag dit vieren met kennissen, die ik lange tijd niet zag maar toch afkwamen vanavond. Ik ga proberen in de toekomst iets meer tijd vrij te maken, beloofd.
Ik mag dit vieren met vrienden die ik al heel mijn leven ken, en waarvan ik kan niet wachten wat ze ervan denken, van de roman.
Ik mag dit vieren met vrienden die ik iets minder lang ken, maar waarvan ik weet dat ik ze de rest van mijn leven ga blijven kennen, en waarop ik kan vertrouwen. Ook als het gaat om het geven van negatieve kritiek op de eerste versie van mijn novelle. Moet je ballen aan je lijf voor hebben.
Ik mag dit ook vieren met vrienden, die ik, door mijn domme schuld, als verloren achtte, maar die, gelukkig, terug contact opnamen.
Ik vier dit ook voor wie er niet meer bij kan zijn.

Ik mag dit vieren in de aanwezigheid van mevrouw Coudenys, mijn leerkracht Nederlands in het vijfde middelbaar, die mij mijn eerste kortverhaal liet schrijven. Over een gevangen genomen piloot die door de Duitsers gemarteld wordt, maar die zijn lijden vergeet doordat hij, vreemd genoeg, midden in de winter een vlinder op het raam ziet. Redelijk bombastisch, pathetisch, cliché, maar goed, vanaf toen is het begonnen, het schrijven, of correcter: het willen schrijven. Marie, zij is de grote schuldige. Door mevrouw Coudenys zitten we nu in deze situatie.

Ik mag dit vieren met een uitgever die gelooft in gelijke kansen en die zoveel mogelijk debutanten een kans geeft, en ik gooi met bloemen naar de illustrator, Toon Delanote, die De Fragmenten voorzag van prachtige tekeningen, en een verschrikkelijk mooi elementje op de achterflap. Niemand anders dan Toon kan zo mooi een kalf tekenen.

Ik mag dit vieren met een schoonfamilie die mij zonder veel morren in de rangen opnam, hoewel ik bij de eerste ontmoeting de verkeerde schoenen droeg, hoewel zij nochtans van Limburg zijn en ik van West-Vlaanderen, en hoewel zij allemaal Leeuwen van sterrenbeeld zijn en ik een Steenbok. Vestimentair, taalkundig, temperament: de verschillen kunnen niet groter zijn. En toch.

Ik mag dit vieren met mijn familie aanwezig: moeder, vader, zus, broer, en de vriendin van mijn broer: mensen die liefdevol in het leven staan, en die één voor één een soort goedheid in het hart dragen die het bestaan verzachten en een soort mystieke, basale glans geven. Ergens in De Fragmenten schrijf ik: ‘soms denk ik dat alleen goede manieren nog de wereld kunnen redden’. Mocht iedereen zoals jullie zijn -open, gastvrij, warm, bezorgd- er waren geen problemen, er waren alleen nog fijne dagen.

Ik mag dit vieren met Claus, mijn hondje, die meer aandacht krijgt dan ik, en met Lodewijk, het konijn, dat nu thuis zit. En neen, om eens en voor altijd komaf te maken met dat misverstand: als communicatieverantwoordelijke van de jachtsector voel ik niet de drang om dat beest te schieten, zoals iedereen telkens vraagt.

Sorry, strekken, ik moet strekken zeggen. Niet schieten.

Ik mag dit tenslotte vieren met Marie. Ergens in de roman klaagt het vrouwelijke personage dat de ik-figuur door zijn egoïsme haar doet twijfelen. Want ze zegt ergens: ‘Ik wil de liefde als fundament, niet als fout.’ Daarom, als een soort stellig antwoord op alle twijfels die we gehad hebben, door mijn fascinatie ook, vooral die fascinatie, en mijn bewondering voor haar doorzettingsvermogen en talent, daarom, en om nog veel meer redenen die geen uitleg behoeven maar die iedereen wel weet, draag ik het boek aan Marie op, aan haar: ‘o zo mooi mijn meerdere’.

Dank.

Maarten Goethals – 15 november 2018

De fragmenten web voor

Advertenties

Toespraak John Vervoort bij presentatie SALAMI van Rudy Soetwey

8 oktober 2018 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie SALAMI 6 oktober 2018, Volkssterrenwacht Urania in Hove.

Beste aanwezigen, beste meneer Soetewey, beste Rudy,

Sta me toe om, voor ik me buig over het boek en de schrijver die hier vandaag in de belangstelling staan, iets te zeggen over mijn rol in het literaire bedrijf.

Ooit zei iemand dat recensenten of critici de luizen in de pels van de auteurs zijn. Recensenten of critici zijn soms minder dan een amoebe, een noodzakelijk kwaad, quantité negligable. De redenering is: zij die het kunnen doen het, zij die het niet kunnen worden recensent. Of criticus. Of zoals de grote dirigent en componist Leonard Bernstein het ooit zei: ‘Ik ben overal ter wereld geweest en ik heb nog nooit een standbeeld van of voor een criticus gezien.’ Hij heeft gelijk.

Het is een stiel die niet tot veel dankbaarheid leidt. Een recensent of criticus kan zelden goed doen. Een positieve recensie is voor de auteur de logica zelve. Immers, hij heeft het best mogelijke boek neergepend, goed voor deze of gene lekker gespekte prijs en een oplage ter grootte van de bevolking van een middelgrote Vlaamse stad. Denkt hij. Dus is het niet meer dan logisch, denkt de schrijver, dat hij bejubeld en gefêteerd wordt.

Is de kritiek negatief, dan zal de schrijver natuurlijk jeremiëren dat de recensent of criticus ‘de botten’ van zijn boek heeft begrepen, dat de recensent of criticus een nitwit/sul/loser/pezenwever/schotelvod/

prutser/boerenlul eersteklas is die nog geen Jip-en-Jannekeverhaal zou verstaan. Laat staan een verhaal, zelfs in Jip-en-Janneketaal, kan schrijven. Zelfs Annie M.G. Schmidt zou zich in haar graf omdraaien bij het gehannes/gezever/gebeuzel/gezeik en gezanik van deze would-be schrijver ‘Dat hij verdomme dan recensent, of criticus’ wordt,’ hoor je haar vanaf gene kant roepen. Want zij die het kunnen, enfin….

Maar nog eens, een recensent of criticus heeft geen gemakkelijke stiel. Neem nu Salami van Rudy Soetewey, de misdaadroman die wij hier vandaag aan de wereld en de sterren presenteren. Omdat het een thriller is kan en mag de recensent zo goed als niks onthullen over de plot en het hoe, wat of waarom van het verhaal. Hoogstens mag hij een aanzet geven van hoe het verhaal begint en erbij vertellen of de afloop spannend en geloofwaardig, of voorspelbaar en ‘totaal van de pot gerukt’ is.

De job van recensent of criticus is dus niet eenvoudig.

Want Soetewey heeft het mij niet gemakkelijk en zelfs moeilijk gemaakt. Reeds na een vijftigtal bladzijden begrijp je waar het in dit verhaal rond draait. Maar u die clues weggeven zou hetzelfde zijn als vertellen hoe de aap uit de mouw komt in De moorden in de Rue Morgue van E.A. Poe, waarom Anderlecht altijd weer verliest en hoeveel zetels Bart De Wever en zijn partij gegarandeerd gaan winnen of verliezen. Een recensent of criticus mag dan soms denken dat hij God is en de waarheid – een belangrijk woord in deze – in pacht heeft maar hij mag dat natuurlijk nooit toegeven. Anders zou hij de boel danig versjteren natuurlijk.

Maar ik ben natuurlijk ingehuurd om toch iets te vertellen over deze misdaadroman en, onder andere, waarom het de in thrillermilieus lichtjes bevreemdende titel Salami heeft. Want de titel is de kortste samenvatting van een  boek. Wel, dat komt heel eenvoudig omdat een salami een belangrijk attribuut in dit verhaal is. Simple comme bonjour. Mocht dit verhaal door Jommekes Jef Nijs bedacht zijn, dan zou dit boek gegarandeerd ‘De jacht op de Salami’ heten.

Want wat wil het geval. Bart Colenbunders, niet meteen de stoere naam voor een diehard detective, krijgt de opdracht om op zoek te gaan naar een verkochte salami uit de slagerij van slager Van Acker. Zijn dochter Lara, dat mag ik hier onthullen want Rudy Soetewey, doet dat al op bladzijde negen, zou wel eens de dievegge kunnen zijn van een kostbaar en uniek goedje dat zij als laborante heeft gestolen. Of eerder heeft meegenomen want zij heeft het goedje kwansuis toevallig ontdekt. Nog eens mensen, als u zou weten wat het goedje is, dan zou u begrijpen waarom de opdrachtgever Colenbunders meteen tienduizend euro als voorschot betaalt, met zicht op een tweede fiks bedrag als de opdracht met vrucht voleindigd is. En waarom het de interesse heeft van zo ongeveer de hele wereld, waaronder de maffia en de CIA en alle andere geheime diensten en bedrijven.

Maar voor je het goed en wel beseft hollen Bart en Lara achter een salami aan waar het goedje in verwerkt is door de argeloze vader van Lara. Hun zoektocht brengt hen op talloze plaatsen en eindigt zelfs in het Europees parlement waar wordt verteld over ‘de grootste bedreiging’ voor de mensheid ooit. Neen, en het is geen fout draaiende nucleaire fabriek of iets wat daar gefabriceerd wordt. Als die dingen tenminste werken.

Lara’s ontdekking is een mooi voorbeeld van serendipiteit, dat prachtige woord dat betekent dat je iets gevonden hebt wat je niet hebt gezocht. Het schijnt dat het beroemde blauwe pilletje daar een mooi voorbeeld van is want de chemici waren op zoek naar een geneesmiddel tegen hartritmestoornissen en merkten dat het middel een prettige bijwerking had.

De bijwerkingen van wat Lara serendipiteitsgewijs heeft ontdekt zijn zo onthutsend dat het niet alleen op microniveau, zeg maar in het huisgezin of aan een cafétafel de relaties en de vriendschappen stevig zou ondermijnen maar ook op macroniveau, zeg maar wereldwijd, ettelijke tsunami’s en aardverschuivingen zou veroorzaken. Alhoewel ik heel graag zou zien, Soetewey en de mensen die het boek al lazen zullen mij begrijpen, hoe iemand als Trump of onze gecontesteerde rechter Cavanaugh en elke andere politicus, ceo of gezagsdrager ter wereld zich recht zou houden in de stormen die door wat Lara heeft ontdekt veroorzaakt zouden worden.

Wat dat middel is? Lees het boek en denk de logische consequenties van wat Lara ontdekte door. En de vraag vooral of je zou willen dat wat Lara heeft ontdekt beschikbaar zou worden voor Donald met de kuif en Jan met de pet.

 

Humor en spanning, goed samengaan doen die twee dingen zelden. Er zijn niet veel misdaadauteurs die erin slagen om hun verhaal suspensevol en humoristisch te maken. De grappigste spannende auteur aller tijden is waarschijnlijk de Amerikaanse misdaadauteur Raymond Chandler die het vooral van oneliners moest hebben, genre: ‘Ze rook zoals de Taj Mahal erbij ligt in de maneschijn’.  Of: ‘Ze had ogen als vreemde zonden’.

Ik vermoed dat Soetewey een fan van Chandler is want ook hij strooit kwistig met oneliners. Dit zegt hoofdfiguur Bart Colenbunders over zijn vader, een voormalige detective: ‘Hij was een prima detective geweest, maar met het zakeninstinct van een hamburger.’ Over iemands neus wordt gezegd dat het ‘wees als een kromzwaard in mijn richting’. En ik zou talloze dialogen kunnen citeren die knisperend, inventief en grappig zijn.

Maar Soetewey doet nog iets meer dan regelmatig een oneliner debiteren. Zijn verhaal, dus de plot die hij bedacht, is ongemeen grappig en heeft soms heuse slapstickallures. Door de aard van hun onderzoek moeten Bart en Lara aan informanten of verdachten regelmatig vragen stellen als: ‘Heb je zweetvoeten?’, ‘Heb je ergens zwart geld liggen’ of, tegen de dochter van een van hen: ‘Heb je al geneukt, Chelsea?’ Waarom die intieme en indringende vragen moeten gesteld worden en waarom ze dan vaak hals over kop moeten vluchten mag ik hier niet onthullend maar onthullend zijn ze wel.

Maar door alle humor, oneliners en slapstickscènes waarmee Soetewey dit verhaal doorspekt sluimert wel een ernstige problematiek die draait rond de manier waarop wij tegenwoordig omgaan met de waarheid en de ontelbare manieren waarop die waarheid geweld kan aangedaan worden. Dat is de kern van dit boek: waarheid en leugen. De term, ‘een leugentje voor bestwil’, krijgt voor wie dit boek las een totaal andere invulling. Niet voor niets staat er op het voorplat deze zin: ‘Als de waarheid op het spel staat, wordt er vaak gelogen.’

Wat is waarheid? Wat is leugen? In de wereld die Soetewey hier gecreëerd heeft is het tegelijk overduidelijk maar ook heel ontregelend en zelfs uiterst gevaarlijk.

Ik heb u wat onthuld van dit mooie, grappige en oprecht spannende boek dat Soetewey geschreven heeft, maar de crux van het verhaal moet u zelf ontdekken. In ieder geval heb ik mij met Salami enige uren uitermate goed geamuseerd.

En meneer Soetewey, Rudy, ik heb in deze toespraak niet gelogen. Proficiat.

John Vervoort

Hove, 6 oktober 2018.

 

Vrijdag Salami 3D

Ann Lamon bij presentatie ‘Jungle’

24 september 2018 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie ‘Jungle: berichten uit transitland’ 19 september 2018, Boekhandel De Zondvloed, Mechelen.

Tekst na kindernamen

Elke naam is een traan.  Voor elk kind uit transitland trokken we aan de alarmbel. Al deze kinderen met hun trieste verhalen uit de transitkampen blijven voor altijd in ons hart, zelfs als de publieke aandacht verdwenen is. Sommigen hebben ondertussen gelukkig een dak boven het hoofd en een zekere toekomst, anderen wachten bang de afhandeling van hun asieldossier af. Maar nog steeds dolen minderjarigen rond in transitkampen en worden ze blootgesteld aan ernstig gevaar. Wij, gewone burgers, met beperkte mogelijkheden om het beleid te veranderen, vragen al vele jaren een menselijke aanpak met grensoverschrijdende constructieve oplossingen en humanitaire corridors.

Het engagement blijft doorgaan. Tot vandaag blijven burgers met hulpgoederen naar de jungles trekken en worden dagelijks honderden vluchtelingen en migranten opgevangen bij mensen thuis. Dit is méér dan mensen die al heel lang onderweg zijn louter een bed aanbieden en ze de gelegenheid geven zich te wassen en wat tot rust te komen. Dit is stil verzet. Dit is het weerwoord van de burger op een gebrekkig beleid.

Ik ben niet meer dezelfde mens die ik was voor de jungle. De schaduw van oorlog heeft zich in me genesteld. Een zachte droefheid is mijn hart binnengeslopen en wiegt stil mee, als een bries door een treurwilg. Wij leerden van hen en zij van ons. Over liefde, die sterker is dan angst, die zin geeft aan het leven, die niet gehoorzaamt aan stromen van afgunst en vijandschap. Dit is liefde die ons doet groeien als mens en weinig obstakels kent. Dit is liefde die komt vanuit ons hart.

Geen liefde die verblindt maar een universele kracht die onze ogen heeft geopend. Dit is verbondenheid, op de fundamenten van het leven. Elkaar begrijpen zonder gemeenschappelijke taal. We sloten een moederpact. We deden een universele belofte, moeders onderling over de hele wereld, om te zorgen voor elkaars kinderen. We beloofden een stem te zijn voor hen die niet gehoord worden. En ik zal altijd aan de zijde staan van mensen die oorlog en geweld ontvluchten. Want vluchteling worden, dat is kiezen voor het leven. We moeten zorgen voor elkaar, voor onze samenleving. Over alle grenzen heen.

Ann Lamon

 

Vrijdag Jungle 3D

Het rood keert altijd terug – Johan Swinnen

26 maart 2018 § Een reactie plaatsen

Enkele reflecties na de eerste BRUZZ-TV-episode: ‘De Innovation: complot of complottheorie?’, over de waarachtigheid van een sleutelroman door de auteur Johan Swinnen van ‘Happening. De aanslag in de Inno.’ (Uitgeverij. Vrijdag).

 

1.

Ik besef sinds de docu-reeks online is (dinsdag 20 februari) door de steunende, kritische maar massale reacties dat mijn verantwoordelijkheid als auteur van een sleutelroman over de aanslag op de Inno 22 mei 1976 groot is. Ik wilde nooit een vrijblijvende roman schirjven, maar toch: ik ben verwonderd door de vele reacties.

Het schrijfproces en mijn wetenschappelijke aanpak van het Vrij Onderzoek (40 jaar VUB-expertise!) met historische kritiek en een wetenschappelijke methodologie als uitgangspunt in mijn twintig jaar lang INNO-onderzoek van alle raadpleegbare

(inter-)nationale archieven en talrijke interviews vormden de basis voor mijn vorig jaar in mei verschenen roman ‘Happening’. De breedaangenomen grenzen tussen goed en kwaad deden me kiezen voor het concept van een roman omdat het meer mogelijkheden gaf om het complexe extreem-linkse klimaat anno 1967 aanschouwelijker aan te tonen, alsook mijn eigen ervaringen als dertienjarige en de daaropvolgende linkse jaren bij AMADA. Dat gaf ook ruimte aan rebelse personages in mijn boek als Delphine en Gaston: zij zitten vol ambiguïteit, kleinmenselijke ambities en zijn gevoed door ideologische motieven om zich zo nodig tot de dood te verzetten tegen het USA-imperialisme.

De mooiste complementen krijg ik van lezers (van alle generaties) dat de waarachtigheid van de sfeerbeschrijving zo sterk aanwezig is wat de waarheid van de aanslag plausibel maakt. De mails die ik ontvang met de getuigenissen hoe ze hoofdstuk per hoofdstuk meestappen in het verhaal – dat ik door historisch onderzoek gecreëerd heb – troost me dat ik na vijftig jaar toch de moed gehad heb om me kwetsbaar en openhartig te tonen via een literair werk. Vanmorgen nog deze mail van R. V. in mijn mailbox: Happening is een ware pageturner. Vanaf de eerste pagina’s neemt het verhaal je bij de lurven en laat het me als lezer niet meer los. Van het idyllische dorpsleven tot de laaiende stedelijkheid, van de kleinste anekdote tot de hoogst gestemde reflectie: deze roman vlecht zich in het inlevingsvermogen van de lezer die een vermetel avontuur aanschouwt en zich afvraagt in hoeverre werkelijkheid fictie overtreft of vice-versa. Daarom is de visualisering op BRUZZ-TV zo pakkend en uitnodigend om de roman een tweede lezing te geven.’

De roman is ook met veel warmte en romantiek geschreven als een gelardeerde kroniek die veelgelaagd is, spannend en daardoor een bijna hypnotiserende whodunit. Het is alsof Bergman en Hitchcock zich aan Happening zouden wagen, het wordt een uitdaging de komende jaren voor EyeWorks om er een speelfilm in Vlaanderen van te maken! Dat kan niet anders dan visueel spektakel opleveren, zeker in de handen van de zo gereputeerde Nele Meirhaeghe als scenariste.

 

2.

Ik had me voorgenomen om mijn gezin en vrienden niet te veel te belasten met het onderzoek en het schrijfproces. Daarom doceerde ik veertig jaar lang kunstwetenschappen en communicatiewetenschappen en vermeed ik het onderwerp in mijn omgeving, maar vanaf de eerste dag na mijn emeritaat drie jaar geleden hanteerde ik de pen. Tijdens de periode van het schrijfproces werd ik echter geconfronteerd met de actualiteit van de terreuraanslagen in Frankrijk en Brussel en zat ik plots met een déjà-vu op de genese van het extremisme en het ontkiemen van politieke terreur van 1967, waar ik toen over aan het schrijven was, tot het heden wat op een sprong van de Nieuwstraat gebeurde in Metro Maalbeek en in de luchthaven Zaventem.

Daarom probeerde ik door de inkijk in de extreem-linkse Commune Ché een relevante analyse van een geïnfecteerde Zeitgeist te beschrijven. De onderlinge spanningen binnen de commune dient als een microkosmos voor de linkse beweging van weleer. Opmerkelijk was dat alle sociale klassen aan bod komen: arme ‘linksen’, bourgeois-‘linksen’, doorsnee-studenten, artiesten, vaklui, arbeidersmeisjes en dat allemaal onder de leiding van hun voorzitter, de aristocratische rode baron. Het schrijven van dit magistrale verhaal is een enorme uitdaging geweest, niet alleen omwille van zijn historische relevantie, maar minstens evenzeer omwille van zijn actuele weerklank.

 

3.

Er is natuurlijk altijd het spanningsveld tussen objectiviteit en subjectiviteit en de manipulatie die van elk medium uitgaat: boeken, tv-journaals en films, maar ook in mijn historische roman bestaat dé waarheid niet. Ook al zijn bijna alle details gebaseerd op feiten, het boek is een allegorie, als een spiegel voor een tijdsgewricht. De personages zijn gebaseerd op leden van de Commune Ché die ik doorheen de voorbije decennia ontmoette en verbeelden zo de reële Brusselse gemeenschap anno 1967 én illustreren het psychosociale klimaat van toen. Ik kon beroep doen door hun voortschrijdend inzicht in hun dagboeken, persoonlijke documenten en wetenschappelijke literatuur uit Duitsland, Frankrijk en ons land die op getuigenissen is gebaseerd. De roman gaat over de tijdsgeest en het doorgronden van politieke en persoonlijke processen die tot politieke terreur geleid hebben. Het belangt ons allen aan omdat geweld van alle tijden is. ‘Happening’ is de dramatische en niet de idyllische afbeelding van de werkelijkheid. Als auteur denk ik na over de maatschappij waar ik in leef en die doordrongen is van geweld. Ik beschrijf het omdat ik er bang van ben en ik wil dat we erover nadenken. Ik ben echter geen moralist of politicus, ik daag uit met het boek om na te denken. Geweld is nooit vrijblijvend. En ik ben een hopeloos naïeve vooruitgangsdenker gebleven, mijn opleiding aan St-Lukas Brussel en de VUB speelt daar zeker een rol in. Ik beweer niet dat kunst de wereld kan redden, maar ik ben er zeker van dat de wereld slechter af is zonder kunst.

 

4.

‘Happening’ is de titel van mijn roman. Wikipedia geeft volgende definitie aan Happening: Een happening is een spectaculaire openbare, spontaan lijkende maar vooraf bedachte gebeurtenis, bedoeld om de openbare orde op een ludieke manier te verstoren, zodoende te choqueren, en daarmee als star en ouderwets ervaren denkbeelden belachelijk te maken.’.

Volledig akkoord met deze definitie, maar helaas waren er in 1967 Communeleden uit Brussel en Berlijn die na het inferno schreven in een gezamenlijk publiek pamflet dat ze uitdeelden aan de universteiten: ‘Happening! Onze Belgische kameraden hebben eindelijk ontdekt hoe ze de bevolking echt deel kunnen laten nemen aan het vrolijke gebeuren in Vietnam: ze steken een warenhuis in brand en driehonderd verzadigde burgers beëindigen hun opwindende leven en Brussel wordt Hanoi.’

In een van de internationale academische handboeken ‘History of Terrorism’ (ja, terrorisme is ‘een discipline’ geworden aan de Europese universiteiten) wordt het letterlijk als volgt beschreven: Two days after a devastating fire sweeps through a Brussels department store, members of Kommune I, a radical commune, pass out a leaflet at Berlin’s Free University which jokingly suggests that a good way to bring the Marxist Revolution home is to deliberately burn down department stores. Kommune I members Fritz Teufel and Rainer Langhans were arrested and charged with inciting arson.’

Recent onderzoek dat ik de voorbije maanden kon doen in het archief van de ‘Polizeihistorischen Sammlung Berlin’ leerde me dat op 9 augustus 1967 ‘einem Happening für die Freilassung von Fritz Teufel’ georganiseerd werd in Berlijn. Teufel had het Brussels voorbeeld opgevolgd met een poging tot brandstichting van een Berlijns warenhuis, hij werd echter snel betrapt en gearresteerd en in de gevangenis ondergebracht. Ook de Communeleden en sympathisanten die manifesteerden tijdens deze Happening op 9 augustus 1967 werden voor ondervraging naar het politiekantoor meegenomen en gefotografeerd in ‘Fotostudio der Polizei’.

Toen ik de Berlijnse archiefmap opende zag ik 24 portretten van de actievoerders en hallucinant was mijn verbazing toen ik aan de zijde van Andreas Baader en Rainer Langhans niemand minder dan ‘onze’ Vlaamse Ludo Martens in de camera zag staren. Deze stichtend voorzitter en bezieler van AMADA (nu PVDA), met de onvermijdelijke kennis van de aanslag in de Inno in Brussel op 22 mei 1967 met 323 doden en tientallen gewonden, deed (opnieuw) mee aan een ‘Happening’ georganiseerd door zijn kameraden van Kommune I in Berlijn om hun leider (Teufel) vrij te krijgen die een brandstichting op dat moment in een warenhuis aangericht had. Commune Ché Brussel & Kommune I Berlijn, dus één strijd?

Het rood komt altijd terug. Martens was al vroeger gesignaleerd als contactpersoon (tot in pamfletten toe) tussen de twee Communes onder de schuilnaam ‘Leopold L.’. Over zijn rol in het juridisch dossier over de aanslag in de INNO is zowel in Brussel als in Berlijn heel wat schokkende informatie terug te vinden. Ook weet ik door academisch overleg met universitaire collega’s historici en onderzoeksjournalisten dat de Brusselse Commune een pioniers- en voorbeeldrol vervulde in de geweldadige Europese extreem-linkse milieus anno 1967.

Voor de overlevers en de slachtoffers brandt de Inno ook na vijftig jaar nog iedere dag, dit militant citaat uit een lang pamflet krijgen we toch maar niet uit ons geheugen gewist. We hebben moeten leren leven dat er in ons land mensen, nu 70-ers, vrijuit leven:  de daders van de aanslag, die zich tot vandaag niet schuldig vinden, enkel verantwoordelijk, want ze waren ‘vrijheidstrijders tegen het Amerikaans imperialisme en het doel heiligde de middelen’.

‘Soldaten voeren een bevel uit’, vertelde me een ancien van de Commune Ché, ‘we waren dat verplicht aan onze ideoloog Comandante Che Guevara die in een ver land in Zuid-America zijn strijd voerde.

 

5.

De zes episodes bij BRUZZ TV onder regie van historicus Frank Hoornaert zijn een zinnebeeldige voorstelling van 1967 tot vandaag. Hopelijk opent de docu-serie de historische ogen van de vooringenomen blinden die naïef (of te kwader trouw) het gemanipuleerd verhaal van de doofpotoperatie, georchestreerd door de machtshebbers, blijven verdedigen. Ik ben blij een kritische ziener te zijn in het werkveld van de hedendaagse geschiedschrijving die zich baseert op tekst, beeld en getuigenissen – voortdurend het scalpeermes hanterend – door een alles op de operatietafel leggende analyse van de Zetgeist en daarna pas de conclusies te trekken.

Mijn archief over de aanslag in de Inno is oneindig in filosofische zin en kiest zo partij voor een hallucinante beeldwoekering van een inferno. Mijn totale archief is een mystieke vorm van hyperrealiteit. Het is een puzzel die vanuit methodologieën een werkelijkheid ensceneert die naar zichzelf verwijst, naar de kern van geweld, naar de drie geradicaliseerde jongeren Marie, Bernard en Suzanne die ieder met een bom in hun hand hun daad deden op die maandagmiddag 22 mei. De coördinatrice Delphine zette hun af aan de hoek van de Koolstraat en de Nieuwstraat en pufte bevrijd weg met haar Austin Mini naar haar mentor de Rode Baron. Op het middaguur bedreven ze de liefde in een hotel dicht bij de fabrieken te Vilvoorde. Diezelfde middag werd ik op een heuvel in het Hageland volwassen in alle betekenissen van het woord. Het heilig vuur, weet je wel.

Daarom bevat deze roman alle elementen die garant staan voor een actueel en troostend verhaal: een onuitwisbare historische gebeurtenis, diepsnijdende menselijke verhalen en doorwrochte personages wier leven door het noodlot met elkaar werden verbonden. Door de BRUZZ-TV-reeks is het woord nu beeld geworden en heiligt zoals eertijds opnieuw het bestaan. In de TV-reeks vinden we ons verleden terug zoals het ooit helemaal is geweest, we krijgen een extatisch werkelijkheidsbeleven. De roman en de docu-reeks kan vandaag de schromelijke onrechtvaardigheid in het Belgische collectieve geheugen ongedaan maken. Ik wilde een roman schrijven die ertoe doet!

 

Johan Swinnen, 23 februari 2018

Tom Decock over ‘Andromeda’ van Jef Schokkaert

28 november 2017 § Een reactie plaatsen

HAL 5, Kessel-Lo, 20.10.2017

Dames, heren, goeie vrienden,

Er zijn maar drie gelegenheden in het leven om echt iederéén die je lief is verzameld te krijgen onder één dak, en dat zijn je trouwfeest, je begrafenis en je eerste boekvoorstelling. Echt machtig om te zien met hoeveel we vanavond zijn samengekomen om Andromeda boven de doopvont te houden. Een intrigerend, modern verhaal dat pivoteert rond een terreuraanslag op een tuinfeest vol prominente genodigden, die op de een of andere manier verbonden blijken met elkaar. Een aanslag die de toekomst voorgoed zal veranderen. Dit is het eerste publieke geesteskind van Jef Schokkaert: familielid of vriend van elk van ons, en binnenkort ook literair idool.

En dat laatste meen ik. Ik heb nog ergens een vergeeld diploma Germaanse Talen liggen, dus ik ben officieel gekwalificeerd om te zeggen dat we hier in het gezelschap zijn van een zeldzaam talent. Met internationale allures zelfs. Maar omdat ik thuis altijd geleerd heb dat je een man met oranje haar nooit op zijn woord mag geloven, stoffeer ik die bewering graag met wat voorgeschiedenis.

Ik ken Jef niet heel goed, maar al wel heel lang. En als ik één ding over hem geleerd heb in al die jaren, is het dat hij zijn passies altijd totaal beleeft. Vriendschappen, relaties, engagementen, een gesprek over het leven, een pint drinken: hij doet iets ofwel met volle overgave, ofwel doet hij het niet. Hij leeft al zolang ik hem ken als een kunstenaar, een bohémien soms zelfs, die erin slaagt in zijn geheel eigen stijl de waan van de dag te overstijgen. Jef zal nooit ofte nimmer zomaar deelnemen aan wat goedkope smalltalk. Als ik zou zeggen: “Amai, de prijzen van de diepvriespizza van Dr. Oetker zijn weer gestegen, dat is eigenlijk echt een schande,” dan is de kans groot dat hij, turend in de verte en na een trek van zijn gerolde sigaret, zou zeggen: “Nee, Tom. Dat is geen schande, als je erover nadenkt. En ik zal je uitleggen waarom.” Elk van ons heeft op die manier wellicht al meer dan één lange, boeiende avond bij meer dan één fles wijn met Jef doorgebracht.

Scherpzinnige wereldcriticus. Trouwe vriend. Spectaculaire gesprekspartner. Maar de passie die Jef altijd het meest allesverzengend beleefd heeft, is schrijven. Ik mag het woord obsessie hier wellicht met zijn permissie in de mond nemen. Andromeda is niet Jef zijn eerste boek. Het is het eerste dat wij mogen lezen. Het is het eerste dat hij zelf goed genoeg vindt. Maar eigenlijk bestaat er al een oeuvre van honderden en honderden bladzijden, waar de voorbije jaren nachtenlang een gezwoegd werd. Schrijven is voor Jef arbeid, een proces dat volledige concentratie vereist, waar eten en drinken en omgeving bij inschieten. Absorptie. En dat in de grootste geheimhouding. Niemand van ons wist waar hij al die jaren met volle overgave aan zat te werken. Pas in een laat stadium mocht een select clubje van proeflezers input geven. Om het met Sinatra te zeggen: Jef deed het op zijn eigen manier.

Met zo’n vriend die jarenlang aan de cafétoog zégt dat hij een boek aan het schrijven is, maar nooit iets laat lezen, kan het twee kanten uit. Ofwel blijft ie dat decennialang beweren, en komt er in het beste geval een ietwat provincialistisch novelletje in eigen beheer uit, dat je uit beleefdheid koopt om cadeau te doen aan je baas of schoonmoeder. Ofwel blijkt er al die tijd een waar literair genie voor je neus gezeten te hebben.

En laat dat laatste nu – gelukkig maar, het zou hier anders gênant worden – hier het geval zijn. Ik laat Andromeda voor zich spreken. Een echt zo goed als willekeurige passage.

PASSAGE: SERENDIPITEIT

Toeval heeft hier inderdaad weinig mee te maken, vrienden. Er spat métier van elke bladzijde, van elke zin zelfs. En akkoord, het is links en rechts nog wat zoeken, nog wat doseren, maar tegelijk ook al meteen duimen en vingers aflikken bij zoveel passie voor taal. De zwierige, rijk versierde zinnen, die vaak uitnodigen tot twee of drie keer herlezen zodat je alle lagen begrijpt. Het oog voor detail, zowel in situaties en decors als in mensen. De personages die je leert kennen zijn zo levensecht dat ze hier in ons midden zouden kunnen zijn. Met hun grote en vooral veel kleine kanten. De emoties die ze doorspartelen zijn bijna tastbaar. Alsof de auteur ze stuk voor stuk zelf heeft gevoeld.

En de verhaallijnen waarin die vierdimensionale mannen en vrouwen elkaar vinden zijn ambitieus. Het verhaal van ‘Andromeda’ laat zich niet zomaar samenvatten, zo groots is het van opzet. De research die aan de basis ligt is van het type “Ofwel heeft hij hier echt héél goed onderzoek naar gedaan, ofwel kan hij verdomd goed doen alsof.” Je gelooft elk woord. Ook de vorm van Jefs debuut is uniek. Het is een flow van hoofdstukken en scrapbook-gewijs verzameld materiaal dat een halve eeuw overspant, in een strakke en aantrekkelijke verpakking.

En dat allemaal, dames en heren, resulteert in een boek dat meer op een uitstekend vertaalde Angelsaksische bestseller lijkt dan op een Vlaams debuut. Als deze niet verfilmd wordt, dan zeker zijn volgende. Wie de hoofdrol mag spelen vraag ik ‘m zelf, uw applaus voor AUTEUR Jef Schokkaert.

Tom Decock

IN HET MUSEUM wint ‘beste debuut’ Zeeuwse Boekenprijs 2017

14 november 2017 § Een reactie plaatsen

Uit het juryrapport van de Zeeuwse Boekenprijs 2017:

In het museum van Joost van Driel. Antwerpen, Uitgeverij Vrijdag, 2017 Neerlandicus
Joost van Driel heeft reeds diverse wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan. Met In het Museum debuteert hij als romanschrijver. Deze solide vertelling speelt in het recente verleden. David Schijndels, zes jaar oud, reist met zijn vader – een verkoper van luxe overhemden – maandelijks vanuit het Zeeuwse provinciestadje waar ze wonen naar Brussel. De reisjes moeten geheim blijven voor Davids labiele moeder. In Brussel wordt David gedropt in het natuurwetenschappelijk museum onder de hoede van Sarah, zijn ‘museumoppas’, die een belangrijke sturende rol heeft in Davids ontdekking van het leven. Terwijl zijn vader met een paarse Borsalino op zijn hoofd een dubbelleven leidt en in de stad de bloemetjes buiten zet, zwerft David door het museum en ontdekt de fascinerende wereld van de dinosauriërs. David beschrijft deze uitstapjes vanuit zijn fantasierijke kinderwereld.

Joost van Driel leidt de lezer in een fijnzinnig uitgesponnen verhaal, met mooie, beklijvende zinnen, naar een onverwacht en surrealistisch einde. De kinderlijke verbeeldingskracht en loyaliteit van David leiden je door de complexiteit van de menselijke relaties, waarbij alles mogelijk is en blijkt te zijn. In het museum is het verhaal van het verborgen leven in dode fossielen, van de liefde tussen vader en zoon en tenslotte over de onvermijdelijke ondergang van een huwelijk en het verraad van volwassenen.

De gedachte dringt zich na lezen automatisch op: dit is een schrijver van wie we meer willen horen. Reden voor de jury om In het museum de Accolade Beste Debuut toe te kennen.

Erik Vlaminck over DE LAATSTE RONDE van Louis van Dievel

22 oktober 2017 § Een reactie plaatsen

[tijdens de boekvoorstelling van de nieuwe roman DE LAATSTE RONDE van Louis van Dievel op 21 oktober onthulde Erik Vlaminck enkele coulissengeheimen van de jury van de LIBRIS LITERATUURPRIJS 2006 en doet een aanbeveling voor die van 2018]

Dames en heren,

Hier staat op mijn papier dat ik niet mag vergeten om u iets te vertellen over Kleefkak. U hoort het goed: Kleefkak. Ik hou dat voor straks. Eerst over Louis van Dievel. Met een omweg.

In 2006 werd mij gevraagd om in de jury voor de Librisprijs te zetelen. Ik heb ja gezegd. En nu, hier en vandaag, meer dan tien jaar na datum wil ik voor het eerst -en dat kan omdat we hier met een zeer beperkt gezelschap zijn- uit de biecht klappen.

De Librisprijs, dus. Veel van mijn collega-schrijvers wantrouwen jurycenakels. Om de een of de andere reden denken ze dat het daar bulkt van vriendjes- en belangenpolitiek. Ik wilde dus wel eens weten of dat allemaal klopte. Onder andere daarom heb ik ja gezegd op de vraag of ik jurylid wilde worden.

De Librisprijs is overigens de enige literaire Nederlandstalige prijs waar er volgens reglement altijd een schrijver in de jury zit. Ik vermeld dat omdat ik het vreemd vind dat bij de andere literaire prijzen zelden schrijvers aan de jurytafel zitten. Kunt u zich een architectuurwedstrijd voorstellen waar geen architect in de jury zit? Kunt u zich een Koningin Elisabethwedstrijd voorstellen waar geen musicus in de jury zit? Maar schrijvers, die laten zich altijd en overal beoordelen door mensen die zelf de stiel niet beheersen…

Enfin, 2006 en de Librisprijs. Een jurylid wordt geacht om alle Nederlandstalige romans die in het juryjaar verschijnen, te lezen. In 2006 werden er 212 romans ingestuurd. Ik heb die allemaal gelezen. Ge hebt er geen gedacht van, wat een miserie dat was.

Toen het jaar voorbij was en alle juryleden met schemervlekken voor de ogen rond de vergadertafel zaten, rees de vraag of nu echt alle Nederlandstalige boeken gelezen waren. Ik heb toen mijn hand opgestoken en gezegd: De Pruimelaarstraat van Louis van Dievel, dat hebben we niet gekregen.

Ik had dat boek, van die op dat moment voor mij totaal onbekende auteur, toevallig in Antwerpen bij de Groene Waterman op de tafel zien liggen.

Maar ik had het niet tussen mijn 212 verplicht te lezen romans aangetroffen.

Blijkbaar was de toenmalige uitgever van De Pruimelaarstraat vergeten om het boek in te sturen.

De Librisprijs heeft een reglement voor alles. Ook voor niet ingestuurde boeken. Een jurylid mag niet ingestuurde boeken aan de leeslijst toevoegen, maar mag daar dan zelf in eerste instantie geen oordeel over geven. Pas wanneer dat boek de longlist haalt, mag hij of zij er toch zijn of haar gedacht over zeggen. Toen de longlist van die bewuste Librisprijs bepaald werd, bleek dat mijn collega-juryleden unaniem vonden dat De Pruimelaarsstraat zonder pardon op de longlist moest staan. En toen vroegen ze ook aan mij wat ik van dat boek vond. Ik had De Pruimelaarstraat nog niet gelezen.

Dit alles om duidelijk te maken dat De Pruimelaarstraat zonder vriendjes- of belangenpolitiek op de longlist van de Librisprijs is beland. Net zoals alle andere boeken die toen op de longlist zijn beland.

Tijdens de treinreis na de juryvergadering, op de terugweg van Amsterdam naar Antwerpen, heb ik dan mijn 213e boek van dat jaar gelezen. Het was  een steengoed boek. Met personages van vlees en bloed. Gewone mensen trouwens, die personages. U moet weten: ik vind boeken waarin personages rondlopen die geen intellectueel of kunstenaar zijn altijd een verademing. De Pruimelaarstraat is ook stilistisch een straf werk. Het is uitzonderlijk in de Nederlandstalige literatuur dat spreektaal ook echt spreektaal is. Ik mag dat zeggen want ik heb ooit op één jaar tijd 213 Nederlandstalige romans gelezen.

Bovendien: zonder geconstrueerd te lijken werd De Pruimelaarstraat geënt op een coherent geconstrueerd verhaal. Het is een boek dat niet ophoudt bij de laatste pagina. De Vampier van Muizen blijft nog lang na lezing in de lezershoofden spoken. De Pruimelaarstraat is literatuur met grote L. De L. van Louis van Dievel.

Televisie heeft de voorbije week de Pruimelaarstraat weer even actueel gemaakt. De tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde Staf Van Eycken liet vanop het televisiescherm weten dat hij liefst voorgoed vergeten wil worden.

Ik heb het altijd al gedacht: het beste wat mensen die liefst voorgoed vergeten willen worden kunnen doen is op televisie komen.

Louis van Dievel reageerde op de heisa met een onopvallend opvallend opiniestukje op de website van de VRT. Het is eEcccccccccccn serene beschouwing over de mens die in zijn roman hoofdpersonage werd.  Een doordenker. Ook dat is Louis van Dievel. Lees het even na op VRT NU.

Misschien wil u ook weten hoe het verder verlopen is met die Librisprijs van tien jaar geleden en met de lotgevallen van De Pruimelaarstraat daarin. Het boek haalde zonder enige discussie na de longlist ook de shortlist. Het zat dus bij de laatste zes kanshebbers; zes prachtige romans die het allemaal verdienden om bekroond te worden. Op de laatste juryvergadering, daar waar de winnaar uit de bus moest komen, is het zo gegaan: alle juryleden hebben tegelijkertijd een briefje op tafel gelegd waarop ze hun persoonlijke voorkeurvolgorde met betrekking tot de zes kanshebbers hadden genoteerd. De Pruimelaarstraat heeft de prijs niet gekregen. De prijs ging dat jaar naar Tirza van Arnon Grunberg. Dat boek stond bij niemand op één. Maar het stond ook bij niemand op zes. Zo gaat dat bij literaire prijzen.

 En zal ik het dan nu over Kleefkak hebben? Louis van Dievel, die sneller schrijft dan zijn schaduw, heeft tussendoor ook nog een theatertekst geschreven.

Kleefkak heet dat stuk. En het wordt op 30 november en op 1 december, in het Volkshuis in Kalmthout opgevoerd. Het decor van Kleefkak is Braken. Wie de streek hier een beetje kent weet uiteraard dat Braken geen synoniem is voor spugen, overgeven of spouwen. Braken is een eerbaar gehucht van de eerbare gemeente Wuustwezel. Toen ik kind was werd mij altijd gezegd: ‘Voorbij Wuustwezel, daar houdt de wereld op en daar is alles afgespannen met gazettenpapier.’ Het was een leugen. Want net voorbij Wuustwezel ligt Braken.

En pas dan houdt de wereld op en pas dan is alles afgespannen met gazettenpapier.

Enfin, Braken is het decor voor het toneelstuk Kleefkak. Het stuk zal gespeeld worden door Willy De Greef. U kan hem niet thuisbrengen? U kent hem nochtans. Van op school. Hij kwam in de jaren 70 en 80 met theaterwerkgroep Tentakel bij jullie in de turnzaal zeggen dat de wereld naar de kloten aan het gaan was. Geef toe dat hij er niet ver naast zat.

Mij was eigenlijk gevraagd om hier vanavond wat te komen vertellen over de nieuwe roman van Louis van Dievel. De Laatste Ronde heet dat boek. Ik ga daar niet veel woorden aan vuil maken.

Net zoals De Pruimelaarstraat heb ik ook De Laatste Ronde op de trein gelezen.

Tussen Lyon en Brussel. Ik heb geconstateerd dat het, verdomme, een steengoed boek is. Met personages van vlees en bloed. Gewone mensen trouwens, die personages. U moet weten: ik vind boeken waarin personages rondlopen die geen intellectueel of kunstenaar zijn altijd een verademing. De Laatste Ronde is ook stilistisch een straf werk. Het is uitzonderlijk in de Nederlandstalige literatuur dat spreektaal ook echt spreektaal is. Ik mag dat zeggen want ik heb ooit op één jaar tijd 213 Nederlandstalige romans gelezen.

Bovendien: zonder geconstrueerd te lijken werd De Laatste Ronde geënt op een coherent geconstrueerd verhaal. Het is een boek dat niet ophoudt bij de laatste pagina. In vele lezershoofden zal facteur Ludo zijn laatste ronde nog vele malen rijden. De Laatste Ronde is literatuur met grote L. De L. van Louis van Dievel.

Ik wil mij tot slot, en om malheuren te voorkomen, nog even richten tot Rudy Vanschoonbeek, de uitgever van Louis van Dievel en ook mijn uitgever.

Beste Rudy, vergeet alstublieft niet om De Laatste Ronde in te zenden voor de Librisprijs. Ik denk dat het een kanshebber is, minstens voor de shortlist.

Erik Vlaminck, 21 oktober 2017