Bart Stouten over ‘Ben jij liefde’

20 mei 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 19 mei, Barbóék Leuven

Liefde is overal in de poëzie en de poëzie, van Petrarca tot Gabriele d’Annunzio, van Rimbaud tot Mallarmé, van Bertold Brecht tot Goethe. Liefde is zo alomtegenwoordig dat je zou kunnen zeggen: er is ‘slechts’ liefde.

Laten we eens kijken hoe dat nu met Mustafa Kör zit. Lezen we de bundel aandachtig, valt ons op dat er geen vraagteken staat in de titel, die toch duidelijk als een vraag wil klinken: ‘Ben jij liefde’. Alsof in de vraag een bevestiging besloten zit. Als ik malafide ben, zou ik ook kunnen zeggen: alsof er een ontkenning gesuggereerd wordt. Alsof, wie weet, de liefde niet bestaat, of eerder een pathologische conditie is, een aandoening, zoiets. Ik wil Mustafa Kör in elk geval feliciteren met zo’n knappe titel, die onmiddellijk duidelijk maakt dat we geen melige romantiek hoeven te verwachten… of te ‘vrezen’ inderdaad.

De bundel opent met een motto ontleend aan de grote Portugese dichter met zijn heteroniemen, of verschillende namen, Fernando Pessoa: ‘als het hart kon denken, stond het stil’. Ik ben vorig jaar in Lissabon nog in het huis geweest waar Pessoa geleefd heeft en gestorven is. Mijn hart stond bijna stil. Want het begon te denken. Maar gelukkig bleef het kloppen. Omdat het denken niet zonder het passionele, irrationele kloppen van de emotie kàn. Ook daaraan herinnert ons de poëtica van Pessoa. Net zoals die van Mustafa Kör, trouwens. Zijn motto is inderdaad erg raak.

Ook Baudelaire levert een motto in deze bundel, uit zijn Bloemen van het Kwaad: ‘Wat is liefde? De behoefte aan zichzelf te ontsnappen’. De vraag die onmiddellijk in me opkomt, is natuurlijk: hoe ziet die ontsnappingspoging er bij Mustafa Kör dan uit?

De bundel is opgedragen aan Silvia. En dat is mooi, en dat is goed, want de bundel leest voor mij ook als een liefdesbrief. Een gecodeerde liefdesbrief, meervoudig invulbaar met de eigen levenservaring (die de dichter inspireerde tot afstand-nemen, net zoals Baudelaire admoneerde) en ook heel expressief, vol verlangen namelijk van Mustafa om zijn begeerte kenbaar te maken. Zoals gedestilleerd door de essentie van zijn bestaan. Dat moet voor Silvia inderdaad een erg prettige ervaring zijn. Een liefdesverklaring doordesemd van de poëzie geworden essentie van Mustafa’s bestaan.

‘Er was een tijd dat je bleef hopen op de vrouw die je zou afspinnen, je kon niet wachten op later’ verraadt Mustafa de dwang van zijn begeren. Dat vind ik zo mooi: dat ook in het beleven van de liefde voor hem, zelfs wanneer ze ‘gerealiseerd’ is in de relatie met Silvia, de hoop aanwezig blijft. Mustafa Kör heeft iets van een Icarus die dicht bij de zon gaat vliegen. Niet toevallig heet een van de gedichten die afstand-nemen ook zo, ‘Icarus’. De mythische Icarus komt overal in deze verzen terug, hoewel hij niet altijd zo genoemd wordt. Hij is immers het kind in de bundel. Goudblond gekruld, soms een ‘hobbelende engel in de tuin’, zoals in het gedicht ‘Appels’. Hij is de engel of het kind in de dichter zelf. Het kind dat ook iets van een jonge god heeft.

Sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en voorbeelden. Opmerkelijk: er is ook een gedicht opgedragen aan de politiek geëngageerde romancier Kamiel Vanhole. Het engagement bij Mustafa Kör is heel sotto voce verwoord, eerder suggestief dan expressief in de aanklacht, zoals in de openingsverzen van het gedicht ‘Handen’: ‘er was een tijd dat wij de toorn vreesden van meesters om het vuil op onze knokkels’. Nu is die tijd voorbij, en de toonaard van de liefde laat een meer onbevangen houding toe, een afleggen van alle angst, een eerlijkheid die zich niet meer hoeft te verstoppen.

Ik liet het woord toonaard vallen. Deze poëzie van Mustafa Kör maakt inderdaad van de liefde een momentum én een toonaard. Een toonaard om terug te kijken naar het eigen leven, de eigen Anatolische roots, de vlegeljaren, het ongeval, het niet altijd vlekkeloos dagelijks bestaan, ‘een dorp van vijf straten en kerkhof bezaaid met bierblikken’, zoals hij in het gedicht ‘Onder een brug’ zegt. De verzen hebben het in zich om verregaand de poëzie van een heel individuele, maar ook een collectieve tijd te beïnvloeden. Met mooie verzen. Rake metaforen. Bloedmooie taal, eigenlijk.

Kör schreef ondanks de titel dus geen voor de hand liggende liefdespoëzie, laat staan romantische poëzie met een schwärmend karakter of zo. Geen geïdealiseerde of onbereikbare dame wordt aanbeden. Het utopische van de liefde, zoals gesublimeerd in het religieuze, ruikt bij Mustafa Kör eerder naar een verkapte dystopie, die hem toelaat de spanning tussen de dood van god en de islam en alle daarmee verwante gevoeligheden van deze tijd te laten meespelen: ‘ontij is ons deel nu, alleen nog pioenrozen bidden’ stelt hij veelzeggend. De wereld hangt aan het spit, de wereld moeten we laten draaien, zegt Mustafa elders, ‘er is geen kuur van een aanbeden Allah’.

Mustafa Kör, hoewel dystopisch, raakt wel de mindset van grote liefdespoëten doordat hij de liefde, de goddelijke liefde, tegelijk als een bron van geluk én een bron van smart ervaart. Er zit een dubbelheid in het thema, een paradox zelfs, die de dichter het gevoel geeft tegelijk midden in het paradijs te staan én aan de rand van een afgrond. Echte liefde is al een beetje met één voet over die afgrond schuiven, je voelen wankelen en toch nog achterom kijken naar het paradijs dat je ervaren hebt.

De poëzie van Mustafa Kör deed me denken aan sommige dichters die in hun bezingen van de liefde kozen voor minder voor de hand liggende paden, om moeilijkere liefdes uit te drukken. Eigenlijk moet ik zeggen: NOG moeilijkere liefdes, want in de liefde dat niet altijd: moeilijk? Denken we maar aan de liefde zoals beschreven door de Griek Kavafis, de ‘verstopte’ liefde in zijn niet-begrijpend Alexandrië dat hem ostraciseerde. Denken we ook aan Emily Dickinson en haar vergeestelijkte liefde met een lichamelijke oorsprong in het bigotte Amherst. De wereldpoëzie, als ik daar even aan mag herinneren, is echt een samenkomst, een impluvium, van liefdes die als het water van een bergriviertje langs ingewikkelde rotspartijen zijn weg zoekt.

Liefde is en zal bij Mustafa Kör nooit een makkelijk thema zijn. Liefde is onafscheidelijk gelinkt met seksualiteit, seksualiteit maar al te vaak met wreedheid en een verlangen naar onderworpenheid. Seksualiteit weigert netjes in de zetel van de liefde te zitten. Liefde en seksualiteit gaan samen voor Mustafa Kör, maar hij wil ze niet verwarren met elkaar. Liefde is wel lenig, maar ze kan ook obsessief worden in deze bundel. Helemaal niet zo lenig, maar zelfs eerder steriel, opdringerig, dictatoriaal.

Structureel volgt de bundel het parcours van elke organische liefde. Het begint met een warme idylle en eindigt in een gedicht dat ‘ontdooid’ heet. We volgen dus een ontdooiingsproces. We volgen ook een strategie, liefde is ongedwongen in deze bundel maar toch ook een construct met voorbedachten rade soms: er wordt over elke emotionele zet nagedacht, er worden ultimata gesteld, er wordt verfoeid, gebroken en weer gelijmd. ‘We slikken onszelf als zoete koek’ verraadt Mustafa Kör het gedoemd zijn tot samenleven, in een bestaan vol barbecues en ballgames, en (althans in het gedicht ‘Stroom’), ‘massaal geluk dat gedownload wordt’. Heel erg mooi, dit beeld. Het downloaden doet aan zaad denken, aan de coïtus; het massaal geluk impliceert de herhaling van die coïtus. In het gedicht met de veelzeggende titel ‘Doordeweeks’ heet het matter-of-fact-achtig: ‘Het is gezien en goedgekeurd. We tellen onze zegeningen, want het regent niet en de post moet nog komen.’ In het gedicht ‘Jagen’ (wat mooi klinkt in een bundel die een soort liefdesjacht is) gewaagt Mustafa van een ‘onvermijdelijke charge, woest, als waren we elkaars doodswens’. Eros en Thanatos vinden elkaar hier in een pijnlijke omkering van de utopie.

De idylle van het begin blijft niet duren, en gelukkig maar voor de lezer openbaart de liefde zich in al haar rauwe naaktheid. Ik citeer enkele verzen uit ‘Misvormd’. ’Het is te begrijpen, zegt hij nu cellen zijn uitgedeeld, dat Claudia, rijkeluistrutje, Italianen bij de vleet is gaan pijpen. Rosse Nancy, wannabe met vileine tong, wormen telt in haar dierenspeciaalzaak. Pascal, racist in de dop, bandwerkt en malheur dealt in de Majestic. En Rachid, tja, die domme kloot, moest zo nodig verdrinken in het meer.’ Dit zijn heel tellurische verzen, erg trefzeker in hun evocatieve kracht.

Soms lijken de stanza’s elk een boek te schrijven, zodat je de bundel ook als een bibliotheek kan zien. Het gore kaliber van een moeilijke werkelijkheid, die constant de liefde troebleert, soms ook torpedeert, is alomtegenwoordig. Mustafa schrijft een bundel waar de ogen opengaan, in plaats van zich dromerig te sluiten. Met enige verwondering kijkt hij in de spiegel, om opnieuw zonder vraagteken, half-vragend en half-bevestigend, maar beslist verwonderd zichzelf in de borst te pikken: ‘begrijpt u nog dat hij een jongen was, misvormd door de ban van in te lossen beloftes.’

De ban van in te lossen beloftes, hoe mooi klinkt dat, en inderdaad, hier is Mustafa op z’n best, wanneer hij illusies debunkt. Heel de bundel is een ontwarring van illusie. Een terugkeer naar de niet-inneembare werkelijkheid, waar de liefde voor schut staat, hoewel ze haar poging nooit opgeeft om de dingen te ordenen, te esthetiseren, te motiveren, te prikkelen, te paaien, te sublimeren. ‘Barcodes van de mooiste leugens’ te lezen. Het friemelen, de blote ruggen, de sigaretten nemen we erbij.

Stemmen zijn belangrijk in deze poëzie. ‘Ik herinner me jouw stem, de tonica van je sopraan’ heet het in het gedicht ’Prima donna’. In ‘Chief’ heet het dat de stem kwam ’uit afgronden waar machtige kreten geboren worden’. De stem is het geluid van een adem, een levensadem, de stem is die van het leven zelf. Het leven dat altijd liefde wil zijn of worden. ‘Heb mijn stem schor geschreeuwd op je naam. Alleen je kroon viel uit de hemel’ heet het dan weer in het gedicht ’Icarus’.

Stemmen zijn belangrijk. Maar er klinkt ook mooie muziek. Ella Fitzgerald en Louis Armstrong. Take Five. Ik moest door de sfeer van sommige gedichten vaak denken aan het mooie boek van Danny Laferrière, over meisjes in het studentenmilieu van Montréal: ‘Vrijen met een neger tot je zwart ziet’, maar dit geheel terzijde.

Het allermooiste aspect van deze bundel vind ik de wijze waarop Mustafa vertrouwde werkelijkheid in of via de liefde heel ongewoon kan ervaren. Lippen worden vreemde lippen in ‘Pelgrim’. Een lach ‘is gestenigd’. Jongensdromen vervliegen samen met de mijnwolken. Dagenlang sluipt de dichter rond een afwezige gedaante. Ik moest inderdaad opnieuw aan Baudelaire denken bij het lezen van die woorden: ‘ce gouffre interdit à nos sondes’. Het bevreemdende wil verkend en begrepen worden, maar uiteindelijk is het ongenaakbaar in zijn ondoordringbaarheid, en ook dat leert de liefde. De liefde is in die zin een les in nederig-zijn.

Mustafa Kör is een meester in het lapidair, kernachtig verwoorden van onvoorwaardelijke, onherroepelijke situaties, waarin hij zich met grote kracht in de ander verplaatst.

Ik heb in mijn poëzieleven veel liefdesgedichten op mijn pad gevonden. Ik liep rond in de stegen van stilte met Perzische dichteressen, sommige van hen kwamen uit de Turkstalige stad Tabriz in het Noordwesten van Iran, een centrum aan het begin van de 20e eeuw van maatschappelijke en revolutionaire bewegingen en een bolwerk van kunstenaars, schrijvers en dichters met politieke en poëticale opvattingen. Dat is wel leuk. Wanneer de liefde zich moeide met zulke relatief geladen zaken. Exact zoals dat gebeurt in de verzenwereld van Mustafa Kör.

Al is hij dan geen gevangene of politiek landverrader, voor mij is Mustafa Kör een soort moderne Nazim Hikmet van Vlaanderen. De ware kracht van Hikmet is inderdaad zijn liefde, zijn liefde die zo groot en zo stormachtig klinkt dat ze gewoon nooit verloren kan gaan. En die bijna niemand onberoerd laat.

Dames en heren, ik ben werkelijk zeer vereerd dat ik u warm mocht maken voor deze schitterende poëzie. Lang leve Mustafa Kör, die ik hiermee van harte feliciteer. En ù zal de gelukkige bezitter worden van een hoogst inspirerende dichtbundel. Ik dank u.

Copyright Bart Stouten

Martine Cuyt over ‘Wat voorafging’

10 mei 2016 § Een reactie plaatsen

Presentatie 7 mei, De Groene Waterman Antwerpen

Beste aanwezigen. U kent Diane Broeckhoven, u las verschillende van haar 37 boeken. U weet dat De buitenkant van meneer Jules haar everseller is met 300.000 verkochte exemplaren. U was er wellicht bij op het stadhuis in maart jongstleden toen ze, net zeventig geworden, in de bloemen werd gezet. Vandaag presenteren we haar nagelnieuwe boek, haar oerboek, haar moederboek: Wat voorafging.

Wat voorafging
Het was een onbewolkte dag vier jaar geleden toen Diane en ik richting Manuscripta in Amsterdam reden voor een seizoensvoorstelling van de uitgevers en Diane haar moeder zo samenvatte: ‘Mijn moeder is een dramaqueen.’
Ik zette de wagen aan de kant – later zou blijken dat ik daar en toen een fikse boete zou oplopen, maar àlles voor de literatuur – en bezwoer Diane dat dit dé openingszin was voor een moederboek. Voor haar moederboek.
Dat dat geschreven moest worden, stond voor Diane al bijna twintig jaar vast. Wanneer niet. In ieder geval niet tijdens het leven van moeder Berthe.
‘Mijn moeder wàs een dramaqueen’, knikten we synchroon.

Berthe Moreels stierf op maandag 27 oktober 2014, ruim 95 jaar oud.
Nauwelijks twee jaar later, en uiteraard niet toevallig in het weekend van Moederdag verschijnt nu Wat voorafging. (Mag ik er u tussen haakjes ook op attenderen dat het moederboek van Diane toch maar fijntjes met een uur of zes voorsprong op Grunbergs Moedervlekken -­‐ een plotgedreven roman geen biografisch werk over mama Hannelore Grünberg-­‐Klein -­‐ in Antwerpen wordt gepresenteerd?
‘Mijn moeder was een dramaqueen’ is niet de openingszin geworden van
Wat voorafging, maar wie leest, die vindt.
Dames en heren, dit is niet alleen – alsof dat niet genoeg zou zijn – een krachtig moederboek, het is tevens een dubbelbiografie. Diane portretteert haar moeder van geboorte tot sterfdag, en zichzelf van geboorte tot nu. Ze laat zichzelf geboren worden, -­‐ haar moeder hoorde een dure taxi te nemen, zal ze later veel mogen horen -­‐, we stappen binnen in het gezin Broeckhoven met de dominante moeder, we mogen de Bildung van de jongste dochter, “de andere”, meemaken. We zien Diane vluchten naar Nederland, de journaliste gaat ook boeken schrijven en wordt zelf moeder van drie, we volgen haar naar Bhagwan, we zien haar na dertig jaar Nederland terugkeren naar België én we volgen haar veertien jaar lang weer in Antwerpen en op de wekelijkse bezoeken aan de moeilijke mater.

De turbulente relatie met ma is de rode draad, het bindmiddel.
De genaamde Berthe M. – die eigenlijk geen kinderen wilde -­‐ was een mooie, flamboyante, kamervullende vrouw. De geur van Soir de Paris – voor dochterlief de geur van de eenzaamheid -­‐ stijgt op uit het boek, en tijdens de tripjes naar zee ruik je Ambre Soleil – de geur van vakantie en een moeder die eindelijk wat milder was.
Eerlijk, het is een wonder dat de genaamde Diane B. niet heeft gebroken met haar moeder. Van kindsaf werd ze gepest, de jongste dochter, de creatieve. Het is een tweede wonder dat Diane daardoor geen breakdowns heeft gekend, en drie: dat ze de kwellingen heeft weten te verteren. De kwetsende bijnamen Mater Dolorosa, petite nature, kruidje-­‐roer-­‐me-­‐niet, Mademoiselle Nitouche en madame schrijnen zelfs bij de lezer na.
Berthe Moreels mag haar dochter dan de nagel aan haar doodskist hebben gevonden, het omgekeerde was het geval. Het was de moeder die dochter Diane het bloed onder de nagels vandaan haalde.

Ik ga hieronder geen uitgebreide vergelijkende studie maken van de schrijversmoeders die de jongste jaren in respectieve moederboeken opdoken, want Berthe Moreels was geen José Verbeke, de monter dominante moeder van Lanoye die Sprakeloos wordt. Berthe tatert en regisseert welsprekend tot op het eind. En evenmin is ze een Magadalena van der Giessen, de religieuze mam van Maarten ‘t Hart. De opstandige moeder van Adriaan van Dis (Ik kom terug) komt nog het dichtst in de buurt van Berthe Moreels, die ook doet denken aan de moeder van Doeschka Meijsing, die haar dochter stelselmatig kleineerde en haar “Libelleverhalen” maar niks vond. Kortom: allesbehalve een gemakkelijke tante, die moeder Berthe van Diane. Aan haar lijf geen Polonaise. Voor meer: lees Wat voorafging.

Zoals Diane zelf schrijft zijn eigenzinnige, opstandige moeders uiteraard meer geschikt als personage dan meegaande lieverds, en de literatuur mag blij zijn met dit nieuwe moederpersonage, maar toch zou je willen dat het fictie was geweest.
Denk niet dat Wat voorafging een literaire afrekening is. Het is niet te geloven, maar Diane Broeckhoven heeft veel liefde door de inkt gehaald en niet alleen door de inkt. Tot op het eind van het lange leven van haar moeder heeft Diane het principe van de onvoorwaardelijke liefde gehanteerd en onmenselijk veel geduld voor haar opgebracht. Het geduld van een boeddha.

Wat voorafging is een hunkerboek, de dochter hunkert tot op het sterfbed van de moeder naar een knuffel, een woord van liefde en appreciatie.
Het is pas de dode moeder die toestaat dat haar dochter haar hand vastpakt.
Berthe Moreels mag dan een dramaqueen zijn geweest, haar dochter is beslist een queen of drama.

Diane, van harte proficiat met het nu al historische Wat voorafging.
mc, 7 mei 2016

Professor Vanheeswijck over ‘Een man begraaft een boom’

17 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Presentatie 26 februari 2016, Antwerpen
door Guido Vanheeswijck

I

“Het mooiste gedicht is het gedicht dat genezen is van woorden. In Een man begraaft een boom brengt Shari Van Goethem geen begrippen bij. Niet de woorden, maar de beelden staan centraal. Aan de hand van deze beelden geeft ze inkijk in de complexe relatie tussen een man, een vrouw en een kind. Wie haar gedichten niet aanvoelt, wordt naar dezelfde doolhof verwezen, als waarin de hoofdpersonages zich bewegen.”

Op het eerste gezicht een vreemde presentatie van een dichtbundel. Hoe kunnen in een gedicht niet de woorden, maar de beelden centraal staan? Ik zou deze interpretatie daarom ook willen nuanceren. Ik zou willen laten zien dat Shari speelt en worstelt met woorden om ons zo beelden te tonen. Beelden via woorden. En ik wil dat doen aan de hand van een visie van een filosoof waarover Shari haar masterthesis heeft gemaakt, de Canadees Charles Taylor.

II

Shari Van Goethem zoekt naar wat de romantische dichter Percy Bysshe Shelley (1792-1822) ‘subtielere talen’ heeft genoemd. Tot ongeveer het einde van de achttiende eeuw, zo schrijft M.B. Abrams in zijn bekende studie The Mirror and the Lamp had de kunstenaar slechts een spiegel nodig om de werkelijkheid in al haar facetten weer te geven. Dood, verlies, rouw en pijn, wanhoop en hoop waren even aanwezig als vandaag. Maar ze konden worden geïnterpreteerd tegen een achtergrond van een mens- en wereldbeeld dat nagenoeg door iedereen werden gedeeld: een christelijke interpretatie van de geschiedenis, het sacramentele karakter van de natuur, de grote keten van het zijn, de analogie die er bestond tussen de diverse niveaus van de schepping, tussen de mens als een microkosmos en de wereld als macrokosmos, het geloof in een door God gegarandeerde onsterfelijkheid. De dichter kon als het ware onproblematisch een beroep doen op deze algemeen aanvaarde patronen om aan zijn eigen rouwproces, hoe individueel ook, een algemeen geldende betekenis te verlenen.

In de negentiende eeuw zijn deze wereldbeelden geleidelijk aan uit het bewustzijn verdwenen. De verandering van een mimetische naar een creatieve opvatting van poëzie ging hand in hand met de teloorgang van dit algemeen aanvaard referentiekader. Voortaan was een spiegel niet meer voldoende voor de dichter. Met een lamp gaat hij op zoek om in de chaotische werkelijkheid betekenis te vinden voor het verlies dat eigen is aan de menselijke eindigheid. Taal wordt nu veel meer dan een middel tot representatie; zij onthult via de creatie van symbolen onvermoede betekenissen in de werkelijkheid. Kortom, ze is niet langer alleen maar descriptief maar ook en vooral performatief. Dat betekent echter niet dat de dichter alleen maar de spreekbuis is van “zijn allerindividueelste emoties” en dat literatuur niet meer is dan een autonoom tekensysteem zonder enige verwijzing naar de buitenwereld. Het betekent wel dat de wisselwerking tussen taal en wereld complexer wordt. Als Rilke over engelen spreekt, heeft dat niet meer dezelfde zeggingskracht als bijvoorbeeld bij Dante. De werkelijkheid die ooit aan het gedicht voorafging en zich daarom leende voor imitatie, krijgt nu samen met en in het gedicht vorm via de creativiteit van de dichter.

Dat laatste, zo schrijft de Canadese filosoof Charles Taylor, geldt bij uitstek voor hedendaagse, post-romantische schrijvers. Alhoewel zij niet langer kunnen terugvallen op een algemeen erkende orde van betekenis en dus op het eerste gezicht dreigen te vervallen in een volkomen subjectivisme, laat een doorgedreven analyse van hun gedichten een meer genuanceerd beeld zien. Enerzijds is er het duidelijk subjectief aspect: de taal die zij hanteren is een zelf gekozen taal, waarin zij hun eigen gevoeligheid articuleren. Anderzijds – en dat wordt graag vergeten – is er ook een objectief aspect: via de taal creëren deze dichters een openheid op een diepere werkelijkheid (de geheimen van de menselijke natuur, de wederwaardigheden van het menselijk verlangen, de goddelijke werkelijkheid, de aantrekkingskracht van de machtswil, of wat dan ook). Doorheen hun articulatie van woorden manifesteert zich een werkelijkheid die deze woorden transcendeert.

Dit poëtisch taalgebruik, dit zoeken naar subtielere verwoordingen ziet Taylor dan ook als een hedendaags model om het eigene van de menselijke zoektocht naar zin en betekenis te articuleren. Tegelijk is hij zich terdege bewust van het precaire van deze onderneming: “Anders dan de verwijzingen in vroegere gedichten, waarvan de betekenis werd gegarandeerd door een algemeen aanvaard referentiekader (de keten van het zijn, de goddelijke geschiedenis en dergelijke), opent de moderne poëzie nieuwe paden, creëert zij nieuwe perspectieven op de werkelijkheid.” Maar, zo voegt hij eraan toe, die poëzie kan slechts resoneren voor wie er gevoelig voor is.

III

Laat me dit toepassen op de gedichtenbundel van Shari, waarin zij probeert de complexe relatie tussen een man, een vrouw en een kind te evoqueren.

  1. de worsteling met woorden:

niet het knopen voelt vreemd maar de woorden.
(…)

tussen de diepste kloven en de hoogste hoogten vliegen
vruchteloze vogels. groeien bomen
onuitgesproken. woorden die nog niet hebben genest

wat buiten beeld blijft
is hoe diep
(…)

  1. Spelen met woorden:

er is het kind dat kleeft. het schuim
dat samenklit. er is het weken in bad
blijven zitten.
(…)

  1. Gravende woorden creëren beelden:
  • de hand in zijn hand
  • overkant
  • gat, put
  • het onderweg zijn

de hand verdwijnt in zijn hand, de treden
onder zijn voeten. het enige waaraan hij
denken kan: de man en het moeten
de landkaarten die hij niet in kokers krijgt
het stratenplan dat ook niet buigt –
nu hij zich aan de overkant bevindt
van waar hij had willen zijn

(…)
drie meisjes hurken. omdat ze vrezen dat het punt
– waarop de man, de vrouw, het kind – op een rechte
lijn ligt. dat het onderweg, een verder weg
dat een gat, een put zal worden, waarin een man
zelfs geen boom wil begraven

(…)
in haar is er geen aankomst.  

Wel: een onderweg zijn.

Het altijd op weg zijn, breekbaar, tastend, tentatief: cf. Italo Calvino, Als op een winternacht een reiziger. Wellicht heeft de presentatietekst van de bundel het toch bij het rechte eind. Woorden doen zwijgen:

(…)
ze weet ze wankelt net dezelfde weg als die waarlangs
ze werd verlaten. maar ze houdt van deze straten. niet
om de voetpaden. wel om wie hier liep

onder onmogelijke beloftes is stilte de mooiste
(…)

(…)
als zou er zich op een dag
zomaar een kasteel

(cf. de beelden van wat er niets is: achter een deur, einde van een gang)

  1. En toch begraaft de man een boom (slotgedicht)

‘Kamelen waarmee je door alle woestijnen kunt gaan’ Bart Stouten over ‘De ziel surft offline’ van Frank Adam

14 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Kunstencentrum De Werf Brugge 3 maart 2016
Dames en Heren,
Niets had mij voorbereid op de schok van mijn jonge leven toen ik de drukproef van ‘de ziel surft online’ voor ogen kreeg.
Ik was al veel gewoon van Frank Adam, maar niet deze verpletterende manier om komaf te maken met de laatste trieste restanten van de aannames die mij weleens belagen wanneer ik op zoek ben naar een puntige opener van mijn dagelijks radio-programma.
Wat bijvoorbeeld te denken van het gebruik van het woord BEKLAD in ‘De schoonheid van een crisis wordt doorgaans BEKLAD door de oplossingen’. Je zou denken dat de oplossingen de crisis post factum juist bruikbaar en daardoor ethisch bevallig maken, maar om dan te lezen dat de gevonden oplossingen haar BEKLADDEN, dat is weer heel iets anders.
Elders heette het dat ‘stoere verhalen over sterke dranken op een slappe verbeelding wijzen van een zwakke persoonlijkheid’. Je zou toch juist stoere verhalen associëren met een STERKE verbeelding? Nee dus. Frank Adam wou mijn geest doen kantelen, daar was geen weg naast.
Echt verwonderd was ik niet. Ik had ook vaag gehoopt dat het zou gebeuren. Ik ken Frank Adam, zoals u allemaal, als de geniale poeet, filosoof, theatermaker en ook radioman die er enkele jaren geleden in slaagde om een hoorspelproductie te realiseren in onze radiostudio’s waar we nog steeds niet over uitgepraat zijn. Was hoorspel een no go-area geworden van uitgesleten cliché’s? Niets was minder waar toen Frank aan het roer zat. Hij betoverde een bomvolle zaal van luisteraars door het hoorspel tot een poëtische performance om te toveren, met een sfeervol decor van heel integer uitgedachte auditieve elementen, allemaal akkoorden in een unieke partituur waar niets aan het toeval was overgelaten, zelfs niet de ogenschijnlijk absurde ‘inserts’ die aan een soort surrealistische ‘écriture automatique’ deden denken, met alle associatieve spelletjes van cadavre exquis erbij. Ondertussen voerde Frank Adam, net zoals in zijn vijf fabelboeken vol tegendraadse verbeelding, de kunst van het fabuleren terug naar de mondelinge oorsprong van alle literatuur. Het effect was een verlevendiging, een opnieuw uitvinden van wat door jarenlange herhaling compleet uitgesleten was geraakt.
Net als alle grote literatuur zijn de teksten van Frank Adam, en beslist ook dit vademecum van gedeconstrueerde aforismen, een Telephus-speer. Telephus, dat is de zoon van Chronos die in de mythologie met zijn speer wonden toebrengt, maar dankzij het roest aan het uiteinde van de speer worden alle wonden meteen ook genezen. En dankzij die therapeutische kracht kan ik het boek missen, van zodra ik het uitheb. Het brengt een hele cognitieve wereld in mij weer in beweging. En zo herinnert Frank Adam mij eraan dat alle lectuur die ertoe doet de ontdekking is van een sensibiliteit. De sensibiliteit van een geniale auteur. Omwille van die sensibiliteit voel ik nu al de behoefte om hem te herlezen.
Je kan deze tekst, net zoals zovele vorige teksten van F Adam, als een uitvinding zien. Ze laten een scherpere blik op je binnenwereld toe. Het effect is even groot als wanneer je als jongeman ‘het lijden van de jonge Werther’ leest. De Roemeense filosoof Cioran heeft ergens gezegd: we zijn een beschaving van fictie die ons veranderen kan. Frank Adam illustreert in elk geval dat we fier kunnen zijn op die beschaving wanneer we daarover, zoals hij, al improviserend kunnen vertellen, niet zozeer badinerend als wel op een bevlogen wijze die nooit eerder gezien is, en zo ondertussen harten in beroering brengen en hoofden doen nadenken over wat we als de meest gewone vanzelfsprekendheden waren gaan zien.
Nee, niets is vanzelfsprekend in ‘De ziel surft online’. Het lichtende pad van Boeddha, Jezus Christus, grootmeester Yoda, de Franse moralist La Rochefoucauld, of de Duitse denker Arthur Schopenhauer, het lijkt alsof dat pad opnieuw wordt aangelegd, zoals sommige straten in de stad, zodat je ondertussen verplicht wordt nooit eerder bezochte wijken te bezoeken. En daar vind je dan alle rare muurslogans, stukgeslagen oneliners en binnenstebuiten gekeerde volkswijsheden; daar hoor je door de open ramen zelfs meditatieve podcasts voor tijdens het sterven, zijn zog. ‘Lied van de Longen’. Ik heb zelf op palliatieve afdelingen van klinieken al veel humor gespot, maar nergens hoorde ik tweets verstuurd worden naar het hiernamaals. Wél in deze tekst van Frank Adam. Overigens: u hoort het goed, ik gewaag van een tekst, deze tao van leven, liefde, seks, roem, rijkdom, depressie, zelfmoord en sterven in 300 en enige aforismen leest ook als een tekst, een verhaal, een heel leven-in-aforistische-episodes. Frank laat zien dat de genres niet stabiel zijn, dat de koan van de dertiende eeuw in Japan ook een koan in de 21e eeuw van Vlaanderen kan worden. Maar hun effect is nog steeds vergelijkbaar: de geest wordt gekanteld, de geest wordt beroofd van alle valse voorveronderstellingen, om een verloren openheid van denken weer te vinden. Mooier kan ik inderdaad het effect van de tekst van Frank Adam niet verwoorden.
Het ‘nieuw’ maken of worden van tekst is des te opmerkelijker omdat Frank Adam een filosofische reflectie beoogt van wat zich afspeelt op Internet. We zijn ermee vertrouwd geworden dat media als film en televisie veel meer onze voyeuristische neigingen bevredigden dan de geschreven teksten van voorheen. Internet leek nog een stapje verder te gaan, maar ontgoochelde ook vaak in het wereldwijd rondsturen van eeuwig dezelfde simplificaties en cliché’s. Die geest is alleszins in strijd met de geest van Frank Adam. In zijn reflectie op internet kopieert hij niet, maar deconstrueert.
In de geest van de Frans-Algerijnse denker Jacques Derrida probeert Frank Adam creatief commentaar te serveren bij alle vooronderstellingen in teksten en subteksten. Het verschil is alleen dat de filosofische deconstructie soms op het einde van alle creativiteit lijkt, terwijl Frank Adam net laat zien dat het een begin kan zijn. En wat voor een spetterend begin! Ik moest tijdens mijn lectuur vaak denken aan filosofisch-poëtische kattebelletjes in de semiotische geest van Roland Barthes: aantekeningen levendig en luchtig en toch ook to-the-point over 1001 onderwerpen, waarbij ‘alles wat valt als een blad’ (zoals Roland Barthes dan zegt) een kans krijgt.
Maar het ene blad is het andere niet, weten we wanneer we al eens grasduinen in de aforismen die her en der gebundeld worden. Het probleem met het aforisme is de vaak monolithische onweerlegbaarheid. Een goed aforisme heeft iets van een akelige man uit een altijd-gelijk-club. Een goed aforisme stinkt naar macho bravado. Het is moeilijk om het nIét eens te zijn met zo’n aforisme. Ik ben het vaak eens met de VORM van het aforisme: dat is waar het uitstekende aforisme in uitmunt, eerder dan in de INHOUD. Hier maakt Frank Adam het verschil: zijn vorm is altijd opmerkelijk en onberispelijk, daarom alléén al genietbaar, maar hij draait en wentelt bovendien op een uitermate originele manier de inhoud, hij zorgt ervoor dat we uit onze dommel wakkerschrikken om even tegen onszelf te zeggen: zo had ik het nog niet eerder gezien.
Die aantekeningen troosten niet zomaar, ze zijn niet zomaar een EHBO bij een moreel ongevalletje. Ze willen de schrandere lezer ook een soort samenlevingscontract schenken. Ze hebben (uiteraard op een wijze die helemaal past bij de 21e eeuw) de grootse ambitie van verlichtingsdenkers als Jean-Jacques Rousseau, Voltaire, Diderot en d’Alembert. Beide laatsten wilden met hun Encyclopédie het concept van kennis zélf veranderen. ‘De ziel surft online’ slaagt daar volgens mij ook in. Het kennistheoretisch episteem dat wij dagelijks hanteren komt in vraag te staan. Dat kun je van maar heel weinig boeken zeggen. Een ander episteem komt in de plaats van het uitgeholde neoliberale systeem, waar alles moet gelabeld worden, en elk label moet opbrengen. Ondertussen zijn de tekstjes van Frank Adam behalve kritisch ook uitermate grappig, ze zijn bovendien bezwangerd van passie en hebben het in zich om de meest koele kikkers te provoceren.
Maar er is vooral de humor. Het geheim van alle humor is natuurlijk de verrassing. Frank Adam laat zien dat humor en geduld – geduld bij het schrijven, bij het lezen, bij het toepassen in uw leven van wat u gelezen hebt – dat humor en geduld de kamelen zijn waarmee je door alle woestijnen kunt gaan.
Een mooiere abdicatie van alle negativiteit en onverschilligheid die ons vandaag omringen is niet denkbaar.
Wat ik al niet geleerd heb terwijl
ik door de drukproeven van DE ZIEL SURFT OFFLINE bladerde. Ik kreeg advies voor wijs bankieren, en werd eraan herinnerd dat ik als ervaren lener mijn bank kon binnenstappen met de flair dat mijn lening de bank krediet verleent. Dat is niet eens gelogen, maar zo had ik het nog nooit ‘gezien’. Het is een logica waaruit talloze aforismen van Frank Adam hun charmante wijsheid putten, en die ze zoveel rijker maken dan de sympathieke woordspelletjes die ze blijken te zijn. Rijker, ja, c’est le cas de le dire in deze bancaire context. En over rijk gesproken, Frank herinnert me er ook nog aan dat als je je het saldo van je bankrekening zelfs niet bij benadering kan herinneren, wat in mijn geval ALTIJD zo is, dan mag je je rijk noemen. Wat een heerlijke troost. Dankzij het boekje van Frank weet ik nu dat ik steenrijk ben. Ik, die dacht dat ik doodarm was. Frank Adam gelooft duidelijk niet in aaalmoezen, wel in het emanciperen van mensen van onderuit.
Welk brein ontwart onze verstrengelde gedachten uit het wereld wijde web? vraagt Frank Adam zich af, midden in dit boek voor een ziel die offline surft. Dames en heren, ik denk dat de auteur hierbij aan zichzelf dacht. Hij heeft in elk geval mijn gedachten aardig op een rijtje gekregen. Het rijtje dat mijn bewondering is voor hem. U voelt dat ik het einde van mijn eerbetoon nader, en afsteven op wat de Engelsen ‘a round of applause’ noemen.
Want ja, ik wil Frank nu ‘toto corde’ feliciteren met zijn fantastische uitgave. Het smaakt als een laat zondags ontbijt met pistolets, croissants en chocoladekoeken. Het is gezond als een veggiebroodje met tuinbonenpasta. Je vertering zal versneld worden, je ontlasting zal een stuk aangenamer verlopen. Ik weet wel zeker dat dit boekje een onvoorspelbaar boeiend leven gaat leiden in Vlaanderen. Het boek is geboren. Luister naar een ontroerend mooi gekrijs.

Bart Stouten

Will Verhegghe over ‘Zekerheden’

14 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Sint Niklaas 19 februari 2016

Zekerheden: komen ze met de jaren,
wegen ze op onze schouders als roestige kennis,
duwen ze ons met onze neus op het ongenadig en onstuitbaar ouder worden ?
We weten hoe dan ook sneller waar we aan toe zijn, Bart, zoveel is zeker,
in ons hoofd en lijf en in onze pen sluipt de zekerheid naar binnen
die ons zegt dat onze langste dagen geteld zijn.
Maar we blijven leven, blijven schrijven, soms tegen beter weten in,
meestal in het besef dat we moeten verder doen willen we blijven……….leven.
Het openingsgedicht van de bundel is een gedicht
over vader dat ik je ooit hoorde voorlezen.
Ik werd er stil van, mijn eigen vader kwam
er zelfs een beetje door uit zijn graf gekropen,
net zoals de dode uit zijn kist in het macabere schilderij van Antoine Wiertz
dat je in het al even sombere tegen
het Leopoldspark aanleunende Brusselse museum
waar Conscience conservator was en stierf kan bekijken,
bewonderen is hier niet het juiste woord.
Je vader, Bart, de man die jij zelf
steeds meer wordt, zijn reïncarnatie bijna.

Van je papa duik ik in een vijvergedicht
waar je liefde voor en kennis van de natuur
met sierlijke karpersprongen boven water komen en je de zwarte pluimen
van de meerkoeten in het wit van hun taterende bekken projecteert, een verademing
in het rustverstorend kabaal van de ontwakende morgen,
de ronkende motoren, de stank der uitlaatgassen, de waan van de dag.
Heel even kom je me in de wielen rijden en
ga je zowaar Tour de France-gewijs koersen,
claim je mijn klimmersidool Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo,
jij hebt intussen wel je fiets al aan de haak gehangen,
ik kocht me recent nog een nieuwe Eddy Merckx
om mijn oude knoken het knarsen af te leren.
Wat niet lukt natuurlijk, gekraak alom, opspelende pezen,
snot voor de ogen, het terugkerende epo, ooit uitgever van mijn roman,
ik koester zelf nog de droom genaamd Stelvio ,
een finale klim naar mijn extreme koersliefde.

Je waagt je ook aan zelfportretten,
verbale paintings in pure Van Gogh-stijl,
ik denk hier spontaan aan een vers van Karel Jonckheere
die het had over ‘wie veertig wordt zal zich zelve kennen
want anders is het beter dat hij sterft’.
Maar ken jij jezelf wel, beste Bart, zit je niet in mijn schuitje
dat wankel op woeste zeeën tracht boven water te blijven ?
Ik ben bijna zeventig en nog elke nieuwe dag op zoek naar mezelf,
een bezigheid die arbeidsintensief is en me voor een stuk jong houdt.
Blijven doen, dus, Bart, jezelf ontdekken,
vertrouw zeker het al te gratuite spiegelbeeld niet,
zoek tot in je diepste binnenste om vast te stellen dat de put
die we voor onszelf graven nooit diep genoeg zal zijn.
Misschien kan het lief-zonder-schaduwzijde je daar bij helpen,
om uit je eigen schaduw te treden, het volle licht tegemoet.

Zalig dan weer hoe je in Wales mijmerend aan het klimmen gaat,
je deed er dus best aan om geen bubbelbad te nemen en
op zoek te gaan naar het mysterie van de Cader Idris,
een berg die mijn beklimming van de Snowdon
in de zelfde Welshe buurt levendig in herinnering brengt,
ik sliep er een paar nachten in een desolaat
maar prachtig old fashioned hotelletje
waar beeldschone blonde blauwogige Deense meisjes opdienden en
waar de grote Sir Edmund Hillary heeft verbleven toen hij zich
op de nabijgelegen Snowdon voorbereidde op zijn Himalaya-avontuur,
je ruikt er nog de geurloze hoogte van de Everest,
je ziet de zwoegende sherpa’s,
het klimmersgerief van Hillary hangt er als scapulieren
van een of andere heilige in karig verlichte vitrinekasten,
relikwieën van de eenzame en dodelijke hoogten.

Wat verder slaag je er dan weer in om
een studentikoos vers op papier te zetten
waarin bier en grote onderscheiding een wondere mix vormen,
meteen daarna daal je af in de onderaardse geschiedenis
van een kerkhof in Firenze
waar je Pinocchio’s lange neus tegen het stevig liegend lijf loopt
in de figuur van zijn geestelijke vader Carlo Collodi
die er eeuwige sprookjesrust heeft gevonden en er waarschijnlijk
geregeld een kaartje legt met Walt Disney die zijn Pinocchio
in sublieme beelden tot cinemaleven heeft geroepen.
En als de last van het ouder worden je te zwaar wordt en
je het teveel aan vroeger en het tekort aan later verfoeit
ga je best wat troost zoeken in de kern die zal overblijven:
liefde en twee oude lijven.

Je loopt even op mij vooruit in vijf sfeervolle gedichten over Lesbos,
het eiland waar Europa zich momenteel van zijn beste kant laat zien,
de arme Grieken stikken er in de toevloed van vluchtelingen
die -stel je voor- zo eens op onze bloedeigen kust tussen De Panne en Knokke
zouden moeten aanspoelen, het kot zou te klein zijn,
de lokale gouverneur en burgemeesters schreeuwen nu al moord en brand en
er is niets aan de hand, onze vetbetaalde politici verdringen zich de laatste tijd
in hun drukke en haast gelijklopende push back-dromen.
Binnenkort trek ik er zelf naar toe, Bart, naar Lesbos,
en heus niet als ramptoerist maar om er humane signalen op te vangen en
oude vriendschappen te bezegelen.
Van het tragische en arme Lesbos vaar je op de golven van Sappho
noord-westwaarts naar de Noord-Franse kust
om er in het Somme-dorp Ault
met het wit van de krijtrotsen in het gele zand een gedicht te schrijven.
Om daarna weer helemaal en met beide voeten op de grond te blijven
in een paar verrassende grootvadergedichten waarin je op je hoede bent
voor de valstrikken van de jeugd, de moeilijke vragen,
de verwachtingen van jonge mensen in hun opa
die met open mond naar hen kijkt en luistert en
dikwijls het verwachte antwoord schuldig moet blijven.

Wat me ook opvalt is dat je net als ik de kraaien van Van Gogh
hoog in de lucht van je poëzie laat opdraven, ikzelf heb dat
meerdere keren gedaan in mijn gedichten en telkens weer
heeft het iets dreigends en ga ik tot die beeldvorming over
wanneer alles me wat te zwaar en te zwart wordt,
bij jou zie ik in dat beeldgebruik eerder een streven naar hoger,
naar, zoals je zelf schrijft, het dak van je torenhoog verlangen.
Misschien moet je dat verlangen dan maar laten uitmonden in de liefde
die je opnieuw uitvindt en waarbij je best het verleden opdoekt,
het verleden dat gesprekken nekt wanneer je het te fel oprakelt.

En laat je zeker niet klein krijgen door hartritmestoornissen, beste Bart,
verstoor en verstrooi ze, geef ze geen kans om het ritme
uit je leven te halen, ga niet ten onder
zoals een kanarie bij een weinig mijngas,
verban de oude man in jezelf, ja,
je schrijft het zelf: gun hem zijn grillen niet,
geef niet aan hem toe en ontken keuvelend en lachend de dood.
Om dat alles waar te maken leun je best aan bij je geliefde en
fluister je haar deze paar eigen wondere woorden in het oor:

‘ontsteek de dag

en laat mij zien

wat ik nooit zag’.

Ik wens je nog veel liefde, nieuwe dagen en wondere onbekende dingen en ervaringen toe, beste Bart.

En hou zeker niet op met dichten, laat dat een van jouw en ook onze zekerheden zijn.

willie verhegghe

Geerdt Magiels over ‘Ingewikkeld’, Museum M – 7 maart 2016

9 maart 2016 § Een reactie plaatsen

De psychiatrie in de krant, twee recente koppen:

“filmfestival Offscreen focust op psychotische vrouwen”
dS woensdag 2 maart 2016
Het festival toont dat er een behoorlijke lijst is van vrouwen die doordraaien in films. Horrorfilms die de vrouwelijke psyche verkennen. Onder de titel “Driving miss crazy” Het blijkt de gaan, voor zover het artikel het beschrijft, om vrouwen die van slachtoffers (van seksueel geweld) ook daders kunne worden De stoppen slaan door nadat ze tweemaal verkracht werd. Verder wordt vermeld: kleptomanie en een fobie voor de kleur rood.

“lekker schizofreen”
dS dinsdag 23 februari 2016
AF Vandevorst in Londen: ze heeft het over de kleerkast van de vrouw die ze graag kleedt. En daar speelt ze met schizofrenie. Formeel en casual, als twee kanten van de medaille, maar ook mannelijke archetypes versus vrouwelijke, of de zorgende moeder en de hardwerkende vrouw in één. De garderobe straalt doe mix uit: jeans en mooie jassen, sportbroek en avondjurk.

HMV

Dit soort berichtgeving, waaruit een groot wetenschappelijk en maatschappelijk onbegrip spreekt, is de reden waarom wij twintig jaar geleden Het Mis Verstand oprichtten. Wij dat zijn: Marc De Hert, Erik Thys en Sabien Wyckaert en ikzelf. Drie psychiaters, waarvan een artistiek getalenteerd, en een bioloog/filosoof die kon schrijven.
We waren begaan met het lot van de vele mensen met problemen met hun geestelijke gezondheid en we maakten ons haast nog meer zorgen om de manier waarop daar door de omgeving en de samenleving gereageerd werd. Wij zouden dus het psychiatrisch stigma bestrijden.
Dat hebben we gedaan we op het raakvlak van kunst en psychiatrie. Het Mis Verstand heeft patiënten gesteund in hun kunstzinnige uitingen, poëzie, beeldende kunst, muziek. HMV produceerde de cd Psychoasis met songs van en door patiënten en een aantal boeken zoals Het geheim van de hersenchip (een zelfgids voor mensen met psychose), Alles of Niets (een zelfgids voor mensen met bipolaire stoornis) en Over mijn lijf (een praktische handleiding in de patiëntenrechten). Psycho-educatie was een belangrijk middel om mensen, met of zonder psychische problemen, inzicht en kennis te geven over wat er aan de hand is. Angst voor het onbekende en onbegrip over de realiteit van wat zich in lichamen en zielen afspeelt vormen de voedingsbodem voor stigma.

Het probleem is er de afgelopen 20 jaar niet echt veel beter op geworden. Er is moeizaam wat vooruitgang geboekt, maar het probleem van de geestelijke gezondheid en dito zorg is nog steeds urgent.
Het stigma begint weliswaar langzaam af te kalven, ook dankzij de niet aflatende inspanningen van organisaties zoals Te Gek, het Museum Guislain of de Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid.

De urgentie van het probleem

Eén op vier mensen krijgt vroeg of laat af te rekenen met min of meer ernstige psychische problemen. 1 op 100 wordt vroeg of laat getroffen door psychose. Die problemen gaan soms vanzelf weer over maar ze kunnen ook heel lang aanslepen. Over de periode van een jaar kampen ongeveer 700.000 mensen met een psychisch probleem. Dat komt bijna overeen met de totale bevolking van de twee grootste Vlaamse steden, Antwerpen en Gent, samen.

De resultaten zijn drastisch: lagere levensverwachting, groot aantal zelfmoorden, wordt over de generaties doorgegeven, zorgt voor (kans)armoede en isolement, leidt dikwijls tot lichamelijke aandoeningen.

In België ziet 46% van de personen met een ernstige aandoening een arts, maar krijgt geen medicatie noch therapie. 25% krijgt enkel medicatie en 3,8% enkel therapie. De voorkeur voor medicatie boven therapie is deels ook kostengedreven. De benadering van medicatie en therapie, die de norm zou moeten zijn, komt niet overeen met de realiteit. De lange wachttijden, die kunnen schommelen van een maand tot een jaar, worden ook door de overheid bevestigd.

Er is een duidelijk verband tussen psychische problemen en de socio-economische status: 72% van de personen die beroep doen op een OCMW of CAW (Centrum Algemeen Welzijnswerk) ervaren een toestand van psychisch onwelbevinden. 3/4 van mensen in armoede (en dat is 10-15% van de bevolking) heeft psychische problemen.

Deze onderbehandeling is het gevolg van een cascade van barrières. Slechts 1 op 3 personen zoekt professionele hulp. Het is bijvoorbeeld illustratief dat binnen welzijnszorg slechts 9% zijn psychische problemen bespreekt. 31% weet niet waar ze hulp kunnen vinden. 15% zoekt geen hulp omwille van het prijskaartje. 32% stelt het zoeken van hulp uit omwille van financiële redenen.

De geestelijke gezondheidszorg is de assepoester van de gezondheidssector, zoals Guy Tegenbos het treffend verwoordde: ondergewaardeerd, zelfs miskend en vernederd. En vruchteloos en uitzichtloos wachtend op ene prins die haar komt kussen.
Er zijn te weinig psychiaters want ze behoren tot de slechts betaalde. Er worden er te weinig opgeleid, psychologen en psychotherapeuten wil de samenleving voorlopig nog helemaal niet terugbetalen, waardoor ze extra duur worden voor zij die dat niet kunnen betalen.
Omdat niemand er het centrale belang van ziet is het hele veld versnipperd over federaal en deelstaten, over ziekenfondsen, riziv, beroepsorganisaties, vakbonden en andere belangen, zoals die van de farmaceutische industrie.
Het ergst is dat voor de patiënten en hun naasten.
Gezien de cijfers zijn wij daar allemaal bij. Vroeg of laat worden we er allemaal mee geconfronteerd, zo niet bij onszelf dan bij iemand waaraan we verwant zijn of die we kennen.

INGEWIKKELD

Een van die mensen heb ik leren kennen. Hij zette een tentoonstelling op met zijn beeldend en conceptueel werk in het psychiatrisch centrum waar hij was opgenomen geweest. Dat was Sven. Hij voelde zich goed genoeg om op die manier met zijn ziekte naar buiten te komen en het idee groeide om daar een boek over te maken. Hij had het stigma aan de lijve ondervonden en was vragende partij om zijn verhaal te vertellen. Het lag helemaal in de lijn van HMV: patiënten zelf laten spreken, de realiteit van de psychische ziekte van binnenuit laten spreken, omkaderd met het brede verhaal van de psychiatrie, van wetenschap en zorg, van hersenen en gedrag, van therapie en samenleving, van waanzin en creativiteit.

Ik ben heel blij dat het boek hier nu ligt. In de allereerste plaats omdat Sven (en zijn partner) er blij mee zijn. Het is een verhaal over kwetsbaarheid en ik ben blij dat ik het op zo een manier heb verteld gekregen dat zij er zich in alle complexiteit en verwardheid, in herkennen en er zich vooral ook veilig en gerespecteerd in voelen.

Zoals Sven erin geslaagd is om dankzij zijn beeldend werk zijn waanzin gestalte te geven en daardoor ook te beheersen, zo denk ik dat ook het vertellen en kneden van zijn levensverhaal in deze vorm hem geholpen heeft zijn geschiedenis een plaats te geven. Ook dat is een reden waarom ik blij ben met dit boek. Ik hoop dat het anderen ook op gelijkaardige manier zal kunnen helpen.

Ik ben ook blij dat het ons gelukt is om te laten zien hoe psychische aandoeningen uitvergrotingen zijn, extreme varianten van de gewone natuurlijke eigenschappen van de menselijke geest. Het verhaal van Sven is ontzettend herkenbaar, ondanks het feit dat het ook heel eigen typisch Sven is en niemand anders kan zijn. Ik hoop dat het zo een brug van begrip kan slaan tussen de mensen met psychische problemen en die zonder. De grens tussen normaal en abnormaal, tussen zin en waanzin is soms heel dun. Zonder daarbij te vervallen in de boutade dat wij toch allemaal een beetje gek zijn. Dat zijn we namelijk niet en echt gek zijn is verschrikkelijk.

Ik hoop ook dat ons boek een grote en belangrijk vraag kan oproept en levend houden: Hoe kunnen we werken aan een samenleving met meer geestelijke gezondheid?
Daar is nog veel en van alles bij nodig, maar één ding is zeker, van dat psychiatrisch stigma moeten we echt vanaf. Dat is waar Sven en ik graag voor gaan. Daarom is het fijn te weten dat dit boek de opmaat is tot de nieuwe -op psychose gerichte- campagne van Te Gek die straks wordt voorgesteld.

Dat verband en nog vele andere verbanden laat ik Sven zelf leggen. Op zijn manier. Hij kan beter dan wie ook laten zien hoe ingewikkeld het allemaal is.

Lies Van Gasse over ‘Een man begraaft een boom’, het poëziedebuut van Shari Van Goethem

29 februari 2016 § Een reactie plaatsen

Een reis naar de verbeelding,
de dagjob van de auteur,
de stad waarin de auteur woont,
hoe die stad in verbinding staat met leven en werk van de auteur,
de maatschappij,
de teloorgang van die maatschappij,
de opwarming van de aarde,
het standpunt van de auteur in verband met die opwarming van de aarde,
sociale ongelijkheid,
het zich losmaken uit de adolescentie,
zelfportretten van de auteur,
de taal,
erotische fantasieën,
een onbereikbare liefde,
de eerste wereldoorlog,
de relatie tussen de auteur en zijn zoon

Als er u, en mij, iets duidelijk wordt uit deze lijst van onderwerpen, of zeg maar zeer korte samenvattingen van actuele bundels, dan is het wel dat een dichter over allerlei zaken kan schrijven. Een dichter kan met torenhoge ambities proberen in zijn bundel de maatschappij te bekritiseren, hij kan een portret schrijven over zijn stad of land, of die in het echte leven onbereikbare geliefde voor zich weten te winnen in zijn verzen. Een dichter kan zich in zijn gedichten verzetten tegen bepaalde misstanden, maar net zo goed kan hij in zijn gedichten spiegelen wat er misgaat in zijn eigen leven. Voor zover poëzie onderwerpen nodig heeft, kunnen die zo groot of klein zijn als de schrijver zelf wil.
De voorbije maanden heb ik beetje bij beetje kennis gemaakt met de poëzie van Shari Van Goethem. Eerst heel minimaal, op Facebook, dan als leraar, vervolgens als kritische lezer van verschillende versie van een manuscript en tenslotte als lezer van de bundel die wij hier vanavond ten doop houden. Wat mij opviel, want ik heb in heel dat proces ook de persoon Shari Van Goethem leren kennen, was hoe klein en besloten het onderwerp voor haar debuutbundel eigenlijk is. Ik heb Shari leren kennen als een bedachtzame persoon, die op intelligente wijze haar antwoorden wikt en weegt, als iemand met een rijke interesse, een boeiend persoonlijk leven, en een betrokken blik op de werkelijkheid. Toch schrijft ze over een onderwerp dat klein en groot is tegelijk: het ideale gezin.
In haar bundel worden één voor één de hoofdpersonages aangekondigd: een man, een vrouw, een kind, enkele naamloze en verder volstrekt oninteressante meisjes en tenslotte de Marilyn van de Vlaamse poëzie, Charlotte Van den Broeck. Hoe ideaal de combinatie man-vrouw-kind ook moge lijken, al in het eerste gedicht van de bundel valt te merken dat het mis is:

je kon iets horen vallen. geen stilte
maar een schel geluid. later werd duidelijk
dat hij het was. hoewel hij die dag
rechtop was blijven staan. de kamer buiten bleef

het bleek een aankondiging
toen was nog niet duidelijk van wat
dat die hem toebehoorde evenmin

sinds die dag is alles blijven vallen
tot op vandaag. Nu alles samenvalt
de aankondiging, het vertrek
en de aankomst die uitblijft

De man komt de kamer binnen en er valt iets. Dat vallen blijkt een aankondiging. Waarvan? Als we dit gedicht in het licht van de bundel lezen, kunnen we vermoeden dat hier het begraven van de boom wordt aangekondigd, een op het eerste zicht zinloze actie die toch de bundel draagt. De aankondiging zou echter ook die kunnen zijn van de geboorte van het kind. Het kind dat de man aan de kant zet. Niet zo lang geleden vertelde een bevriend dichter/iemand mij hoe in zijn visie het verwachten van een kind de tweeëenheid tussen vrouw en man volledig opensplijt. De vrouw zal zich immers, van zodra zij het kind verwacht, met niemand meer hechter verbonden voelen dan met het kind. Bij dit gebeuren blijft de man, hoe zeer die zich ook van zijn vaderlijke taak probeert te kwijten, ontmand achter. We kunnen het beeld van de man die de boom begraaft, dan ook in die zin begrijpen: de man legt zijn mannelijkheid af en geeft, ter wille van het kind en de vrouw, zijn jongelingenleven terug aan de aarde.
Wat er ook van zij, het gaat niet goed met de man in dit debuut van Shari Van Goethem. Hoezeer hij ook pogingen doet om haar te steunen, alles lijkt vergeefs, zoals in volgend fragment:

(…) het enige waaraan hij
denken kan: de man en het moeten
de landkaarten die hij niet in kokers krijgt
het stratenplan dat ook niet buigt –

Nu hij zich aan de overkant bevindt
van waar hij had willen zijn

Wie wel floreren in de bundel, zijn vrouw en kind. De vrouw maakt zich steeds breder, eist meer ruimte en aandacht op, gaat met het kind in bad, plant haar vuist tot een eigen boom. Waar de man steeds kleiner wordt, vult zij de bundel met haar aanwezigheid. De vrouw in deze bundel is geen supermodel, maar een homp van vlees en bloed, uit de boetseerklei getrokken. Op een bepaald moment is het bijna Rubensiaans en wordt de vrouw zo vaak vermenigvuldigd dat haar in mijn verbeelding ook zware lijf alle hoeken en kieren van de verder lege ruimte vult. Ik lees even een fragment:

(…)
ze liggen. onderaan de trap. onderaan de trap blijven ze
liggen. tot de vloer zich vult met vrouwen

de vloer vult zich met vrouwen. ze gaan liggen. ze blijven
liggen. onderaan de trap. onder de trap. aan het raam

aan het raam. overal. ze liggen overal, de vrouwen, ze liggen. overal
planten hun vuist in eigen maag. maar blijven liggen

ze blijven liggen tot de kin de knieën raakt. dan staan ze op. de vrouwen
ze staan op. zij

laatst

Ondertussen groeit het kind. Samen met de vrouw gaat het in bad, waar het oorlogsschepen plooit. Samen met de man gaat het de tuin in en bouwt het kastelen. Het groeit door de beide ouders te imiteren. Helemaal op het eind van de bundel toont het dat het, net als de man, ook een boom kan zijn:

(…) als een boom
richt het kind zich op, recht het zijn rug
(het meisje met vleugels meet zich nieuwe vleugels
aan wanneer ze op zijn schouders rust. ze telt
zijn kringen) zijn wortels doorwringen de man
en de vrouw. Aan zijn vingers ontspringen
kersverse knoppen

Met dit alles heb ik u veel, en tegelijkertijd ook niets verteld. Veel, omdat ik uitgebreid verteld heb over het thema, en de chronologie van de bundel, maar tegelijkertijd ook weinig, omdat ik de passages die mij echt hebben ontroerd, nog niet heb aangeraakt. Een man begraaft een boom van Shari Van Goethem is immers één grote, omtrekkende, eindeloos trage beweging. Als een esdoornblaadje dat van de boom valt, en traag roterend de andere kant van het tuinpad bereikt, zo laat ze ook in haar bundel iets los dat zich in de loop van de gedichten aan een tergend traag tempo ontwikkelt, en in het slotgedicht tot zijn conclusie komt. Dit iets uit zich het meest in de hele korte gedichten, die als associatieve schetsen de langere gedichten verbinden. Van deze heel minimale passages houd ik dan ook het meest, omdat ze open zijn en richting geven tegelijk. De beeldende kracht die uit deze minigedichten spreekt, verbindt de verschillende onderdelen van de bundel. Het lijkt mij dan ook niet meer dan billijk deze poging tot interpretatie te beëindigen met zo’n heel kort gedicht. De rest moet u dan, en wat mij betreft zo snel mogelijk, zelf maar lezen. Ik besluit met een gedicht dat iets meer lettergrepen dan een haiku telt, maar naar mijn gevoel de bundel perfect samenvat:

dit is het bos van binnenuit
wat je ziet
de bomen

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.