Patrick Van Gompel over ‘Landlopersblues’

20 oktober 2016 § Een reactie plaatsen

Boekpresentatie 27 augustus 2016, Merksplas

Goeiemiddag vrienden en andersdenkenden,
Goeiemiddag trouwe lezers van Louis Van Dievel
Goeiemiddag  toekomstige lezers van Landlopersblues,

Ik ken Louis al 40 jaar. Wij zijn goed bevriend.

40 jaar geleden hebben Louis en ik in Brussel deelgenomen aan een examen van het Humanistisch Verbond. We wisten toen al dat we van een ander gedacht waren. Bij het Humanistisch Verbond zochten ze een persmedewerker, of zoiets.

Ik was met de fiets van Weelde naar het station van Turnhout gereden en van daaruit ging ik met  de trein naar Brussel.

Na het examen zijn we aan de praat geraakt. Ik was straatarm en hij was met de auto. Hij wilde mij wel afzetten aan het station in Antwerpen. Het werd een bijzonder aangename rit in een rood R-4ke, als ik mij dat nog goed herinner.

Ik had snel door dat Louis een angstaanjagend verstandige man was. Van de vragen bij het Humanistisch Verbond weet ik niets meer, maar ik weet nog wel dat hij precies wist wie Pino Cerami was. Sindsdien weet ik dat ook.

Ik wist niet dat hij vertaler-tolk Italiaans-Engels was. Hij maakte indruk op me en in zijn buurt voel ik me nog altijd een beetje geestelijk verlamd.

Jullie weten hoe verlegen ik kan zijn.

De babbel onderweg was zo plezant dat Louis bij het naderen van Antwerpen besloot om me maar meteen aan het station in Turnhout uit te schudden. Vergis u niet, ook 40 jaar geleden was dat een flinke rit.

Het moet uit compassie geweest zijn.

Van het een kwam het ander. Losse contacten werden vaste contacten. Er volgde een gezamenlijk BRT-verleden en een gezamenlijk VTM-verleden.

En een gezamenlijk stripverleden.

We zaten samen in de jury van De Stripquiz en ik mag gerust stellen dat de juryleden het verder hebben geschopt dan de presentator van die quiz.

De heer Gie Luyten is geëindigd in de softporno. Wat een watje.

Afgaande op wat ik heden heb gelezen, mag Louis de categorie softporno onmiddellijk overslaan.

Jullie  kennen mijn gezegde:

Seks met een veer, een pluim, dat is erotiek.

Maar seks met een heel kieken, dat is porno.

Toen we in 1989 naar VTM overstapten belden de kranten. De Morgen vroeg mij waarom ik het huis van vertrouwen verliet. Ik heb de verslaggever van De Morgen  verteld dat Louis en ik van plan waren om te gaan samenwonen, maar dat hoefde niet meer omdat we  mekaar voortaan zouden zien in Vilvoorde.

De Heer Jan Merckx zaliger dacht dat hij twee homo’s had gekocht.

Om maar te zeggen. Het is een levenslange vriendschap. En dat betekent dat we veel tegen elkaar kunnen zeggen. Ik kan dus rechtuit tegen hem zeggen wat ik van zijn boeken vind. En dat kan ik ook vandaag.

Goede vriend, jij zou het mij kwalijk nemen als ik vandaag niet eerlijk zou zijn, ik zal het rechtuit zeggen, recht in je gezicht: Landlopersblues is een geweldig boek.

Ik ga  vrienden aanraden om het boek te kopen.

Of ze het boek ooit lezen, dat vernemen we later wel.

Het is écht een goed boek.

Er staat gelukkig weer een hoop vuile praat in, het gaat dus weer helemaal goed met je. Er zijn nog zekerheden.

Bij je vorige boek,  dacht ik nog, hij gaat toch niet literair beginnen te doen zeker.

Maar bij je boek voor Wablieft -vlotte boeken in duidelijke taal voor beginnende volwassen lezers- zag ik de eerste tekenen van geestelijk herstel.

Ook de titel van dat boek  “De onderbroek” was voor mij niet te hoog gegrepen.

Nee Louis, “Landlopersblues” is een heel interessant boek, het boek  gaat over iets en ik heb het helemaal gesnapt. Dat denk ik toch.

Louis Van Dievel kan heel goed vertellen. Hij weet wat hij moet zeggen, hij weet hoe lang zijn zinnen moeten zijn, hij schrijft de zinnen op zoals mensen ze uitspreken of bedenken.

Na een bezoek aan zijn weelderige villa op het eiland El Hiero weet ik hoe dat komt. Hij heeft dit boek geschreven met de hand en niet met een computer om de doodeenvoudige reden dat hij geen Word had op zijn Mac.

Een boek schrijven met de hand levert aardig wat voordelen op: het heeft een eigen ritme. De snelheid van het toetsenbord gaat niet aan de haal met een gedachte.

Een zin laat zich rustiger kneden. De zinnen kloppen op het ritme van je hart, nergens is er onrust bij het lezen, het verhaal is het verhaal, en dat verhaal laat zich zo makkelijk lezen als het geschreven is.  En het is knap geschreven.

Louis kan goed schrijven omdat hij goed kan luisteren. Ik ken vroegere  werkgevers van Louis die vinden  dat hij NOOIT  luisterde maar ik vind dat hij wél goed kan luisteren.

Hij kan zelfs goed afluisteren, of heeft u zijn boek over die mensen op de trein niet gelezen? Hoe heet die stationsroman ook alweer? “Het gewemel”. “Het gewemel” heeft hij niet zelf geschreven,  dat heeft hij gewoon afgeluisterd.

Ik heb de cassetjes zien liggen in zijn tweede badkamer in El Hiero.

Het boek gaat over een tiental landlopers die hier in Merksplas begraven liggen. Louis heeft uitgezocht wie die mensen waren, hoe ze heetten en wat voor een beroep ze deden.

En daar zit ferm volk tussen: een ex-havenarbeider, een dwerg met een ongelooflijk grote fluit, een wees, een ex-boerenknecht, een pooier, een dief, een kinderverkrachter.

Schoon volk waar ge ne ferme boek over kunt schrijven.

Nogal wat dingen kloppen. Maar nog meer dingen kloppen niet, die heeft Louis uit zijne grote duim gezogen. Het bekende machtsmisbruik van de schrijver. En dat Louis fantasie heeft, zal je wel merken. Trouwe lezers weten dat.

In de wereld van Louis Van Dievel wordt niet gejij- en gejoud. In zijn boeken praten mensen zoals nog veel mensen praten, niet zoals dé mensen praten maar zoals nog véél mensen praten.

En dat is straf, dat die landlopers zo praten want ge weet het nog nie maar al die landlopers in de Van Dievel zijne boek liggen onder de grond. Die zèn zo dood als ne pier. Het zijn sprekende lijken, bij wijze van spreken.

Louis Van Dievel kan vuile praat vertellen in schoon Vlaams. Bij hem geen jeukwoorden.

Zoals: “een draagvlak creëren”, “een concept uitrollen”, dat gezeik over ”uit je comfortzone stappen”, dat gelul over ”een wereld waarin de stakeholders een stukje commitment verdienen”, “out of the box denken”, “in the flow”, “de bottomline”.

Enfin, ik wil hier niemand aanjagen en  ik zou het geheel nog veel beter kunnen contextualiseren, maar ik wil vandaag vooral profiteren van de versheid van dit verhaal.

Louis, goede vriend, gij zijt geprezen, EINDELIJK gewoon Nederlands zonder daarop een vettige kleilaag die niemand nog begrijpt.

Louis, ge zijt geprezen want ik versta wat gij zegt. Gij praat over:

  • De paters fluitentrekkers
  • Een mens moet toch altijd iets van zijn leven ergens kunnen verstoppen in een hoekske van zijn kop
  • U laten pakken aan uw intieme delen
  • Jefke, wat ligt ge daar in uw eigen te moemelen?
  • Gij moet iets zeggen met uw fluitentrekkerij
  • Als ge maanden aan een stuk naar vuile praat hebt moeten luisteren, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, krijgt ge zelf ook goesting
  • De kolonie werd mijn thuis en het Statiekwartier in Antwerpen mijn buitenverblijf.
  • Hij kreeg ook nooit bezoek. Hij zag daar vanaf.
  • Brigitte gorgelde en krochte nog wat en ze spartelde met haar benen, maar veel leven zat er niet meer in.
  • Waart gij gelijk een kat die zich enkel laat strelen als ze er zelf goesting in heeft, of honger, of dorst?
  • En dan zijn er nog een paar dingen die ik niet durf voor te lezen. Ge kent mij.

Geachte genodigden en onderaardsen,

Waar gaat dit boek over?

  • We lopen maar wat rond op deze aardkloot. De gewone mens moet niet al te veel verwachten van het leven. Buiten wat plaatselijk geluk en een hoop miserie dat in elk leven te vinden is.
  • Het boek gaat over een stel sukkelaars die denken dat ze met elkaar vriendschap sluiten, het lijkt wel het televisiefeuilleton Carnavàle. Er trekt een stoet voorbij van verschoppelingen, wezen en gebrekkigen maar Louis kijkt er niet op neer. Louis zoekt naar de waardigheid in de mens.
  • Het boek gaat over grote familiegeheimen, over hoe mensen elkaar den duvel aan doen. Mysteries. Was de grootvader van Anita Kneepkens eigenlijk nen homo?
  • Het boek maakt een eind aan de romantiek van de landloperij, de Kempense poëtische voorstelling die we daarvan hebben, het was allemaal niet zo romantisch.
  • Het boek gaat over de doos met foto’s die in elk ouderlijk huis nog wel te vinden is. Al die familiegeschiedenissen, de details en de anekdotes passen in een groter geheel dat je uiteindelijk zelf samenstelt, wat misschien wel het leven voorstelt.
  • Het boek gaat over verlaten worden, alleen laten en alleen zijn.
  • Het boek gaat over: de wereld is allemaal niet zo proper. Het verleden laat u nooit los.
  • Het boek gaat over vriendschap, over iets voor mekaar over hebben.
  • Het boek gaat over dit, citaat: Ik was helemaal alleen toen ik stierf. Pijn had ik niet, met al die morfine. Maar bang dat ik was. Er was niemand op mijn begrafenis.
  • Oordeel niet te rap over de mensen.

Ach. Er moet op tijd gelachen worden met het leven, maar het is pas plezant als er iemand meelacht.

Ge moet Van Dievel ook tussen de lijnen lezen, de dingen die er niet staan maar wel gezegd worden.  Louis  Van Dievel is een chroniqueur van zijn tijd en zijn eigen leven.

Eigenzinnig en uitzonderlijk, volks en doodeerlijk, in doen en schrijven.

Het is fijn om zulke vrienden te hebben.

Louis lieve vriend, ik lees u graag.

Yves T’Sjoen over ‘Radeloos en betoverd’

20 oktober 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 27 september 2016, De Zondvloed

Beste genodigden, beste Pat,

De presentatie van een nieuwe dichtbundel mag door de uitgeverij dan wel worden aangekondigd als een feestelijke aangelegenheid, toch brengt zo een gebeurtenis ook onzekerheid en pleinvrees met zich mee. Elk nieuw boek betekent voor een schrijverschap een nieuwe geboorte. Onwetend over het leven dat de dichtbundel wacht, staat de schepper er altijd wat verweesd en zelfs beduusd bij. Het geesteskind wordt immers aan zijn greep en toeziend oog onttrokken. Voortaan moet het op eigen benen staan en manmoedig de capriolen van het literaire bestaan ondergaan. De boekpresentatie mag dan wel een geboortefeest zijn, met een modieus woord een babyborrel, het is ook een moment om los te laten en afscheid te nemen. Hoe feestelijk ook, een zekere melancholie of zelfs fantoompijn gaat gepaard met dergelijke publieke evenementen. Ik weet niet of ik mij, de metafoor van de geboorte indachtig, vanavond de vroedman van dienst, laat staan de verlosser mag noemen. De vraag is of ik me de rol moet aanmeten van gediplomeerd gynaecoloog die de keizersnede voor uw ogen voltrekt.

Die functie meet ik me vanavond niet aan. Al was het maar omdat ik een minieme rol mocht spelen in de conceptie van het kind. In deze kraamkliniek of zelfs verloskamer van het literaire boek neem ik u mee in de wandelgangen die leiden naar de bedstee waar de bevruchting plaatsvond. In tempore non suspecto, toen van een bevalling nog geen sprake was, ontspon zich een gesprek tussen lezer en schrijver. Aarzelend, misschien wat schroomvallig, vroeg de dichter of ik bereid was een versie van de nieuwe bundel Radeloos en betoverd te lezen en mijn commentaar te leveren. Vereerd met de vraag mocht ik zonder de plichtpleging van de literaire recensie, buiten het publieke forum dus, in alle ongedwongenheid mijn mening verkondigen. Niet als letterkundige poortwachter maar als bevoorrecht intimus van de schrijver. Mijn eerste indrukken lieten even op zich wachten nadat Pat mij begin februari de teksten had toegestuurd. Tekenend voor de acute koudwatervrees die de schepper toen ten dele viel, was het bericht waarin hij met de hem typerende hoffelijkheid informeerde naar en mij herinnerde aan die in het vooruitzicht gestelde impressies. Op 25 februari, zeven maanden voor Radeloos en betoverd vanavond het licht ziet, schreef ik in een paar uur drie berichten, losse notities met leesindrukken. Ik wil u als toeschouwers in de kraamafdeling van de poëzie met genoegen en zeer uitzonderlijk deelgenoot maken van de gevoerde correspondentie. Uitzonderlijk gezien de aanvankelijke vertrouwelijkheid van onze gedachtengang en gevoelsuitstortingen. Dit is een presentatie bij wijze van persoonlijke getuigenis.

Uiteraard behoeft de heer Donnez geen introductie. Dat zou beledigend zijn voor u en hem. Dat de radiomens vooral ook een schrijver is, hoeft evenmin een betoog. Ik vermeld hier even de twee bundels die Pat mij vorig jaar gul overhandigde, het debuut Het is een mooi leven (zolang je niet bestaat), uitgegeven in 2007, en het jaar daarop Hotemetoten. Gedichten voor kinderen en andere grote mensen. Sindsdien verscheen proza, onder meer de roman Lichterlaaie, en nu eindelijk na lang wachten en veel polijsten de nieuwe bundel. Pat schrijft parlandistische poëzie, zoals u heeft kunnen merken op de schrijverswebsite en de filmpjes met uitverkoren regels uit het nieuwe dichtwerk die zijn ingesproken door onder anderen Johan Braeckman, Dirk de Wachter, Chantal Patyn en Bart Stouten. We hebben hier met een mediamens, een etherboy, te maken die zijn waar op een esthetische en enthousiasmerende wijze aan de man en de vrouw weet te brengen. Maar goed, ik wil het niet hebben over de publieke figuur Pat Donnez maar ook de dichtbundel, bij de gratie waarvan de dichter Pat Donnez bestaat. Ik presenteer met uw goedvinden een eigen getuigenis.

(1)

“Ik zit te genieten, beste Pat, en dat is niet om jou op deze grijze donderdagnamiddag gratuit of zelfs uit een vervelend schuldbewustzijn na het lange talmen te vleien of te paaien. Zonet las ik in een ruk de eerste afdeling ‘ex amore’ van je bundel-in-wording Radeloos en betoverd. Je schrijft poëzie die mij naar de keel grijpt, veelal over een niet nader genoemde ‘hij’ en een ‘zij’. Het is mooi hoe je in jouw nieuwe werk erin slaagt structuur en diepgang te creëren. Bijvoorbeeld door in de eerste afdeling drie appartementpassages in te lassen, met die stille en in metaforen lispelende vrouw en de taterende ‘hij’. De passages fungeren als kaderverhaal. Ik ben geraakt door de reflecterende dichtfragmenten over verkeerd begrijpen, of het onvermogen tot de ander door te dringen, gedichten over kwetsbaarheid. En dat allemaal in een parlandistische stijl die de humor en de speelse ironie allesbehalve schuwt. Ik zet me nu schrap voor de middenafdeling van de bundel, ‘ik wil mij weg toveren in taal’. Metaforen zeggen meestal meer dan wat de gewone omgangstaal te bieden heeft.”

Enkele uren later noteerde ik deze zinnen die ik voorlegde aan de dichter.

(2)

“Beste Pat, hoe anders en ook weer gelijkend op een bepaalde manier is de tweede afdeling. Je schrijft uitgesponnen gedichten, zoals dat fraaie ‘Patois’, je bent dan weer bijzonder speels en ironisch in ‘Poly-amoureus’. De gedichten handelen over jeugdherinneringen en hoe zelfs een verkaveling die Latijnse riedel “rosa rosae rosam” van de schooltijd niet uit ons wezen van vandaag kan bulldozeren. Ik lees de gedichten het liefst hardop. Hardop lezen laat je de taal beter voelen, biedt je een toegang tot de poëzie in haar muzikaliteit, in haar textuur. Bij dat voor mezelf voorlezen vallen het ritme van de taal en de cadans van je woorden des te meer op. Ik hou nogal van de ritmisch samengestelde en tot de verbeelding sprekende clusterwoorden in het gedicht ‘Patois’: “vogelbekbessen” (x3), “konijnenwittebrood, nederwiet/melktingel en bijtenetel”. Ik kan je nu al zeggen dat de variant op Claus’ ‘Ik schrijf je neer’ (in ‘ex amore’) ondertussen blijft nazinderen na afloop van mijn eerste lectuur.”

Toen las ik, de bundel van begin tot eind tot mij nemend en rustig – hardop pratend – savourerend, de derde en afsluitende afdeling ‘ars vivendi’. Ik liet Pat op die donderdag 25 februari het volgende weten:

(3)

“Je bent speels met woorden, beelden en ritmes, zei ik zonet, maar ook in het gebruik van interteksten. Ik ben blijven haperen aan die ene intratekst die echoot in het gedicht ‘Schuimende koppen’. Haperen, niet zozeer omdat het de afdelingstitel opleverde en op een manier dus een regel is die echoot, maar omdat het zo juist is wat je neerschrijft – zonder omhaal van woorden – in het gedicht ‘Ik wil geen woorden’:

Ik wil geen woorden
worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt
Ik wil mij weg toveren in taal.

 
Schrijven om te verdwijnen. De regels laten me denken aan het titelgedicht in Gerrit Kouwenaars vroege bundel het gebruik van woorden met de visser die uit het gezicht en het gedicht verdwijnt op het einde. Dank voor de woorden, Pat.

Beste vriend Pat, dankzij jouw woorden (gewikt & gewogen, kort & lang), de geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend & grappig & op het eind van de afdeling onthutsend, met terneerdrukkende vertellingen en verzuchtingen (zoals over de nationale bank en het dorpsgeroddel), heb ik deze namiddag met ‘ars vivendi’ mezelf horen lezen. Jouw woorden die ik op je vriendelijk verzoek stem en betekenissen mocht  geven. Radeloos en betoverd is een knappe, doorgecomponeerde bundel met drie afdelingen die toch wel een heel eigen gezicht laten zien maar onmiskenbaar samenhoren.”

Geachte dames en heren, tot hier mijn leesindrukken in gekapt stro, volgens de compositie van de bundel ingekleed. Uiteindelijk zal u zelf oordelen over het nieuwe geesteskind. Nu de geboorte een feit is en de fiere vader Pat Donnez hier als dichter opnieuw debuteert, zullen de teksten een eigen bestaan leiden. Ik ben dankbaar dat ik in de loop van het wordingsproces mocht toekijken en op vraag van de schrijver een particulier oordeel vellen. Vandaag lees ik de teksten in een fraai uitgegeven boek wellicht weer anders. Maar dat is voer voor een recensie.

Beste Pat, ik stel er prijs op jou van harte te feliciteren met het nieuwe dichtwerk. Samen met jou kijk ik toe hoe Radeloos en betoverd nu zijn eigen weg zoekt en straks een leven buiten jou en mij tegemoet snelt. Vader en kind, laat het jullie voor de wind gaan.

Bart Stouten over ‘Ben jij liefde’

20 mei 2016 § Een reactie plaatsen

Bundelpresentatie 19 mei, Barbóék Leuven

Liefde is overal in de poëzie en de poëzie, van Petrarca tot Gabriele d’Annunzio, van Rimbaud tot Mallarmé, van Bertold Brecht tot Goethe. Liefde is zo alomtegenwoordig dat je zou kunnen zeggen: er is ‘slechts’ liefde.

Laten we eens kijken hoe dat nu met Mustafa Kör zit. Lezen we de bundel aandachtig, valt ons op dat er geen vraagteken staat in de titel, die toch duidelijk als een vraag wil klinken: ‘Ben jij liefde’. Alsof in de vraag een bevestiging besloten zit. Als ik malafide ben, zou ik ook kunnen zeggen: alsof er een ontkenning gesuggereerd wordt. Alsof, wie weet, de liefde niet bestaat, of eerder een pathologische conditie is, een aandoening, zoiets. Ik wil Mustafa Kör in elk geval feliciteren met zo’n knappe titel, die onmiddellijk duidelijk maakt dat we geen melige romantiek hoeven te verwachten… of te ‘vrezen’ inderdaad.

De bundel opent met een motto ontleend aan de grote Portugese dichter met zijn heteroniemen, of verschillende namen, Fernando Pessoa: ‘als het hart kon denken, stond het stil’. Ik ben vorig jaar in Lissabon nog in het huis geweest waar Pessoa geleefd heeft en gestorven is. Mijn hart stond bijna stil. Want het begon te denken. Maar gelukkig bleef het kloppen. Omdat het denken niet zonder het passionele, irrationele kloppen van de emotie kàn. Ook daaraan herinnert ons de poëtica van Pessoa. Net zoals die van Mustafa Kör, trouwens. Zijn motto is inderdaad erg raak.

Ook Baudelaire levert een motto in deze bundel, uit zijn Bloemen van het Kwaad: ‘Wat is liefde? De behoefte aan zichzelf te ontsnappen’. De vraag die onmiddellijk in me opkomt, is natuurlijk: hoe ziet die ontsnappingspoging er bij Mustafa Kör dan uit?

De bundel is opgedragen aan Silvia. En dat is mooi, en dat is goed, want de bundel leest voor mij ook als een liefdesbrief. Een gecodeerde liefdesbrief, meervoudig invulbaar met de eigen levenservaring (die de dichter inspireerde tot afstand-nemen, net zoals Baudelaire admoneerde) en ook heel expressief, vol verlangen namelijk van Mustafa om zijn begeerte kenbaar te maken. Zoals gedestilleerd door de essentie van zijn bestaan. Dat moet voor Silvia inderdaad een erg prettige ervaring zijn. Een liefdesverklaring doordesemd van de poëzie geworden essentie van Mustafa’s bestaan.

‘Er was een tijd dat je bleef hopen op de vrouw die je zou afspinnen, je kon niet wachten op later’ verraadt Mustafa de dwang van zijn begeren. Dat vind ik zo mooi: dat ook in het beleven van de liefde voor hem, zelfs wanneer ze ‘gerealiseerd’ is in de relatie met Silvia, de hoop aanwezig blijft. Mustafa Kör heeft iets van een Icarus die dicht bij de zon gaat vliegen. Niet toevallig heet een van de gedichten die afstand-nemen ook zo, ‘Icarus’. De mythische Icarus komt overal in deze verzen terug, hoewel hij niet altijd zo genoemd wordt. Hij is immers het kind in de bundel. Goudblond gekruld, soms een ‘hobbelende engel in de tuin’, zoals in het gedicht ‘Appels’. Hij is de engel of het kind in de dichter zelf. Het kind dat ook iets van een jonge god heeft.

Sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en voorbeelden. Opmerkelijk: er is ook een gedicht opgedragen aan de politiek geëngageerde romancier Kamiel Vanhole. Het engagement bij Mustafa Kör is heel sotto voce verwoord, eerder suggestief dan expressief in de aanklacht, zoals in de openingsverzen van het gedicht ‘Handen’: ‘er was een tijd dat wij de toorn vreesden van meesters om het vuil op onze knokkels’. Nu is die tijd voorbij, en de toonaard van de liefde laat een meer onbevangen houding toe, een afleggen van alle angst, een eerlijkheid die zich niet meer hoeft te verstoppen.

Ik liet het woord toonaard vallen. Deze poëzie van Mustafa Kör maakt inderdaad van de liefde een momentum én een toonaard. Een toonaard om terug te kijken naar het eigen leven, de eigen Anatolische roots, de vlegeljaren, het ongeval, het niet altijd vlekkeloos dagelijks bestaan, ‘een dorp van vijf straten en kerkhof bezaaid met bierblikken’, zoals hij in het gedicht ‘Onder een brug’ zegt. De verzen hebben het in zich om verregaand de poëzie van een heel individuele, maar ook een collectieve tijd te beïnvloeden. Met mooie verzen. Rake metaforen. Bloedmooie taal, eigenlijk.

Kör schreef ondanks de titel dus geen voor de hand liggende liefdespoëzie, laat staan romantische poëzie met een schwärmend karakter of zo. Geen geïdealiseerde of onbereikbare dame wordt aanbeden. Het utopische van de liefde, zoals gesublimeerd in het religieuze, ruikt bij Mustafa Kör eerder naar een verkapte dystopie, die hem toelaat de spanning tussen de dood van god en de islam en alle daarmee verwante gevoeligheden van deze tijd te laten meespelen: ‘ontij is ons deel nu, alleen nog pioenrozen bidden’ stelt hij veelzeggend. De wereld hangt aan het spit, de wereld moeten we laten draaien, zegt Mustafa elders, ‘er is geen kuur van een aanbeden Allah’.

Mustafa Kör, hoewel dystopisch, raakt wel de mindset van grote liefdespoëten doordat hij de liefde, de goddelijke liefde, tegelijk als een bron van geluk én een bron van smart ervaart. Er zit een dubbelheid in het thema, een paradox zelfs, die de dichter het gevoel geeft tegelijk midden in het paradijs te staan én aan de rand van een afgrond. Echte liefde is al een beetje met één voet over die afgrond schuiven, je voelen wankelen en toch nog achterom kijken naar het paradijs dat je ervaren hebt.

De poëzie van Mustafa Kör deed me denken aan sommige dichters die in hun bezingen van de liefde kozen voor minder voor de hand liggende paden, om moeilijkere liefdes uit te drukken. Eigenlijk moet ik zeggen: NOG moeilijkere liefdes, want in de liefde dat niet altijd: moeilijk? Denken we maar aan de liefde zoals beschreven door de Griek Kavafis, de ‘verstopte’ liefde in zijn niet-begrijpend Alexandrië dat hem ostraciseerde. Denken we ook aan Emily Dickinson en haar vergeestelijkte liefde met een lichamelijke oorsprong in het bigotte Amherst. De wereldpoëzie, als ik daar even aan mag herinneren, is echt een samenkomst, een impluvium, van liefdes die als het water van een bergriviertje langs ingewikkelde rotspartijen zijn weg zoekt.

Liefde is en zal bij Mustafa Kör nooit een makkelijk thema zijn. Liefde is onafscheidelijk gelinkt met seksualiteit, seksualiteit maar al te vaak met wreedheid en een verlangen naar onderworpenheid. Seksualiteit weigert netjes in de zetel van de liefde te zitten. Liefde en seksualiteit gaan samen voor Mustafa Kör, maar hij wil ze niet verwarren met elkaar. Liefde is wel lenig, maar ze kan ook obsessief worden in deze bundel. Helemaal niet zo lenig, maar zelfs eerder steriel, opdringerig, dictatoriaal.

Structureel volgt de bundel het parcours van elke organische liefde. Het begint met een warme idylle en eindigt in een gedicht dat ‘ontdooid’ heet. We volgen dus een ontdooiingsproces. We volgen ook een strategie, liefde is ongedwongen in deze bundel maar toch ook een construct met voorbedachten rade soms: er wordt over elke emotionele zet nagedacht, er worden ultimata gesteld, er wordt verfoeid, gebroken en weer gelijmd. ‘We slikken onszelf als zoete koek’ verraadt Mustafa Kör het gedoemd zijn tot samenleven, in een bestaan vol barbecues en ballgames, en (althans in het gedicht ‘Stroom’), ‘massaal geluk dat gedownload wordt’. Heel erg mooi, dit beeld. Het downloaden doet aan zaad denken, aan de coïtus; het massaal geluk impliceert de herhaling van die coïtus. In het gedicht met de veelzeggende titel ‘Doordeweeks’ heet het matter-of-fact-achtig: ‘Het is gezien en goedgekeurd. We tellen onze zegeningen, want het regent niet en de post moet nog komen.’ In het gedicht ‘Jagen’ (wat mooi klinkt in een bundel die een soort liefdesjacht is) gewaagt Mustafa van een ‘onvermijdelijke charge, woest, als waren we elkaars doodswens’. Eros en Thanatos vinden elkaar hier in een pijnlijke omkering van de utopie.

De idylle van het begin blijft niet duren, en gelukkig maar voor de lezer openbaart de liefde zich in al haar rauwe naaktheid. Ik citeer enkele verzen uit ‘Misvormd’. ’Het is te begrijpen, zegt hij nu cellen zijn uitgedeeld, dat Claudia, rijkeluistrutje, Italianen bij de vleet is gaan pijpen. Rosse Nancy, wannabe met vileine tong, wormen telt in haar dierenspeciaalzaak. Pascal, racist in de dop, bandwerkt en malheur dealt in de Majestic. En Rachid, tja, die domme kloot, moest zo nodig verdrinken in het meer.’ Dit zijn heel tellurische verzen, erg trefzeker in hun evocatieve kracht.

Soms lijken de stanza’s elk een boek te schrijven, zodat je de bundel ook als een bibliotheek kan zien. Het gore kaliber van een moeilijke werkelijkheid, die constant de liefde troebleert, soms ook torpedeert, is alomtegenwoordig. Mustafa schrijft een bundel waar de ogen opengaan, in plaats van zich dromerig te sluiten. Met enige verwondering kijkt hij in de spiegel, om opnieuw zonder vraagteken, half-vragend en half-bevestigend, maar beslist verwonderd zichzelf in de borst te pikken: ‘begrijpt u nog dat hij een jongen was, misvormd door de ban van in te lossen beloftes.’

De ban van in te lossen beloftes, hoe mooi klinkt dat, en inderdaad, hier is Mustafa op z’n best, wanneer hij illusies debunkt. Heel de bundel is een ontwarring van illusie. Een terugkeer naar de niet-inneembare werkelijkheid, waar de liefde voor schut staat, hoewel ze haar poging nooit opgeeft om de dingen te ordenen, te esthetiseren, te motiveren, te prikkelen, te paaien, te sublimeren. ‘Barcodes van de mooiste leugens’ te lezen. Het friemelen, de blote ruggen, de sigaretten nemen we erbij.

Stemmen zijn belangrijk in deze poëzie. ‘Ik herinner me jouw stem, de tonica van je sopraan’ heet het in het gedicht ’Prima donna’. In ‘Chief’ heet het dat de stem kwam ’uit afgronden waar machtige kreten geboren worden’. De stem is het geluid van een adem, een levensadem, de stem is die van het leven zelf. Het leven dat altijd liefde wil zijn of worden. ‘Heb mijn stem schor geschreeuwd op je naam. Alleen je kroon viel uit de hemel’ heet het dan weer in het gedicht ’Icarus’.

Stemmen zijn belangrijk. Maar er klinkt ook mooie muziek. Ella Fitzgerald en Louis Armstrong. Take Five. Ik moest door de sfeer van sommige gedichten vaak denken aan het mooie boek van Danny Laferrière, over meisjes in het studentenmilieu van Montréal: ‘Vrijen met een neger tot je zwart ziet’, maar dit geheel terzijde.

Het allermooiste aspect van deze bundel vind ik de wijze waarop Mustafa vertrouwde werkelijkheid in of via de liefde heel ongewoon kan ervaren. Lippen worden vreemde lippen in ‘Pelgrim’. Een lach ‘is gestenigd’. Jongensdromen vervliegen samen met de mijnwolken. Dagenlang sluipt de dichter rond een afwezige gedaante. Ik moest inderdaad opnieuw aan Baudelaire denken bij het lezen van die woorden: ‘ce gouffre interdit à nos sondes’. Het bevreemdende wil verkend en begrepen worden, maar uiteindelijk is het ongenaakbaar in zijn ondoordringbaarheid, en ook dat leert de liefde. De liefde is in die zin een les in nederig-zijn.

Mustafa Kör is een meester in het lapidair, kernachtig verwoorden van onvoorwaardelijke, onherroepelijke situaties, waarin hij zich met grote kracht in de ander verplaatst.

Ik heb in mijn poëzieleven veel liefdesgedichten op mijn pad gevonden. Ik liep rond in de stegen van stilte met Perzische dichteressen, sommige van hen kwamen uit de Turkstalige stad Tabriz in het Noordwesten van Iran, een centrum aan het begin van de 20e eeuw van maatschappelijke en revolutionaire bewegingen en een bolwerk van kunstenaars, schrijvers en dichters met politieke en poëticale opvattingen. Dat is wel leuk. Wanneer de liefde zich moeide met zulke relatief geladen zaken. Exact zoals dat gebeurt in de verzenwereld van Mustafa Kör.

Al is hij dan geen gevangene of politiek landverrader, voor mij is Mustafa Kör een soort moderne Nazim Hikmet van Vlaanderen. De ware kracht van Hikmet is inderdaad zijn liefde, zijn liefde die zo groot en zo stormachtig klinkt dat ze gewoon nooit verloren kan gaan. En die bijna niemand onberoerd laat.

Dames en heren, ik ben werkelijk zeer vereerd dat ik u warm mocht maken voor deze schitterende poëzie. Lang leve Mustafa Kör, die ik hiermee van harte feliciteer. En ù zal de gelukkige bezitter worden van een hoogst inspirerende dichtbundel. Ik dank u.

Copyright Bart Stouten

Martine Cuyt over ‘Wat voorafging’

10 mei 2016 § Een reactie plaatsen

Presentatie 7 mei, De Groene Waterman Antwerpen

Beste aanwezigen. U kent Diane Broeckhoven, u las verschillende van haar 37 boeken. U weet dat De buitenkant van meneer Jules haar everseller is met 300.000 verkochte exemplaren. U was er wellicht bij op het stadhuis in maart jongstleden toen ze, net zeventig geworden, in de bloemen werd gezet. Vandaag presenteren we haar nagelnieuwe boek, haar oerboek, haar moederboek: Wat voorafging.

Wat voorafging
Het was een onbewolkte dag vier jaar geleden toen Diane en ik richting Manuscripta in Amsterdam reden voor een seizoensvoorstelling van de uitgevers en Diane haar moeder zo samenvatte: ‘Mijn moeder is een dramaqueen.’
Ik zette de wagen aan de kant – later zou blijken dat ik daar en toen een fikse boete zou oplopen, maar àlles voor de literatuur – en bezwoer Diane dat dit dé openingszin was voor een moederboek. Voor haar moederboek.
Dat dat geschreven moest worden, stond voor Diane al bijna twintig jaar vast. Wanneer niet. In ieder geval niet tijdens het leven van moeder Berthe.
‘Mijn moeder wàs een dramaqueen’, knikten we synchroon.

Berthe Moreels stierf op maandag 27 oktober 2014, ruim 95 jaar oud.
Nauwelijks twee jaar later, en uiteraard niet toevallig in het weekend van Moederdag verschijnt nu Wat voorafging. (Mag ik er u tussen haakjes ook op attenderen dat het moederboek van Diane toch maar fijntjes met een uur of zes voorsprong op Grunbergs Moedervlekken -­‐ een plotgedreven roman geen biografisch werk over mama Hannelore Grünberg-­‐Klein -­‐ in Antwerpen wordt gepresenteerd?
‘Mijn moeder was een dramaqueen’ is niet de openingszin geworden van
Wat voorafging, maar wie leest, die vindt.
Dames en heren, dit is niet alleen – alsof dat niet genoeg zou zijn – een krachtig moederboek, het is tevens een dubbelbiografie. Diane portretteert haar moeder van geboorte tot sterfdag, en zichzelf van geboorte tot nu. Ze laat zichzelf geboren worden, -­‐ haar moeder hoorde een dure taxi te nemen, zal ze later veel mogen horen -­‐, we stappen binnen in het gezin Broeckhoven met de dominante moeder, we mogen de Bildung van de jongste dochter, “de andere”, meemaken. We zien Diane vluchten naar Nederland, de journaliste gaat ook boeken schrijven en wordt zelf moeder van drie, we volgen haar naar Bhagwan, we zien haar na dertig jaar Nederland terugkeren naar België én we volgen haar veertien jaar lang weer in Antwerpen en op de wekelijkse bezoeken aan de moeilijke mater.

De turbulente relatie met ma is de rode draad, het bindmiddel.
De genaamde Berthe M. – die eigenlijk geen kinderen wilde -­‐ was een mooie, flamboyante, kamervullende vrouw. De geur van Soir de Paris – voor dochterlief de geur van de eenzaamheid -­‐ stijgt op uit het boek, en tijdens de tripjes naar zee ruik je Ambre Soleil – de geur van vakantie en een moeder die eindelijk wat milder was.
Eerlijk, het is een wonder dat de genaamde Diane B. niet heeft gebroken met haar moeder. Van kindsaf werd ze gepest, de jongste dochter, de creatieve. Het is een tweede wonder dat Diane daardoor geen breakdowns heeft gekend, en drie: dat ze de kwellingen heeft weten te verteren. De kwetsende bijnamen Mater Dolorosa, petite nature, kruidje-­‐roer-­‐me-­‐niet, Mademoiselle Nitouche en madame schrijnen zelfs bij de lezer na.
Berthe Moreels mag haar dochter dan de nagel aan haar doodskist hebben gevonden, het omgekeerde was het geval. Het was de moeder die dochter Diane het bloed onder de nagels vandaan haalde.

Ik ga hieronder geen uitgebreide vergelijkende studie maken van de schrijversmoeders die de jongste jaren in respectieve moederboeken opdoken, want Berthe Moreels was geen José Verbeke, de monter dominante moeder van Lanoye die Sprakeloos wordt. Berthe tatert en regisseert welsprekend tot op het eind. En evenmin is ze een Magadalena van der Giessen, de religieuze mam van Maarten ‘t Hart. De opstandige moeder van Adriaan van Dis (Ik kom terug) komt nog het dichtst in de buurt van Berthe Moreels, die ook doet denken aan de moeder van Doeschka Meijsing, die haar dochter stelselmatig kleineerde en haar “Libelleverhalen” maar niks vond. Kortom: allesbehalve een gemakkelijke tante, die moeder Berthe van Diane. Aan haar lijf geen Polonaise. Voor meer: lees Wat voorafging.

Zoals Diane zelf schrijft zijn eigenzinnige, opstandige moeders uiteraard meer geschikt als personage dan meegaande lieverds, en de literatuur mag blij zijn met dit nieuwe moederpersonage, maar toch zou je willen dat het fictie was geweest.
Denk niet dat Wat voorafging een literaire afrekening is. Het is niet te geloven, maar Diane Broeckhoven heeft veel liefde door de inkt gehaald en niet alleen door de inkt. Tot op het eind van het lange leven van haar moeder heeft Diane het principe van de onvoorwaardelijke liefde gehanteerd en onmenselijk veel geduld voor haar opgebracht. Het geduld van een boeddha.

Wat voorafging is een hunkerboek, de dochter hunkert tot op het sterfbed van de moeder naar een knuffel, een woord van liefde en appreciatie.
Het is pas de dode moeder die toestaat dat haar dochter haar hand vastpakt.
Berthe Moreels mag dan een dramaqueen zijn geweest, haar dochter is beslist een queen of drama.

Diane, van harte proficiat met het nu al historische Wat voorafging.
mc, 7 mei 2016

Professor Vanheeswijck over ‘Een man begraaft een boom’

17 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Presentatie 26 februari 2016, Antwerpen
door Guido Vanheeswijck

I

“Het mooiste gedicht is het gedicht dat genezen is van woorden. In Een man begraaft een boom brengt Shari Van Goethem geen begrippen bij. Niet de woorden, maar de beelden staan centraal. Aan de hand van deze beelden geeft ze inkijk in de complexe relatie tussen een man, een vrouw en een kind. Wie haar gedichten niet aanvoelt, wordt naar dezelfde doolhof verwezen, als waarin de hoofdpersonages zich bewegen.”

Op het eerste gezicht een vreemde presentatie van een dichtbundel. Hoe kunnen in een gedicht niet de woorden, maar de beelden centraal staan? Ik zou deze interpretatie daarom ook willen nuanceren. Ik zou willen laten zien dat Shari speelt en worstelt met woorden om ons zo beelden te tonen. Beelden via woorden. En ik wil dat doen aan de hand van een visie van een filosoof waarover Shari haar masterthesis heeft gemaakt, de Canadees Charles Taylor.

II

Shari Van Goethem zoekt naar wat de romantische dichter Percy Bysshe Shelley (1792-1822) ‘subtielere talen’ heeft genoemd. Tot ongeveer het einde van de achttiende eeuw, zo schrijft M.B. Abrams in zijn bekende studie The Mirror and the Lamp had de kunstenaar slechts een spiegel nodig om de werkelijkheid in al haar facetten weer te geven. Dood, verlies, rouw en pijn, wanhoop en hoop waren even aanwezig als vandaag. Maar ze konden worden geïnterpreteerd tegen een achtergrond van een mens- en wereldbeeld dat nagenoeg door iedereen werden gedeeld: een christelijke interpretatie van de geschiedenis, het sacramentele karakter van de natuur, de grote keten van het zijn, de analogie die er bestond tussen de diverse niveaus van de schepping, tussen de mens als een microkosmos en de wereld als macrokosmos, het geloof in een door God gegarandeerde onsterfelijkheid. De dichter kon als het ware onproblematisch een beroep doen op deze algemeen aanvaarde patronen om aan zijn eigen rouwproces, hoe individueel ook, een algemeen geldende betekenis te verlenen.

In de negentiende eeuw zijn deze wereldbeelden geleidelijk aan uit het bewustzijn verdwenen. De verandering van een mimetische naar een creatieve opvatting van poëzie ging hand in hand met de teloorgang van dit algemeen aanvaard referentiekader. Voortaan was een spiegel niet meer voldoende voor de dichter. Met een lamp gaat hij op zoek om in de chaotische werkelijkheid betekenis te vinden voor het verlies dat eigen is aan de menselijke eindigheid. Taal wordt nu veel meer dan een middel tot representatie; zij onthult via de creatie van symbolen onvermoede betekenissen in de werkelijkheid. Kortom, ze is niet langer alleen maar descriptief maar ook en vooral performatief. Dat betekent echter niet dat de dichter alleen maar de spreekbuis is van “zijn allerindividueelste emoties” en dat literatuur niet meer is dan een autonoom tekensysteem zonder enige verwijzing naar de buitenwereld. Het betekent wel dat de wisselwerking tussen taal en wereld complexer wordt. Als Rilke over engelen spreekt, heeft dat niet meer dezelfde zeggingskracht als bijvoorbeeld bij Dante. De werkelijkheid die ooit aan het gedicht voorafging en zich daarom leende voor imitatie, krijgt nu samen met en in het gedicht vorm via de creativiteit van de dichter.

Dat laatste, zo schrijft de Canadese filosoof Charles Taylor, geldt bij uitstek voor hedendaagse, post-romantische schrijvers. Alhoewel zij niet langer kunnen terugvallen op een algemeen erkende orde van betekenis en dus op het eerste gezicht dreigen te vervallen in een volkomen subjectivisme, laat een doorgedreven analyse van hun gedichten een meer genuanceerd beeld zien. Enerzijds is er het duidelijk subjectief aspect: de taal die zij hanteren is een zelf gekozen taal, waarin zij hun eigen gevoeligheid articuleren. Anderzijds – en dat wordt graag vergeten – is er ook een objectief aspect: via de taal creëren deze dichters een openheid op een diepere werkelijkheid (de geheimen van de menselijke natuur, de wederwaardigheden van het menselijk verlangen, de goddelijke werkelijkheid, de aantrekkingskracht van de machtswil, of wat dan ook). Doorheen hun articulatie van woorden manifesteert zich een werkelijkheid die deze woorden transcendeert.

Dit poëtisch taalgebruik, dit zoeken naar subtielere verwoordingen ziet Taylor dan ook als een hedendaags model om het eigene van de menselijke zoektocht naar zin en betekenis te articuleren. Tegelijk is hij zich terdege bewust van het precaire van deze onderneming: “Anders dan de verwijzingen in vroegere gedichten, waarvan de betekenis werd gegarandeerd door een algemeen aanvaard referentiekader (de keten van het zijn, de goddelijke geschiedenis en dergelijke), opent de moderne poëzie nieuwe paden, creëert zij nieuwe perspectieven op de werkelijkheid.” Maar, zo voegt hij eraan toe, die poëzie kan slechts resoneren voor wie er gevoelig voor is.

III

Laat me dit toepassen op de gedichtenbundel van Shari, waarin zij probeert de complexe relatie tussen een man, een vrouw en een kind te evoqueren.

  1. de worsteling met woorden:

niet het knopen voelt vreemd maar de woorden.
(…)

tussen de diepste kloven en de hoogste hoogten vliegen
vruchteloze vogels. groeien bomen
onuitgesproken. woorden die nog niet hebben genest

wat buiten beeld blijft
is hoe diep
(…)

  1. Spelen met woorden:

er is het kind dat kleeft. het schuim
dat samenklit. er is het weken in bad
blijven zitten.
(…)

  1. Gravende woorden creëren beelden:
  • de hand in zijn hand
  • overkant
  • gat, put
  • het onderweg zijn

de hand verdwijnt in zijn hand, de treden
onder zijn voeten. het enige waaraan hij
denken kan: de man en het moeten
de landkaarten die hij niet in kokers krijgt
het stratenplan dat ook niet buigt –
nu hij zich aan de overkant bevindt
van waar hij had willen zijn

(…)
drie meisjes hurken. omdat ze vrezen dat het punt
– waarop de man, de vrouw, het kind – op een rechte
lijn ligt. dat het onderweg, een verder weg
dat een gat, een put zal worden, waarin een man
zelfs geen boom wil begraven

(…)
in haar is er geen aankomst.  

Wel: een onderweg zijn.

Het altijd op weg zijn, breekbaar, tastend, tentatief: cf. Italo Calvino, Als op een winternacht een reiziger. Wellicht heeft de presentatietekst van de bundel het toch bij het rechte eind. Woorden doen zwijgen:

(…)
ze weet ze wankelt net dezelfde weg als die waarlangs
ze werd verlaten. maar ze houdt van deze straten. niet
om de voetpaden. wel om wie hier liep

onder onmogelijke beloftes is stilte de mooiste
(…)

(…)
als zou er zich op een dag
zomaar een kasteel

(cf. de beelden van wat er niets is: achter een deur, einde van een gang)

  1. En toch begraaft de man een boom (slotgedicht)

‘Kamelen waarmee je door alle woestijnen kunt gaan’ Bart Stouten over ‘De ziel surft offline’ van Frank Adam

14 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Kunstencentrum De Werf Brugge 3 maart 2016
Dames en Heren,
Niets had mij voorbereid op de schok van mijn jonge leven toen ik de drukproef van ‘de ziel surft online’ voor ogen kreeg.
Ik was al veel gewoon van Frank Adam, maar niet deze verpletterende manier om komaf te maken met de laatste trieste restanten van de aannames die mij weleens belagen wanneer ik op zoek ben naar een puntige opener van mijn dagelijks radio-programma.
Wat bijvoorbeeld te denken van het gebruik van het woord BEKLAD in ‘De schoonheid van een crisis wordt doorgaans BEKLAD door de oplossingen’. Je zou denken dat de oplossingen de crisis post factum juist bruikbaar en daardoor ethisch bevallig maken, maar om dan te lezen dat de gevonden oplossingen haar BEKLADDEN, dat is weer heel iets anders.
Elders heette het dat ‘stoere verhalen over sterke dranken op een slappe verbeelding wijzen van een zwakke persoonlijkheid’. Je zou toch juist stoere verhalen associëren met een STERKE verbeelding? Nee dus. Frank Adam wou mijn geest doen kantelen, daar was geen weg naast.
Echt verwonderd was ik niet. Ik had ook vaag gehoopt dat het zou gebeuren. Ik ken Frank Adam, zoals u allemaal, als de geniale poeet, filosoof, theatermaker en ook radioman die er enkele jaren geleden in slaagde om een hoorspelproductie te realiseren in onze radiostudio’s waar we nog steeds niet over uitgepraat zijn. Was hoorspel een no go-area geworden van uitgesleten cliché’s? Niets was minder waar toen Frank aan het roer zat. Hij betoverde een bomvolle zaal van luisteraars door het hoorspel tot een poëtische performance om te toveren, met een sfeervol decor van heel integer uitgedachte auditieve elementen, allemaal akkoorden in een unieke partituur waar niets aan het toeval was overgelaten, zelfs niet de ogenschijnlijk absurde ‘inserts’ die aan een soort surrealistische ‘écriture automatique’ deden denken, met alle associatieve spelletjes van cadavre exquis erbij. Ondertussen voerde Frank Adam, net zoals in zijn vijf fabelboeken vol tegendraadse verbeelding, de kunst van het fabuleren terug naar de mondelinge oorsprong van alle literatuur. Het effect was een verlevendiging, een opnieuw uitvinden van wat door jarenlange herhaling compleet uitgesleten was geraakt.
Net als alle grote literatuur zijn de teksten van Frank Adam, en beslist ook dit vademecum van gedeconstrueerde aforismen, een Telephus-speer. Telephus, dat is de zoon van Chronos die in de mythologie met zijn speer wonden toebrengt, maar dankzij het roest aan het uiteinde van de speer worden alle wonden meteen ook genezen. En dankzij die therapeutische kracht kan ik het boek missen, van zodra ik het uitheb. Het brengt een hele cognitieve wereld in mij weer in beweging. En zo herinnert Frank Adam mij eraan dat alle lectuur die ertoe doet de ontdekking is van een sensibiliteit. De sensibiliteit van een geniale auteur. Omwille van die sensibiliteit voel ik nu al de behoefte om hem te herlezen.
Je kan deze tekst, net zoals zovele vorige teksten van F Adam, als een uitvinding zien. Ze laten een scherpere blik op je binnenwereld toe. Het effect is even groot als wanneer je als jongeman ‘het lijden van de jonge Werther’ leest. De Roemeense filosoof Cioran heeft ergens gezegd: we zijn een beschaving van fictie die ons veranderen kan. Frank Adam illustreert in elk geval dat we fier kunnen zijn op die beschaving wanneer we daarover, zoals hij, al improviserend kunnen vertellen, niet zozeer badinerend als wel op een bevlogen wijze die nooit eerder gezien is, en zo ondertussen harten in beroering brengen en hoofden doen nadenken over wat we als de meest gewone vanzelfsprekendheden waren gaan zien.
Nee, niets is vanzelfsprekend in ‘De ziel surft online’. Het lichtende pad van Boeddha, Jezus Christus, grootmeester Yoda, de Franse moralist La Rochefoucauld, of de Duitse denker Arthur Schopenhauer, het lijkt alsof dat pad opnieuw wordt aangelegd, zoals sommige straten in de stad, zodat je ondertussen verplicht wordt nooit eerder bezochte wijken te bezoeken. En daar vind je dan alle rare muurslogans, stukgeslagen oneliners en binnenstebuiten gekeerde volkswijsheden; daar hoor je door de open ramen zelfs meditatieve podcasts voor tijdens het sterven, zijn zog. ‘Lied van de Longen’. Ik heb zelf op palliatieve afdelingen van klinieken al veel humor gespot, maar nergens hoorde ik tweets verstuurd worden naar het hiernamaals. Wél in deze tekst van Frank Adam. Overigens: u hoort het goed, ik gewaag van een tekst, deze tao van leven, liefde, seks, roem, rijkdom, depressie, zelfmoord en sterven in 300 en enige aforismen leest ook als een tekst, een verhaal, een heel leven-in-aforistische-episodes. Frank laat zien dat de genres niet stabiel zijn, dat de koan van de dertiende eeuw in Japan ook een koan in de 21e eeuw van Vlaanderen kan worden. Maar hun effect is nog steeds vergelijkbaar: de geest wordt gekanteld, de geest wordt beroofd van alle valse voorveronderstellingen, om een verloren openheid van denken weer te vinden. Mooier kan ik inderdaad het effect van de tekst van Frank Adam niet verwoorden.
Het ‘nieuw’ maken of worden van tekst is des te opmerkelijker omdat Frank Adam een filosofische reflectie beoogt van wat zich afspeelt op Internet. We zijn ermee vertrouwd geworden dat media als film en televisie veel meer onze voyeuristische neigingen bevredigden dan de geschreven teksten van voorheen. Internet leek nog een stapje verder te gaan, maar ontgoochelde ook vaak in het wereldwijd rondsturen van eeuwig dezelfde simplificaties en cliché’s. Die geest is alleszins in strijd met de geest van Frank Adam. In zijn reflectie op internet kopieert hij niet, maar deconstrueert.
In de geest van de Frans-Algerijnse denker Jacques Derrida probeert Frank Adam creatief commentaar te serveren bij alle vooronderstellingen in teksten en subteksten. Het verschil is alleen dat de filosofische deconstructie soms op het einde van alle creativiteit lijkt, terwijl Frank Adam net laat zien dat het een begin kan zijn. En wat voor een spetterend begin! Ik moest tijdens mijn lectuur vaak denken aan filosofisch-poëtische kattebelletjes in de semiotische geest van Roland Barthes: aantekeningen levendig en luchtig en toch ook to-the-point over 1001 onderwerpen, waarbij ‘alles wat valt als een blad’ (zoals Roland Barthes dan zegt) een kans krijgt.
Maar het ene blad is het andere niet, weten we wanneer we al eens grasduinen in de aforismen die her en der gebundeld worden. Het probleem met het aforisme is de vaak monolithische onweerlegbaarheid. Een goed aforisme heeft iets van een akelige man uit een altijd-gelijk-club. Een goed aforisme stinkt naar macho bravado. Het is moeilijk om het nIét eens te zijn met zo’n aforisme. Ik ben het vaak eens met de VORM van het aforisme: dat is waar het uitstekende aforisme in uitmunt, eerder dan in de INHOUD. Hier maakt Frank Adam het verschil: zijn vorm is altijd opmerkelijk en onberispelijk, daarom alléén al genietbaar, maar hij draait en wentelt bovendien op een uitermate originele manier de inhoud, hij zorgt ervoor dat we uit onze dommel wakkerschrikken om even tegen onszelf te zeggen: zo had ik het nog niet eerder gezien.
Die aantekeningen troosten niet zomaar, ze zijn niet zomaar een EHBO bij een moreel ongevalletje. Ze willen de schrandere lezer ook een soort samenlevingscontract schenken. Ze hebben (uiteraard op een wijze die helemaal past bij de 21e eeuw) de grootse ambitie van verlichtingsdenkers als Jean-Jacques Rousseau, Voltaire, Diderot en d’Alembert. Beide laatsten wilden met hun Encyclopédie het concept van kennis zélf veranderen. ‘De ziel surft online’ slaagt daar volgens mij ook in. Het kennistheoretisch episteem dat wij dagelijks hanteren komt in vraag te staan. Dat kun je van maar heel weinig boeken zeggen. Een ander episteem komt in de plaats van het uitgeholde neoliberale systeem, waar alles moet gelabeld worden, en elk label moet opbrengen. Ondertussen zijn de tekstjes van Frank Adam behalve kritisch ook uitermate grappig, ze zijn bovendien bezwangerd van passie en hebben het in zich om de meest koele kikkers te provoceren.
Maar er is vooral de humor. Het geheim van alle humor is natuurlijk de verrassing. Frank Adam laat zien dat humor en geduld – geduld bij het schrijven, bij het lezen, bij het toepassen in uw leven van wat u gelezen hebt – dat humor en geduld de kamelen zijn waarmee je door alle woestijnen kunt gaan.
Een mooiere abdicatie van alle negativiteit en onverschilligheid die ons vandaag omringen is niet denkbaar.
Wat ik al niet geleerd heb terwijl
ik door de drukproeven van DE ZIEL SURFT OFFLINE bladerde. Ik kreeg advies voor wijs bankieren, en werd eraan herinnerd dat ik als ervaren lener mijn bank kon binnenstappen met de flair dat mijn lening de bank krediet verleent. Dat is niet eens gelogen, maar zo had ik het nog nooit ‘gezien’. Het is een logica waaruit talloze aforismen van Frank Adam hun charmante wijsheid putten, en die ze zoveel rijker maken dan de sympathieke woordspelletjes die ze blijken te zijn. Rijker, ja, c’est le cas de le dire in deze bancaire context. En over rijk gesproken, Frank herinnert me er ook nog aan dat als je je het saldo van je bankrekening zelfs niet bij benadering kan herinneren, wat in mijn geval ALTIJD zo is, dan mag je je rijk noemen. Wat een heerlijke troost. Dankzij het boekje van Frank weet ik nu dat ik steenrijk ben. Ik, die dacht dat ik doodarm was. Frank Adam gelooft duidelijk niet in aaalmoezen, wel in het emanciperen van mensen van onderuit.
Welk brein ontwart onze verstrengelde gedachten uit het wereld wijde web? vraagt Frank Adam zich af, midden in dit boek voor een ziel die offline surft. Dames en heren, ik denk dat de auteur hierbij aan zichzelf dacht. Hij heeft in elk geval mijn gedachten aardig op een rijtje gekregen. Het rijtje dat mijn bewondering is voor hem. U voelt dat ik het einde van mijn eerbetoon nader, en afsteven op wat de Engelsen ‘a round of applause’ noemen.
Want ja, ik wil Frank nu ‘toto corde’ feliciteren met zijn fantastische uitgave. Het smaakt als een laat zondags ontbijt met pistolets, croissants en chocoladekoeken. Het is gezond als een veggiebroodje met tuinbonenpasta. Je vertering zal versneld worden, je ontlasting zal een stuk aangenamer verlopen. Ik weet wel zeker dat dit boekje een onvoorspelbaar boeiend leven gaat leiden in Vlaanderen. Het boek is geboren. Luister naar een ontroerend mooi gekrijs.

Bart Stouten

Will Verhegghe over ‘Zekerheden’

14 maart 2016 § Een reactie plaatsen

Sint Niklaas 19 februari 2016

Zekerheden: komen ze met de jaren,
wegen ze op onze schouders als roestige kennis,
duwen ze ons met onze neus op het ongenadig en onstuitbaar ouder worden ?
We weten hoe dan ook sneller waar we aan toe zijn, Bart, zoveel is zeker,
in ons hoofd en lijf en in onze pen sluipt de zekerheid naar binnen
die ons zegt dat onze langste dagen geteld zijn.
Maar we blijven leven, blijven schrijven, soms tegen beter weten in,
meestal in het besef dat we moeten verder doen willen we blijven……….leven.
Het openingsgedicht van de bundel is een gedicht
over vader dat ik je ooit hoorde voorlezen.
Ik werd er stil van, mijn eigen vader kwam
er zelfs een beetje door uit zijn graf gekropen,
net zoals de dode uit zijn kist in het macabere schilderij van Antoine Wiertz
dat je in het al even sombere tegen
het Leopoldspark aanleunende Brusselse museum
waar Conscience conservator was en stierf kan bekijken,
bewonderen is hier niet het juiste woord.
Je vader, Bart, de man die jij zelf
steeds meer wordt, zijn reïncarnatie bijna.

Van je papa duik ik in een vijvergedicht
waar je liefde voor en kennis van de natuur
met sierlijke karpersprongen boven water komen en je de zwarte pluimen
van de meerkoeten in het wit van hun taterende bekken projecteert, een verademing
in het rustverstorend kabaal van de ontwakende morgen,
de ronkende motoren, de stank der uitlaatgassen, de waan van de dag.
Heel even kom je me in de wielen rijden en
ga je zowaar Tour de France-gewijs koersen,
claim je mijn klimmersidool Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo,
jij hebt intussen wel je fiets al aan de haak gehangen,
ik kocht me recent nog een nieuwe Eddy Merckx
om mijn oude knoken het knarsen af te leren.
Wat niet lukt natuurlijk, gekraak alom, opspelende pezen,
snot voor de ogen, het terugkerende epo, ooit uitgever van mijn roman,
ik koester zelf nog de droom genaamd Stelvio ,
een finale klim naar mijn extreme koersliefde.

Je waagt je ook aan zelfportretten,
verbale paintings in pure Van Gogh-stijl,
ik denk hier spontaan aan een vers van Karel Jonckheere
die het had over ‘wie veertig wordt zal zich zelve kennen
want anders is het beter dat hij sterft’.
Maar ken jij jezelf wel, beste Bart, zit je niet in mijn schuitje
dat wankel op woeste zeeën tracht boven water te blijven ?
Ik ben bijna zeventig en nog elke nieuwe dag op zoek naar mezelf,
een bezigheid die arbeidsintensief is en me voor een stuk jong houdt.
Blijven doen, dus, Bart, jezelf ontdekken,
vertrouw zeker het al te gratuite spiegelbeeld niet,
zoek tot in je diepste binnenste om vast te stellen dat de put
die we voor onszelf graven nooit diep genoeg zal zijn.
Misschien kan het lief-zonder-schaduwzijde je daar bij helpen,
om uit je eigen schaduw te treden, het volle licht tegemoet.

Zalig dan weer hoe je in Wales mijmerend aan het klimmen gaat,
je deed er dus best aan om geen bubbelbad te nemen en
op zoek te gaan naar het mysterie van de Cader Idris,
een berg die mijn beklimming van de Snowdon
in de zelfde Welshe buurt levendig in herinnering brengt,
ik sliep er een paar nachten in een desolaat
maar prachtig old fashioned hotelletje
waar beeldschone blonde blauwogige Deense meisjes opdienden en
waar de grote Sir Edmund Hillary heeft verbleven toen hij zich
op de nabijgelegen Snowdon voorbereidde op zijn Himalaya-avontuur,
je ruikt er nog de geurloze hoogte van de Everest,
je ziet de zwoegende sherpa’s,
het klimmersgerief van Hillary hangt er als scapulieren
van een of andere heilige in karig verlichte vitrinekasten,
relikwieën van de eenzame en dodelijke hoogten.

Wat verder slaag je er dan weer in om
een studentikoos vers op papier te zetten
waarin bier en grote onderscheiding een wondere mix vormen,
meteen daarna daal je af in de onderaardse geschiedenis
van een kerkhof in Firenze
waar je Pinocchio’s lange neus tegen het stevig liegend lijf loopt
in de figuur van zijn geestelijke vader Carlo Collodi
die er eeuwige sprookjesrust heeft gevonden en er waarschijnlijk
geregeld een kaartje legt met Walt Disney die zijn Pinocchio
in sublieme beelden tot cinemaleven heeft geroepen.
En als de last van het ouder worden je te zwaar wordt en
je het teveel aan vroeger en het tekort aan later verfoeit
ga je best wat troost zoeken in de kern die zal overblijven:
liefde en twee oude lijven.

Je loopt even op mij vooruit in vijf sfeervolle gedichten over Lesbos,
het eiland waar Europa zich momenteel van zijn beste kant laat zien,
de arme Grieken stikken er in de toevloed van vluchtelingen
die -stel je voor- zo eens op onze bloedeigen kust tussen De Panne en Knokke
zouden moeten aanspoelen, het kot zou te klein zijn,
de lokale gouverneur en burgemeesters schreeuwen nu al moord en brand en
er is niets aan de hand, onze vetbetaalde politici verdringen zich de laatste tijd
in hun drukke en haast gelijklopende push back-dromen.
Binnenkort trek ik er zelf naar toe, Bart, naar Lesbos,
en heus niet als ramptoerist maar om er humane signalen op te vangen en
oude vriendschappen te bezegelen.
Van het tragische en arme Lesbos vaar je op de golven van Sappho
noord-westwaarts naar de Noord-Franse kust
om er in het Somme-dorp Ault
met het wit van de krijtrotsen in het gele zand een gedicht te schrijven.
Om daarna weer helemaal en met beide voeten op de grond te blijven
in een paar verrassende grootvadergedichten waarin je op je hoede bent
voor de valstrikken van de jeugd, de moeilijke vragen,
de verwachtingen van jonge mensen in hun opa
die met open mond naar hen kijkt en luistert en
dikwijls het verwachte antwoord schuldig moet blijven.

Wat me ook opvalt is dat je net als ik de kraaien van Van Gogh
hoog in de lucht van je poëzie laat opdraven, ikzelf heb dat
meerdere keren gedaan in mijn gedichten en telkens weer
heeft het iets dreigends en ga ik tot die beeldvorming over
wanneer alles me wat te zwaar en te zwart wordt,
bij jou zie ik in dat beeldgebruik eerder een streven naar hoger,
naar, zoals je zelf schrijft, het dak van je torenhoog verlangen.
Misschien moet je dat verlangen dan maar laten uitmonden in de liefde
die je opnieuw uitvindt en waarbij je best het verleden opdoekt,
het verleden dat gesprekken nekt wanneer je het te fel oprakelt.

En laat je zeker niet klein krijgen door hartritmestoornissen, beste Bart,
verstoor en verstrooi ze, geef ze geen kans om het ritme
uit je leven te halen, ga niet ten onder
zoals een kanarie bij een weinig mijngas,
verban de oude man in jezelf, ja,
je schrijft het zelf: gun hem zijn grillen niet,
geef niet aan hem toe en ontken keuvelend en lachend de dood.
Om dat alles waar te maken leun je best aan bij je geliefde en
fluister je haar deze paar eigen wondere woorden in het oor:

‘ontsteek de dag

en laat mij zien

wat ik nooit zag’.

Ik wens je nog veel liefde, nieuwe dagen en wondere onbekende dingen en ervaringen toe, beste Bart.

En hou zeker niet op met dichten, laat dat een van jouw en ook onze zekerheden zijn.

willie verhegghe