Laudatio Knack Hercule Poirotprijs voor Hof van Assisen van Louis van Dievel
4 november 2012 § Geef een reactie
HET VENIJN ZIT IN HET BEEN
Laudatio Louis Van Dievel, Boekenbeurs 2012
15e Hercule Poirotprijs Knack
Beste Louis,
Dames en Heren,
Het was de hoogste tijd om Louis Van Dievel te bekronen. Zo komt er wat evenwicht tussen zijn magen en verre verwanten. In 2008 stelde hij zijn toen nieuwe roman Een Familiegeschiedenis voor bij de firma Van Dievel. A Devil in Transport. Louis heeft eigenlijk fout gekozen. Transport brengt op, de duivel zelden. Vijf vrachtwagens hebben nochtans een maand lang rondgereden met reklame voor die nogal geflopte, kwebbelende familiegeschiedenis uit Bonheiden en Mechelen.
Louis heeft zelf drie jaar langer moeten wachten op een prijs, de hoogste die je in Vlaanderen kunt bereiken in zijn genre – zus en broers De Wael die de truckersgroep runnen kregen in 2009 de titel van ‘Transporteur van het Jaar’. De soortgelijke ‘Kolporteur van het Jaar’, van eigen werk dan, gaat niét naar Louis – er kan maar één Stan Lauryssens zijn. Maar A Devil in Transform, dat is de 15e Winnaar van de Knack Hercule Poirotprijs wel (het was overigens de recensent van Knack die het vermelde boek als ‘kwebbelend’ omschreef).
De Poirotprijs bekroont het spannendste boek, niets meer, niets minder. Louis Van Dievel voert zichzelf niet zonder reden op als personage in zijn eerste roman, Happy Days uit 2002. En hij noemt niet Roger zoals die andere duivel in een wijwatervat aan wie hij een vettig gewetensonderzoek wijdde in 2011, maar Louis Van Thillo. Dat wijst op twee dingen. Louis tracht zijn ideaal te benaderen, de misdaadverslaggeving in, pakweg, Het Laatste Nieuws, een riedel van overdrijving, suggestie, gesundes Volksempfinden, en volkse klap. En omdat misdaad nu een keer lekkerder is dan vroomheid, schrijft hij Boschiaanse volksportretten, thrillers die hij steevast afzweert. “Ik schrijf geen misdaadromans”, zegt hij verontwaardigd op zijn blog De Achtertuin van 2 oktober. “Ik sta maar zo gekatalogeerd omdat een meneer in een grijze stofjas dat ooit zo heeft beslist”. Het wordt pas vervelend als de Detective- en Thrillergids van Vrij Nederland toch maar drie boeken opneemt in zijn besprekingen: Happy Days, Ik ben de Vuilnisman uit 2003, en Hof van Assisen, dat hier voorligt. En nog erger als hij zijn eigen Pruimelaarstraat ongegeneerd omschrijft als een ‘roman noir’ – Patrick Conrad heeft net hetzelfde gedaan. In een andere klasse weliswaar.
Waarom dan dat voortdurend ontkennen ? Uit schaamte voor volkse verhalen ? Uit zucht naar letterkundige erkenning ? Wil Louis naast Louis Paul Boon staan (ook diens Vergeten Straat loopt dood) ? Naast Gerard Walschap (de mikrokosmossen die hij beschrijft roepen de verstikkende sfeer van Nieuw Deps op) ? Naast Hugo Claus (de jury van de Librisprijs ziet in de “karroesel van buurtbewoners” in De Pruimelaarstraat – maar het geldt even goed voor Hof van Assisen – het procédé van De Metsiers) ? Is het Louis sinds die nominatie in zijn bol geslagen ? Of speelt de eenzame eenzaamheid hem parten op het eilandje El Hierro of op de redaktie van de VRT-nieuwsdienst ?
Het wordt tijd dat Louis zijn eigen boeken leest, in plaats van ze lullig te schrijven. Want Happy Days mocht dan wel “gepresenteerd zijn als een thriller” (de flaptekst), “de roman is allesbehalve spannend.” Dat schreef in tempore non suspectu een eerbiedwaardig lid van de huidige Poirotjury, wiens enig grijs uit vijftig tinten bestaat, en niet uit stofjas. Hij verbaasde er zich over dat het wel een gruwelijk boek was. Zoals de volkswoede. Zoals de massarefleks. Zoals de wreedheid die kuddegeest meebrengt. De Edwin Hawkin Singers hadden dat al perfekt begrepen toen ze hun gospelsong in 1969 zo noemden, naar een 18e eeuwse versie van de Handelingen der Apostelen. Nog zo’n wrede bende, die tijdig de hielen lichtte toen het grauw zich tegen de Heer richtte.
Als Louis geen misdaadromans schrijft, wat schrijft hij dan wel ? “Verhalen”, zegt hij. Flauw. “Ik gebruik misdaadverhalen in mijn euh werk”. De aap komt wat verder uit de mouw: “Welke zichzelf respekterende auteur staat er nu graag naast Pieter Aspe op een lijstje ?” Iedereen natuurlijk, als hij maar evenveel boeken kan slijten. Van die zwans moet Gij niets geloven. Louis is gefascineerd door verslavingen, door obsessies, door vuige manieren, door vuile ook, door beestig gedrag, door de logika van de diepe zondige zonde. Perversie is zijn tweede natuur, zijn schrijfnatuur. Achterdocht is zijn onderstroom. Miserabilisme is zijn habitat. Of die in Heide ligt, in Muizen, in Brugge, in Bergen, of op de Luchtbal ligt, overal wemelt het van goorheid en onreine manieren. De uitwas is het kenmerk van de gewone, doorgedraaide duivel die in elk van ons schuilt. Dat is de reden waarom Louis niet kan kiezen tussen slapstick en naturalisme, tussen liefde voor de werkmens en afkeer voor zijn brutale gedrag, tussen warme eenvoud en de horreur van het Vlaams interieur.
Louis Van Dievel, dames en heren, heeft een roman geschreven. Een spannende roman, met een verderfelijk einde vol peilloze ellende. Maar het is de boetsering van karikaturen die levensechter zijn dan fotografische weergaven die van Hof van Assisen zo’n meeslepend verhaal maakt – een bloedstollende pageturner vol ijselijke drama’s en weerzinwekkende spasmen, zoals de koelies van het thrillergenre in stofjas op elk omslag herhalen. John Vervoort schreef ook nu in De Standaard van 2 september vorig jaar: “Een thriller is dit boek niet. Het is een vermakelijke roman waarin niet alleen het gerecht, maar iedereen die bij het proces betrokken is in zijn blootje komt te staan”. Gij moogt dat zeer letterlijk nemen, dat blootje. In het begin ligt daar en bloot hoertje. Dood. Bovenop haar een drugsdealer. Bloot. Zonder been en met een gekwetst hart. Er wordt nogal wat geboeleerd en kwansuis libidineus met elkaar omgesprongen in de jury (ik verzeker u, in de Poirotjury gaat het er anders aan toe, wij zijn de Griekse beginselen niet toegedaan).
De namenlijst achteraan doet recht aan de 37 personages die in de apenkooi van het oude gerechtshof worden bepoteld en gedrild door een kapo van een rechter op weg naar zijn pensioen. Eén man is weggelaten uit het register: politieman De Vos. Toeval ? Of omkoperij ? Wat de Russische maffia met het hele verhaal te maken heeft – Gommaar Meganck, de dader, zal toch wel geen persiflage zijn op André Meganck zeker ? – dat moet u zelf maar uitzoeken. Weet, dit is een ontluisterend boek. Het is een spiegel van sotternijen en van ijdelheden. Het is vooral een spànnend boek, in de plot en in de broek. En dus een meer dan verdiende winnaar van de 15e Poirotprijs – literair, ge moogt naast Herman Portocarero staan, Louis, en naast Jef Geeraerts; simpel, ge moogt naast Rudy Soetewey staan, en naast Piet Teigeler; rijk gestoffeerd, ge moogt naast Staf Schoeters staan, en naast Mieke De Loof; en overspannen, ge moogt naast Bob Van Laerhoven en Luk Deflo staan. Louis Van Dievel, gij zijt onze man.
Lukas DE VOS
Feestvarken
4 november 2012 § Geef een reactie
Ik wist het al een poosje maar het moest nog tot vandaag een geheim blijven, een groot geheim zelfs, want een prijs die van te voren uitlekt verliest de helft van zijn waarde. En dus had ik maar aan enkele mensen (in ieder geval minder dan een dozijn, of minder dan twintig) verklapt dat ik de winnaar was van de Knack Hercule Poirot Prijs voor de beste misdaadroman van het afgelopen jaar.
Het is uiteraard de Libris of de AKO niet, want dat zijn prijzen voor serieuze boeken, maar ik betrapte mijzelf erop dat ik vandaag geweldig blij was, ook al ben ik géén (gééééééén) misdaadauteur.
Het is namelijk al van de lagere school geleden dat ik nog een prijs had gewonnen: ik was het eerste jongetje van de klas dat kon lezen. Andere jongetjes konden goed zwemmen (ik niet) of bidden (ik niet) of turnen (ik niet) en die kregen daar een prijs voor. Om eerlijk te zijn, ik had de moed al opgegeven en ik leek gedoemd om prijsloos mijn oude dag in te gaan.
En kijk, dan beslist zo’n ruimdenkende jury, samengesteld uit hoogintelligente lieden, om de Hercule Poirotprijs toe te kennen aan een roman die wel over misdaad handelt, maar geen thriller of misdaadroman is.
Het bekroonde boek “Hof van Assisen” gaat immers en uiteraard over een assisenproces en dan heb je, nolens volens, een moord nodig. Ik heb een sappige moord verzonnen, vol weerhaken. En ik heb beschreven, zonder belerend te zijn, hoe assisen functioneert en wat voor diepe indruk zo’n proces maakt op alle mensen die daarbij betrokken zijn, niet het minst de juryleden. Wie de dader is, daarover bestaat niet veel twijfel, maar zal hij veroordeeld worden? Dat is de vraag.
Als je wint heb je vrienden
Het was niet alleen mijn eerste prijs sinds het jaar 1959, het was ook de eerste keer dat ik mijn opwachting mocht maken in het nieuws van VTM. Ook dat doet iets met een mens.
En terwijl de camera’s zoemden en flitsten kreeg ik uit handen van de beroemde Engelse crime-auteur Philip Kerr (van wie ik helaas nog nooit had gehoord) een cheque van vijfduizend euro én een geweldig mooie (en dure!) vulpen, eentje uit de Jonathan Swift-reeks (voor de kenners). Jonathan Swift is overigens een auteur die ik u van harte kan aanbevelen. Maar ik dwaal af, het kwaaltje bij uitstek van lichtelijk verdwaasde auteurs op leeftijd.
Daarna luisterde ik met stijgend genoegen naar de spitse toespraak van Lukas De Vos, collega bij het radionieuws, die er met vuile voeten doorging, en mij met veel humor laakte wegens mijn halsstarrige weigering om mij tot het ras van de misdaadauteurs te bekeren.
Ik schudde handen, lachte naar fotografen, deed alsof ik de beste vriend was van Pieter Aspe (die enkel de publieksprijs kreeg en daarover enigszins verstoord leek), herhaalde wat ik al bij VTM had gezegd voor de regionale televisies en voor Radio 1, lachte naar nog meer fotografen, beantwoordde tientallen sms’jes met felicitaties en glunderde, in het algemeen en in het bijzonder. Dat zeggen toch onafhankelijke waarnemers.
Een auteur die het bordje “Winnaar van de Hercule Poirot Prijs” naast zijn boeken kan zetten, is een gezegend man (M/V). Ik had het druk bij het signeren, veel drukker dan andere jaren, zelfs drukker dan in het jaar van “De Pruimelaarstraat”, als die roman u iets zou zeggen. Zo’n prijs geeft de mensen vertrouwen: deze auteur kent zijn vak want hij is bekroond.
Is dat belachelijk? Absoluut niet. Zelfs Paul Jambers – hijzelf in persoon – kwam naderbij, maakte zich van een exemplaar meester, liet het mij signeren en ging het bovendien ook nog eens betalen aan de kassa . Ook dat doet iets met een mens.
En alsof mijn geluk nog niet groot genoeg was, meldde zich tegen het sluiten van de markt ook nog een ploeg van onze eigenste Journaal. En beantwoordde ik op bedachtzame wijze de -het weze beklemtoond- intelligentste vragen van de dag.
Als je wint heb je vrienden, rijen dik, echte vrienden, Doe Maar zong het al. En het is waar, ik kan het u verzekeren.
Louis van Dievel
De allochtonen-auditie van Antwerpen, een Belgische Fabel van Frank Adam & Klaas Verplancke, gepubliceerd in De Wereld Morgen van 5/10/2012
13 oktober 2012 § Geef een reactie
bericht aan de burgemeester
‘Dit incident is begonnen. Uw onvoorwaardelijke toezegging wordt verwacht per kerende koerier.’
Burgemeester,
Ik doe verslag van mijn aanwezigheid op een allochtonen-auditie in uw stad. Zij vond plaats op enkele honderden meters van uw kabinet, in een zaal die werd gehuurd door een Antwerpse politieke vereniging, geregistreerd onder de naam halal vzw.
De auditie-chef
Toen ik werd binnengeleid sprak de auditie-chef een zichtbaar ontgoochelde kandidaat-allochtoon toe: ‘Na een week audities hebben we kandidaten met getuigenissen van pesterijen, slagen en verwondingen, aanranding en dies meer – degelijk gestaafd en gedocumenteerd. U begrijpt dat uw getuigenis van enkele sporadisch terugkerende scheldwoorden, hoewel prima kwetsend en ronduit gemeen, niet zo’n geweldige indruk maakt. Tenzij andere vormen van maatschappelijk onrecht, verdrongen sinds uw kindertijd of adolescentie, u alsnog te binnen schieten en uw anders-zijn op ongedwongen wijze benadrukken?’
De auditie
Toen ik vervolgens mijn kandidatuur opende met de mededeling dat ik afkomstig was van elders, uit een ver land aan de rand van de woestijn[1], vroeg de auditie-chef zich hardop af ‘Hoe-komt-die-ezel-hier-in-godsnaam-binnengewaaid?’
De partij
De auditie-assistent legde mij uit dat ik mij bevond op een interne partij-auditie van de Antwerpse heden-allemaal-links-alliantie (halal) en dat die enkel toegankelijk was voor ‘autochtone’ allochtonen.
Ik veronderstelde hardop dat ‘autochtone’ allochtonen toch ook, net zoals ik, ooit uit een ver oord van elders moesten zijn gearriveerd?
De auditie-assistent legde uit dat alle kandidaten, door een politieke grap van de genen, wel het uiterlijk van allochtonen vertoonden, maar vooraf allemaal als autochtone stadsbewoners waren gescreend en gekeurd.
Ik vroeg mij af of genen gevoel voor humor hadden en of hun politieke gein tot gevolg had dat echte allochtonen volkomen on-vertegenwoordigd waren in de politiek van uw stad.
De auditie-assistent legde uit dat uw stad honderdvijfenzeventig nationaliteiten telde en elke partij uit haar voegen zou barsten bij een door mij gesuggereerde representatieve vertegenwoordiging der allochtonen.
De grote gelijkmaker
De auditie-chef verzekerde wel degelijk met echte allochtonen te hebben geëxperimenteerd.
‘In se is politiek de grote gelijkmaker; elke allochtoon ruilt zijn allochtoonschap vrijwillig en met plezier in voor de macht.
Maar zoals kinderen of huisdieren bij een eerste invrijheidstelling algauw doldraaien wegens een overdosis vrijheid, haalden deze allochtonen met onverantwoord allochtonengedrag het hele politieke veld overhoop.’
Vraag
Toen vroeg ik mij af: ‘Wie zal dan opkomen voor de echt allochtone kinderen die degelijk onderwijs ontberen, voor de echt allochtone jongeren die van werkgelegenheid en toekomst blijven verstoken, voor de echt allochtone vrouwen die door autochtone mannen worden betast? Wanneer zullen echte allochtonen als volwaardige burgers uw radio-, tv-, podium-, en administratieburchten mogen bevolken?’
Chaos
De auditie-assistent zei: ‘Denkt u dat andere politici soms geen weet hebben van een gok- of pedofilieschandaal hier, van dierenmishandeling of nucleaire lekkage daar? Wat een chaos zou het niet zijn als dat allemaal tegelijk publiekelijk werd verkondigd? Welk excuus zou de rechterzijde niet worden verstrekt, om links te brandmerken als een zootje ongeregeld.’
Woordsoldaten
De auditie-chef voegde daaraan toe: ‘Daarom wapent de heden-allemaal-links-alliantie zich. In ruil voor roem, subsidies en een opgepept zelfbeeld snoeren goedbetaalde woordsoldaten criticasters als u volgaarne de mond.
De angst die u met uw kritische opmerkingen zaait zal worden gespiegeld – ‘Hoed u voor angstzaaiers!’ – en deze weder-angst zal noch door u kunnen worden ontkracht, noch door het volk worden onderkend.
U zult worden aangevallen met een postmoderne spot en middeleeuwse hoon waar het volk van smult.
De mensen zullen u met de vinger wijzen en zeggen: ‘Zie, daar! Dat is hem!’. De mensen zullen u elektronische post sturen met boodschappen als krijg de kanker, i-a!-nazi-ezel! i-a!-moffenkl**tzak! h**renezeljong! i-a!-woehaha!
Uw vrienden zullen u de rug toe keren. Uw geliefde zal u verlaten[2].
Als een baarlijke duivel zult u spartelen om u alsnog uit uw gedachtegoed te redden.
U zult worden gerekend tot de daders, booswichten, levithians en alle andere monsters der mensheid.
Als u zichzelf niet verplicht even open, breeddenkend en verdraagzaam te zijn zoals wij, als u steevast weigert op het afgesproken uur op openbare protestacties te verschijnen, met het afgesproken enthousiasme afgesproken leuzen te zingen en scanderen, zult u uit deze stad worden verbannen – want ja, links kan ook rechts zijn – en als u uzelf niet het zwijgen oplegt, zult u straks in uw woestijn door de manoeuvres van rechts door alle allochtone allochtonen worden overspoeld.’
Antwerps plaveisel
Burgemeester,
Buiten op straat, oog in oog met het Antwerpse plaveisel waarop ik zonder verder wederwoord hardhandig werd geworpen, besefte ik plotseling wie ik was, vanwaar ik was gekomen en waarin mijn lotsbestemming lag.
Door mijn vermogen volstrekt oninteressant en onzichtbaar over te komen op mijn omgeving, ondanks mijn joviale uiterlijk en vlotte omgang met de mensen, legde ik in geen tijd met vele allochtonen en allochtonen van geest contact, en tijdens vergaderingen op het Antwerpse forum spoorden wij onszelf tot politieke bedrijvigheid aan.
Onderhandelen
In naam van onze nieuwe partij, de iedereen-allochtoon-alliantie (ie-aa) waarvan ik tijdelijk het woordvoerderschap en de boekhouding op mij neem, nodig ik u met deze brief tot onderhandelen uit.
Als u beslist hierop in te gaan, zult u hedennacht nog met mij de stad in trekken. Langs u bekende straten, pleinen en buurten zal ik u in contact brengen met de er-niet-echt-bij-horenden, de getolereerden – de allochtonen en de allochtonen van geest – zonder dat ze u haten en zonder dat u hen vernedert.
Ik zal u uitleggen hoe u hun levens niet moet lezen in uw dossiers maar in hun ogen; hoe hun tragedies, kluchten en feesten niet spelen in uw theaters maar hun huizen; hoe u in de omgang niet steeds moet huichelen maar tot hen kunt spreken met uw hart.
In het holst van de nacht dan zullen wij langs de huizen, flats en residenties van de autochtonen gaan. En terwijl zij slapen en hun aan deze stad geketende dromen dromen, zullen wij fluisteren langs hun ramen: ‘U bent niet van hier’ en ‘U zult altijd van elders zijn’.
Iedereen allochtoon
Bij het krieken van de dag zult u laten notuleren dat al wie in deze stad het autochtone burgerschap bezit als een eigendom, een aandeel of een recht, vanaf heden op staande voet zal worden gesanctioneerd;
dat al wie de stad, haar naam, haar paleizen, haar theaters, magazijnen, jeugdhuizen, pleinen, toeristen en betrekkingen misbruikt en zich toe-eigent als persoonlijke arena van de macht uit zijn burgerschap zal worden ontzet;
dat het autochtone burgerschap definitief zal worden afgeschaft;
dat waar burgerschap pas mogelijk is via het statuut van allochtoon;
dat elkeen vanaf heden elke dag als pas aangekomene zal ontwaken, en als zoekende, niets-hebbende de ander in volstrekte nietshebbendheid gastvrij zal ontvangen;
dat als deze door de goden en zichzelf gezegende stad Jan, Pier, Pjotr, Indra, Güler en Hasan toebehoort –
dat als deze door de goden en zichzelf gezegende stad echt van iedereen is,
deze door de goden en zichzelf gezegende stad eerst en vooral echt van niets of niemand zal zijn.
Dit incident is begonnen.
Uw onvoorwaardelijke toezegging wordt verwacht per kerende koerier
Groet van E.
Woordvoerder-boekhouder
iedereen-allochtoon-alliantie (ie-aa)
Info:
Belgische Fabels (Confidenties aan een ezelsoor, Boek Vijf) van Frank Adam en Klaas Verplancke verschijnt in het literaire tijdschrift De Brakke Hond en wordt uitgegeven door uitgeverij Vrijdag.
Van Frank Adam verscheen bij uitgeverij Vrijdag De droom van Aziz. Een vertelling. De gelijknamige muziektheatervoorstelling met Jean-Baptiste Lison (Orchestre International du Vetex) speelt op 13 oktober in Oostende (Bibliotheek Kris Lambert) en op 19 oktober in Brussel (Vlaams-Marokkaans culturenhuis Daarkom). Info: http://www.kleinverhaal.be.
Ga ook eens een kijkje nemen op:
Pas uit: ‘Sneltrein China’ van Bart Pennewaert – inleiding
11 juni 2012 § Geef een reactie
Het was een van de vele beelden die op me afkwamen die eerste weken in China. En het bleef om de een of andere reden hangen: de lancering van de Maangodin 1. Ik zag het op de staatszender en telde mee af. Een slanke raket steeg op om de eerste Chinese ruimtesonde in een baan om de maan te brengen. ‘De sonde zal 3D-beelden maken van het maanoppervlak,
en dat in de scherpste resolutie ooit,’ orakelde de omroeper om er niet zonder twinkeling in de ogen aan toe te voegen: ‘Onderweg zal ze ook patriottische liederen spelen.’
Dat was 2007. Het begin van vier wonderjaren. Tijdens die jaren zou China zijn Grote Sprong Voorwaarts eindelijk waarmaken. En hoe. Het gaf aartsrivaal Japan het nakijken als tweede wereldeconomie. Het bouwde de grootste deviezenreserves in de geschiedenis op. Het nam zijn eerste vliegdekschip in gebruik. En het kaapte het meeste goud weg op de Olympische Spelen die het met verve had georganiseerd. Op het eind van die vier jaar was China niet langer zomaar een opkomend land, het kon zich een aanstormende wereldmacht noemen. Met aspiraties die tot in de hemel reikten. Wat me bij het beeld brengt waar ik in 2011 mijn Chinese jaren mee zou afsluiten. Dat van het Hemels Paleis 1 dat door een machtige jetstraal de hoogte in werd gestuwd. Het Hemels Paleis was een proefstation waar ruimtecapsules aan konden worden gekoppeld. Eerst op afstand. Daarna eigenhandig door twee of drie taikonauten. Er was iets opvallends aan het Chinese ruimtevaartprogramma, iets waar ik pas aan het eind van mijn verblijf de vinger op kon leggen. Het gebeurde stap voor stap. Als de
testen met het Hemels Paleis slaagden, zouden nog twee Paleizen in een baan om de aarde worden gebracht. Pas dan zou worden overgegaan tot de ultieme stap: een bemand ruimtestation. Die methodische aanpak hield steek. In de ruimte worden fouten genadeloos afgestraft, en bovendien kan iedereen ze zien. Zo kwam het dat China zijn ruimtestation
pas tegen 2020 plande. Dat was nog steeds behoorlijk snel, maar het was niet de rotvaart waarmee het op de begane grond van leer trok. Het was niet de Chinése snelheid
waarmee ik na vier jaar geïntoxiceerd was geraakt. Chinese snelheid kun je herkennen doordat ze een loopje neemt met de tijd. Ze ontsluit nieuwe dimensies. Wat in het tijdsbestek van een eeuw hoort te gebeuren, voltrekt zich in jaren. De 50.000 wolkenkrabbers bijvoorbeeld die het land wil neerpoten tussen 2000 en 2025. Geloof het of niet, maar het zit daarvoor op schema. Dat komt omdat het elk jaar opnieuw de vloeroppervlakte van een land als pakweg Canada neerzet, zijnde de helft van alle nieuwbouw ter wereld. Dankzij Chinese snelheid kunnen jaren krimpen tot maanden. Het tempo waarin het elektriciteitsnet wordt uitgebreid, is daar een voorbeeld van. China voegt de productiecapaciteit
van België (de eenentwintigste economie ter wereld) toe in tweeënhalve maand en die van Nederland (zestiende economie) in minder dan vier maand. Af en toe vindt nog iets monumentalers plaats. Dan klapt de tijd in elkaar tot wat in de fysica een singulariteit heet, een punt waarbij de wetten van het mogelijke en zelfs het denkbare ophouden te bestaan. De expansie van het Chinese hogesnelheidsnet is zo’n singulariteit. Begin 2007 had China geen kilometer hogesnelheidsspoor. In 2011 had het met 13.000 kilometer het meest uitgebreide netwerk ter wereld. Nog eens vier jaar later zal het, als de planning wordt gerespecteerd, meer spoor hebben dan de rest van de wereld samen. Dit boek handelt over Chinese snelheid. Wat betekent het te groeien aan zo’n snelheid. Hoe wordt ze aan de gang gehouden? Wie moet haar verduren? Kan zoiets verduren eigenlijk wel?
Als dat verhaal een beginpunt moet hebben, laat het dan in Beijing zijn. Daar is de transformatie van stad tot wereldstad in volle gang. Het oude kraakt er onder het nieuwe. Het is een ongelijke strijd. Wat niet belet dat allerlei verzetshaardjes triomfantelijk standhouden. Ik beschrijf dat proces met op de achtergrond het grote canvas dat ons zo bevreemdend blijft. De Chinese taal. De gedachtewereld. Hoe anders die wereld in elkaar zit, al is dat na zoveel groei misschien wel steeds minder.
In tegenstelling tot wat de cijfers laten vermoeden, is Chinese groei bevattelijk uit te leggen. Ze is het resultaat van hard werk en van wat de bewindslui ‘wetenschappelijke ontwikkeling’ noemen. Al komt er ook een aardige portie geschiedenis bij kijken. De huidige generatie heeft uit haar rijke erfenis – en dat was heus niet alleen een communistische – een geloof geput waarmee ze zich aan haar Grote Sprong kon wagen. Een onwrikbaar geloof in maakbaarheid, en in zijn overtreff ende trap: snelheid. Terugkijkend op die vier jaar, is mijn aanvoelen dat dat geloof zijn houdbaarheidsdatum heeft bereikt. Dat is wat ik onthoud uit tal van gesprekken met jonge mensen. Ze zijn enorm gedreven. Ze moeten wel, want onophoudelijke verandering en weinig (sociale) zekerheid eisen van hen het uiterste. Terwijl ze haast allemaal tobben over geld, zijn velen zich vragen gaan stellen over wat ze echt willen in het leven. Ze zijn op zoek. Doorheen het boek volg ik twee jonge vrouwen die hun eigen pad bewandelen. Het is een pad dat bezaaid is met twijfels, dat kronkelt tussen traditie en moderniteit. Mijn
punt zal zijn dat – ja, ook in China – er iets fundamenteels is veranderd nu mensen mobieler, beter geïnformeerd en opgeleid worden. Ze denken voor zichzelf. Ze wensen niet noodzakelijk nog voetsoldaat te spelen voor een wereldbeeld dat hen wordt opgelegd van hogerhand.
Snelheid heeft de Chinezen verblind. Enkele weken voor ik het land verliet, in de zomer van 2011, gebeurde iets dat hen met verbijstering sloeg. Het ultieme beeld dat de Chinese snelheid veruitwendigde, spatte uit elkaar. Nabij Shanghai reden twee hogesnelheidstreinen op elkaar in, waarop er een van een brug stortte en de dieperik in viel. De menselijke tol – 39 doden, 200 gewonden – was zwaar. De smet op het nationale blazoen evenzeer, vooral omdat het ongeval was voorafgegaan door allerhande pannes en malversaties. Beelden zijn belangrijk. De hogesnelheidstrein was het product van een economisch model dat onwaarschijnlijk succesvol is geweest. Voor de politici was het een veelgebruikte metafoor: de Communistische Partij als de machinist van een welvaartstrein die voor niets of niemand uit de weg ging, en zeker niet voor dissidenten, de ‘kiezelstenen’ in het jargon.
Er was geen tijd. Het spoor lag vast. Net als het beeld zal nu ook de werkelijkheid erachter moeten worden herbekeken. De Volksrepubliek is in recordtempo een machtig maar ook meerstemmig en volwassen land geworden. Dat is, met veel voorsprong, het grootste verhaal van onze tijd. De uitdaging van de generatie leiders die eind 2012 de fakkel overneemt, de ‘zogenaamde vijfde generatie’ na Mao Zedong, Deng Xiaoping, Jiang Zemin en Hu Jintao, bestaat erin om zich daar eindelijk mee te verzoenen.
Bewonderaar Joël De Ceulaer & uitgever over BENIDORM! van Jo Van Damme
13 maart 2012 § Geef een reactie
Toen de uitgever mij vroeg of ik hier vanavond een stichtend woord wilde zeggen aangaande Jo Van Damme en zijn nieuwe boek, maakte een gevoel van oprechte dankbaarheid zich van mij meester. Van diepe nederigheid ook. Het is met schroom en trillende knieën dat ik in zijn bijzijn deze laudatio ten berde breng. U moet weten dat ik de betrokken auteur al bijna een kwarteeuw als een rolmodel beschouw. Ik heb dat altijd stiekem gedaan, kwansuis, in het verborgene, zonder medeweten van wie dan ook. Vandaag wil ik hierover bij wijze van coming out graag getuigenis afleggen. Als ik zeg dat Jo Van Damme een rolmodel voor mij is, dan bedoel ik dat uiteraard louter stilistisch. Ik ben onvoldoende vertrouwd met zijn morele en menselijke kwaliteiten om ook zijn integrale normen- en waardenpatroon tot het mijne te willen maken.
Nee, ik heb het hier vanavond over de auteur. Meer bepaald over de columnist. Het is op dat vlak dat Jo Van Damme mij, zonder zich daar overigens ook maar één seconde van bewust te zijn geweest, altijd heeft geïnspireerd. Vandaag doet hij dat nog altijd. Elke keer als ik mij zwetend en puffend en badend in de faalangst aan het klavier zet om een tekst te schrijven die moet doorgaan voor iets dat bij voldoende daglicht op een column lijkt, beeld ik mij in dat de spirit van Jo Van Damme bezit van mij neemt – als was hij een soort heilige geest die in mij kan nederdalen om mij de gave van het woord te schenken. Dat lukt niet vaak, dat lukt bijna nooit, maar áls het lukt, dan houd ik daar (behalve een gevoel dat ik wat te zwaar getafeld heb) een vorm van ironie en schalksheid aan over waar Jo Van Damme in Vlaanderen het patent op heeft en waarvoor hij tot ver buiten de grenzen bekend zou staan, ware het niet dat hij de pech heeft zich in het Nederlands te moeten uitdrukken.
Ik deel in dat verband graag een kleine anekdote met u. Ik heb Jo Van Damme ooit verdacht van plagiaat. Dat was eind de jaren tachtig, toen ik hem pas kende in zijn hoedanigheid van televisiekronikeur voor Panorama/De Post. Ik was bij dat blad aangespoeld als jongste bediende, wiens taak er vooral in bestond om bijschriften te maken bij staatsieportretten van invloedrijke vrouwelijke personaliteiten die men vandaag in volkse kringen ietwat oneerbiedig ‘babes’ pleegt te noemen. Het eerste wat ik in die tijd in Panorama/De Post altijd las was Netwerk, Van Dammes beroemde maar gevreesde column waarin menig televisievedette met de glimlach en een knipoog metersdiep de grond werd ingeprezen. Nu had hij over de een of andere presentator eens geschreven dat alles erop wees dat diens hersenen even met vakantie waren. In de Ardennen, om precies te zijn. U vindt dat nu niet grappig, maar geloof me: in de context van zijn column, met zijn timing en zijn toonzetting was het dat wel. Ja, wij hebben in die tijd wat afgelachen.
Typisch Van Damme, vond ik dat toen. Iemand wiens hersenen met vakantie waren, je moest er toch maar opkomen. Wat een unieke vondst. Dacht ik. Tot ik een paar dagen later precies hetzelfde beeld aantrof in een roman van Ben Elton. Maar dan in het Engels, natuurlijk. Elton schreef over een van zijn personages dat diens brains were on vacation. Jo zal zich dat niet herinneren, maar ik heb hem toen de vraag gesteld of hij dat boek van Elton gelezen had. Nee, antwoordde hij. En ik geloofde hem. Dat doe ik nog altijd. Toen al, en vandaag meer dan ooit, is het boven elke zweem van twijfel verheven dat Jo Van Damme de inspiratie van Ben Elton niet nodig heeft om grappig te zijn. Jo Van Damme, zo weten wij vandaag, is de plaatsvervanger van Ben Elton in Vlaanderen. Er is, behalve de taal waarin ze zich plegen uit te drukken, maar één verschil tussen beide woordkunstenaars.
Ben Elton, wij moeten daar eerlijk in zijn, is een harde werker. Zeg maar gerust: een uitslover. Jo Van Damme, daarentegen, leeft al een paar decennia alsof niet alleen zijn hersenen, maar ook de rest van zijn lichaam permanent met vakantie is. Beeld u eens in, dames en heren, hoeveel prachtige televisieseries en monologen en musicals en onemanshows en romans Vlaanderen rijker zou kunnen zijn mocht Jo Van Damme Ben Elton als rolmodel beschouwen en zich elke ochtend inbeelden dat diens arbeidsethos als een soort heilige geest bezit van hem neemt. Beeld u eens in wat er zou gebeurd zijn mocht Rudy Van Schoonbeek van uitgeverij Vrijdag Jo Van Damme twintig jaar vroeger aan het werk hebben gezet als romanschrijver. Wij zouden vandaag te maken hebben met een oeuvre van ronduit Eltoneske proporties. In plaats daarvan presenteert de auteur, op zijn toch al gevorderde leeftijd, hier vandaag pas zijn tweede prozaboekje. Hij mag van geluk spreken dat wij als artistieke fijnproevers de kwaliteit hoger in het vaandel voeren dan de kwantiteit.
Laten wij die kwaliteit eens wat nader in ogenschouw nemen. Met betrekking tot Ledeberg, zijn eerste roman, schreef ik in een recensie het volgende: ‘Ledeberg! gaat niet gebukt onder storende pretentie of nodeloos literaire ambities, het is een ongecompliceerd en schalks verhaal dat veeleer thuishoort in het universum van Herman Brusselmans dan in dat van pakweg Stefan Hertmans.’ Jo Van Damme is geen modale Vlaamse schrijver. Voor de goede orde: dat bedoel ik als een compliment. Ik heb de herseninhoud van de modale Vlaamse schrijver wel eens vergeleken met een uitgestrekte zandvlakte, waar benevens de occasionele windvlaag zelden iets van betekenis gebeurt. Een beeld dat weliswaar niet kan tippen aan die hersenen die met vakantie zijn, maar alle begin is moeilijk.
Maar terzake. Dames en heren, Wie Ledeberg! naar waarde wist te schatten, zal zich zeker ook vermaken met Benidorm!, het boek naar aanleiding waarvan wij hier vanavond werden samengedreven in deze fraaie schouwburg, waar Jo Van Damme al vaak succes oogste als toneelauteur. De dialogen in Benidorm! zijn nog pittiger, de taal nog volkser, de humor nog krachtiger. Het boek is zelfs een beetje dikker. En de auteur, men voelt dat meteen, is gerijpt. Evenals zijn personages, die meer dan ooit de eretitel Sopranos van Ledeberg mogen dragen. Nee, werkelijk. Benidorm! is zo verrassend en zo goed dat ik mij voorneem om het nog déze week te lezen.
Joël De Ceulaer, Gent, 21 februari 2012
———-
Waarde heer Van Damme,
Toen tot uw én onze grote verbazing een tweede druk van uw voorgaande roman Ledeberg! moest besteld worden, hebt u gemeend ons te moeten melden dat u in uw volgende werk zou uitwijken uit deze stad. Sterker: sommige personages zouden niet zomaar eventjes een district verder een kijkje gaan nemen, nee, u meende godbetert een oord als de Spaanse toeristenstad Benidorm in het vizier te willen nemen. Slechts na langdurig aandringen onzerzijds hebt u zich geschikt naar het compromis om toch een belangrijk gedeelte van het nieuwe verhaal te willen doen plaatsvinden in de oorspronkelijke locatie van uw eerdere werk, meer bepaald omstreeks het Ledebergplein.
Toen ook nog maar eens een derde druk van genoemd boek Ledeberg! diende te worden opgelegd, verstoutte u zich om – in het kader van de lokale globalisatie, of was het de globale lokalisatie – te verlangen dat de presentatie van de nieuwe roman evenmin in de plaats van oorsprong zou plaatsvinden, maar in de naar uw aandragen op een breder cultureel draagvlak rekenende Minardschouwburg. Na alle creatieve meningsverschillen die tijdens het creatieproces van dit boek tussen u en ons hebben gespeeld, en die u gemeend hebt uitvoerig te moeten etaleren in uw schrijfwerk, hebben wij daar node mee ingestemd, slechts nadat wij vasthoudend geëist hebben dat hedenavond géén speciaal optreden van de in Benidorm werkelijk bestaande Sticky Vicky Show zou worden geprogrammeerd. Dan menen wij met Lady Angelina, die bereid is gevonden enige van haar prachtige nummers ten gehore te brengen, een artiest te hebben getroffen deze schouwburg tenminste waardig. Geheel in lijn met onze immer consequente houding en overtuiging kiezen wij er bovendien voor om de genodigden niet te trakteren op Bulgaarse yoghurt, zoals door u nochtans verlangd, maar op het klassieke glas.
Dat u bovendien halsstarrig blijft weigeren om op een plechtigheid als deze niet enkele sympathieke woorden te richten tot de talrijke aanwezigen, heeft ten slotte alléén maar als voordeel dat de officialia hierdoor minder tijd zullen vergen, en de verkoop van uw boek sneller aangevat kan worden. We roepen u met klem op om voortaan de leuze te willen huldigen die u zelf een plek gunt in uw verhaal, en wel op blz. 67: ‘Doe op een ander nooit wat ge in Ledeberg ook niet zoudt doen.’ We hopen dan ook er te mogen op rekenen dat u vanavond uw schoenen niet zult uittrekken.
Angstvallig wachtend wat ons binnenkort nog meer met u te wachten en te stellen staat, verblijf ik
Met schriftelijke groeten,
Uw uitgever
Misdaden tegen de mensheid – Annemie Bulté
1 maart 2012 § Geef een reactie
‘De Bende van Nijvel is ons nationaal trauma,’ zei de voormalige procureur van Charleroi Christian De Valkeneer onlangs, toen hij voorstelde om de terreurgolf uit de jaren 1980 te beschouwen als een ‘misdaad tegen de mensheid’, zodat ze nooit meer zou verjaren. De Bende van Nijvel is het meest berucht voor haar bloedige warenhuisovervallen, waarbij de buit totaal niet in verhouding stond met het aantal slachtoffers. Van 1982 tot 1985 vielen in totaal 28 doden en minstens een dozijn gewonden. De vier jaar durende moordcampagne zorgde voor een angstpsychose in België. Het onderzoek duurt al dertig jaar. Honderden speurders beten in de loop der jaren hun tanden stuk op het dossier. Geen van de moorden raakte tot nu toe opgelost.
Bijna niemand gelooft intussen nog dat dat ooit nog zal gebeuren. Daarvoor zijn er te veel fouten in het onderzoek gemaakt – iets te veel om het alleen aan onkunde te wijten. Eerst was er de gedwongen verhuis van het onderzoek van Dendermonde naar Charleroi, daarna lag het dossier jarenlang stof lag te vergaren in een paar oude paardenstallen. Bewijsmateriaal en DNA van verdachten raakten verloren. Honderden tips die telefonisch binnenkwamen bij de speurderscel werden verzegeld om daarna nooit meer te worden beluisterd. Een van de wagens die voor een overval had gediend, belandde op de schroothoop. Intussen tikten de jaren weg.
Een jaar geleden kreeg het onderzoek plots een nieuw elan: onderzoeksleider Eddy Vos organiseerde een reconstructie van de aanslag, op 9 november 1985, op het warenhuis Delhaize in Aalst en lanceerde een ultieme oproep naar getuigen. Er kwamen zeshonderd tips binnen en de speurderscel werd versterkt met nieuwe, frisse manschappen. Een jaar later maakt commissaris Eddy Vos geen deel meer uit van de onderzoekscel. De meest strijdlustige bendespeurder stapte ontgoocheld uit het onderzoek op, nadat eerder zijn vriend en geestesgenoot, onderzoeksrechter Jean-Paul Raynal gedwongen werd op te stappen. Beide mannen werkten al zestien jaar in het onderzoek en waren de enigen die nog een overzicht bewaarden op het metersdikke dossier. Het geheugen van het onderzoek is weg. De nieuwe speurders moeten weer helemaal van vooraf aan beginnen.
Op het ogenblik dat dit voorwoord in druk gaat, zit het onderzoek alweer in een – zoveelste – stroomversnelling. De nieuwe speurders van de Cel Waals-Brabant (CWB) hebben onlangs onder leiding van de nieuwe onderzoeksrechter Martine Michel 21 huiszoekingen verricht in Brussel, Gent, Charleroi en de Ardennen. Een machtsontplooiing waarbij zo’n honderd politieagenten werden ingeschakeld en waarbij de speurders opnieuw de kaart van de politieke piste trekken: extreemrechtse groeperingen zouden door het zaaien van terreur een ruk naar rechts hebben willen bewerkstelligen in de Belgische politiek. Een spoor dat tien jaar geleden ook al eens werd onderzocht. En zo zijn in de loop der jaren nog talloze hypothesen geformuleerd over de motieven en de achtergrond van de Bende: van puur banditisme tot Roze Balletten (seksfuiven van de ‘gestelde lichamen’ in confituurbaden), een complot van de rijkswacht en de CIA, een poging tot afpersing van Delhaize… ‘De antwoorden zitten in het dossier, daar ben ik van overtuigd,’ zei Eddy Vos bij zijn afscheid. De vraag is nu of de speurders het er nog uit zullen kunnen halen. Vanaf 9 november 2015 omstreeks 20 uur verjaart het bendedossier definitief. Dan zullen er geen onderzoeksdaden meer mogelijk zijn en zal de onderzoekscel worden ontbonden.
Toch blijven de slachtoffers en nabestaanden van de Bende van Nijvel na dertig jaar wachten nog steeds hopen op opheldering. Voor hen is het nationale trauma van België nog elke dag een puur persoonlijke nachtmerrie. Ook voor David Van de Steen, die negen jaar was toen hij zijn ouders en zijn zus zag vermoorden op de parking van de Delhaize in Aalst. Zelf raakte hij zwaargewond, maar hij haalde het. David is vandaag 35 jaar, getrouwd en vader van een zoontje. Hij vertelt hier zijn levensverhaal. Het verhaal van een overlever.
Annemie Bulté, maart 2012, voorwoord bij pocketuitgave ‘Niet schieten, dat is mijn papa!’ – David Van de Steen & Annemie Bulté, Rainbow Pockets.

